8 maanden geleden

Het Johannes-evangelie (09a)

Bijbelgedeelte: Johannes 2 vers 23 tot 3 vers 10

Dillenburg 2017

Overzicht van Johannes 1 en 2

In het Johannes-evangelie wordt de Heer Jezus vanaf het begin veel duidelijker dan in de andere drie evangeliën voorgesteld als Degene Die door Zijn aardse volk en door de hele wereld verworpen wordt (Joh. 1:10,11). Dat de Heer Jezus als Messias voor Zijn volk zou komen en dat de Joden zich zouden bekeren om het koninkrijk binnen te gaan (verg. Joh. 1:23) staat in dit evangelie niet op de voorgrond. Hier wordt het werk van de Heer Jezus vanaf het allereerste begin gepresenteerd als een werk voor alle mensen (Joh. 1:29). Dit is een zeer opmerkelijk kenmerk van het Johannes-evangelie. Onmiddellijk wordt de wereldwijde impact van het werk van de Heer gepresenteerd, niet beperkt tot Israël, maar voor de hele wereld. Het 1000-jarige koninkrijk is ook een thema bij Johannes, maar het is niet zo prominent aanwezig omdat de Heer Jezus vanaf het begin als verworpen wordt beschouwd.

In de eerste twee hoofdstukken van het Johannes-evangelie introduceert de apostel Johannes drie dagen die duidelijk profetisch van karakter zijn. Er is sprake van andere dagen in deze hoofdstukken (verg. Joh. 1:29), maar deze zijn puur historisch en niet profetisch van karakter. De presentatie van bedelingen is eigenlijk helemaal geen thema in Johannes, maar het komt in dit evangelie op dezelfde manier terug in de laatste twee hoofdstukken in verband met de verschijningen van de Heer na Zijn opstanding. Als we daar puur rekenkundig te werk gaan, komen we in Johannes 21 vers 14 ook op meer dan drie verschijningen van de opgestane Heer. Maar daar is het precies dezelfde telmethode als bij de dagen in Johannes 1 en 2; alleen de verschijningen die een profetisch karakter hebben worden geteld:

  • In Johannes 20 vers 19-23 hebben we de eerste verschijning waar de Heer de discipelen omringt met de tweevoudige groet “Vrede zij met u;” dit tafereel vertegenwoordigt ons huidige tijdperk van genade met de aanwezigheid van de Heer in ons midden;
  • in Johannes 20 vers 24-29 hebben we de tweede verschijning in het tafereel met Thomas als voorafbeelding van het veroordeelde overblijfsel van Israël, dat de Heer erkent als zijn Heer en zijn God;
  • dan hebben we in Johannes 21 vers 1-14 in de grote ‘visvijver’ de derde verschijning van de Heer die de zegening van het 1000-jarig koninkrijk tot voorbeeld heeft.

In precies dezelfde volgorde komen deze drie verschijningen overeen met de drie dagen in Johannes 1 en 2.

  • Teruggaand van de derde dag in Johannes 2 vers 1 hebben we ook in Johannes 1 vers 35-42 de eerste dag, waarop twee van de discipelen van Johannes de Doper naar de Heer Jezus komen en zich om Hem heen verzamelen. Dit is duidelijk het tijdperk waarin we vandaag de dag leven, de dag van genade waarop de Heer Jezus de heiligen om Zich heen verzamelt;
  • in Johannes 1 vers 43-51 hebben we dan de tweede dag, waarop eerst Filippus en daarna Nathanaël heel duidelijk voor het herstel van het overblijfsel uit Israël in latere dagen staan. Nathanaël erkent de Heer als de Zoon van God en de Koning van Israël. Dit tijdperk is vanuit ons standpunt van vandaag nog toekomstig;
  • de derde dag in Johannes 2 vers 1-11 toont dan de dag van het herstel van alle dingen; het is de dag die gekenmerkt zal worden door vreugde over de hele aarde – de Heer Jezus Die Zijn heerlijkheid openbaart (Joh. 2:11). Deze drie dagen zijn dus een profetisch overzicht van zeer belangrijke tijdperken in de wegen van God.

Na de bruiloft in Kana bracht de Heer Jezus een paar dagen door in Kapernaüm met Zijn aardse moeder, Zijn broers en Zijn discipelen (Joh. 2:12). Jozef wordt hier niet meer genoemd en de laatste verwijzing naar hem is in Lukas 2 vers 41-52, waar de ouders van de Heer Jezus naar Jeruzalem gingen voor het pascha. We kunnen daarom aannemen dat Jozef hier in Johannes 2 al was gestorven.

Na deze paar dagen in Kapernaüm ging de Heer Jezus naar Jeruzalem voor het pascha van de Joden (Joh. 2:13 e.v.). De tempelreiniging door de Heer Jezus die bij deze gebeurtenis plaatsvond, is niet identiek aan de tempelreiniging waarover in de andere drie evangeliën wordt bericht (Matth. 21:12-17; Mark. 11:15-19; Luk. 19:45+46). Deze tweede tempelreiniging vond duidelijk op een heel ander tijdstip plaats. Hier in Johannes 2 is het het eerste pascha, dat de Heer Jezus meemaakt vóór het begin van Zijn openbare bediening; de tempelreiniging waarover in de andere drie evangeliën wordt bericht, vindt duidelijk plaats tijdens het laatste pascha, kort voor de dood van de Heer Jezus.

De Heer Jezus erkende in die tijd de tempel nog steeds als het huis van Zijn Vader en dreef alle elementen die de tempel verontreinigden uit. Deze actie was uitzonderlijk voor de Joden en ze eisten een teken van Hem, dat Hij ook bereid was te geven. Zijn antwoord werd door de Joden begrepen alsof Hij over de Herodiaanse tempel had gesproken, die na drie dagen zou worden afgebroken en herbouwd. Maar Hij sprak over de tempel van Zijn lichaam – de volheid van de Godheid woonde en woont in de Heer Jezus (Kol. 1:19; 2:9). Hij wist, dat de dood die Hij door de mensen zou ondergaan, Zijn deel zou zijn, maar dat Hijzelf deze tempel van Zijn lichaam weer zou oprichten door de opstanding.

De Heer Jezus gaf hun dus op hun verzoek het machtige teken van Zijn opstanding. Keer op keer vinden we in dit evangelie dit feit, dat de Heer Jezus vanaf het begin bereid was om Zijn leven te geven. In zekere zin waren het de Joden geweest die de tempel van Zijn lichaam hadden afgebroken, omdat zij Hem vanuit hun verantwoordelijkheid hadden gedood. Aan de andere kant was Hij het Zelf Die Zijn leven uit vrije wil had gegeven – en Hij was het ook Die het weer terugnam.

Wat de opstanding van de Heer betreft, is het ook waar, dat de Vader Hem heeft opgewekt (bijv. Ef. 1:20; Rom. 6:4); maar hier spreekt de Heer Jezus over wat Hij zou doen. Hij is het Zelf Die Zijn leven weer opneemt in Zijn opstanding (verg. Joh. 10:17,18). Dit antwoord op de vraag naar een teken werd zelfs door Zijn discipelen pas begrepen, toen de Heer was opgestaan en naar de hemel was teruggekeerd en hun de Heilige Geest had gezonden.

Inleiding tot Johannes 3

 

In de verzen 23-25 van Johannes 2 hebben we dan een zekere aanloop naar het derde hoofdstuk, want de verzen horen inhoudelijk al bij Johannes 3. De Geest van God laat ons in hoofdstuk 3 zien, dat de mens van nature nooit, zelfs niet onder de beste omstandigheden, in staat is om een leven in overeenstemming met God te leiden, of zoals de Heer tegen Nicodémus zegt, om het koninkrijk van God binnen te gaan. Er wordt ons getoond wat de aard van de mens is, zelfs in zijn edelste geval, en welke verandering nodig is om dit doel toch te bereiken, namelijk de nieuwe geboorte. En dan vinden we in dit hoofdstuk ook nog de fundamentele voorwaarde voor het bereiken van het eeuwige leven, een veel hoger feit dan de nieuwe geboorte: de dood en opstanding van de Heer Jezus.

Van hoofdstuk 3 tot 7, waar de nadruk ligt op leven (hfdst. 8 tot 12 op licht; hfdst. 13 tot 17 op liefde), hebben we een zekere opgaande lijn. In hoofdstuk 3 zien we, dat voor ieder mens, ongeacht tot welke tijdsperiode hij behoort, de nieuwe geboorte noodzakelijk is om het koninkrijk van God binnen te gaan. Zonder nieuwe geboorte is er geen relatie met God. Dan vinden we in Johannes 3 vers 16 eeuwig leven, en dit is een tweede geschenk van God, maar waarmee alleen de gelovigen van de genadetijd gezegend zijn. Het is een leven van een geheel nieuwe kwaliteit, leven in overvloed (Joh. 10:10), het leven dat in de Zoon is. En dit eeuwige leven heeft een kracht nodig om actief te zijn, en die vinden we in de woorden van de Heer Jezus in Joh 4 vers 10: het is de Persoon van de Heilige Geest, het levende water (verg. Joh. 7:38,39). Wij gelovigen van de genadetijd genieten dit bijzondere voorrecht de Heilige Geest te bezitten, deze Goddelijke persoon in ons te hebben wonen, die de bron van kracht is voor de ontplooiing van het eeuwige leven. Het is de Heilige Geest Die ons in staat stelt om in geest en waarheid te aanbidden (Joh. 4:23,24) en Die ons ook wil gebruiken om anderen te zegenen (Joh. 7:38). Deze beide uitwerkingen, zowel in verticale richting in aanbidding tot God als in horizontale richting tot de mensen, worden ook voorgesteld in het heilige en het koninklijke priesterschap in 1 Petrus 2 vers 5 en 9.

“En toen Hij in Jeruzalem was op het pascha, op het feest, geloofden velen in Zijn naam, toen zij de tekenen zagen die Hij deed” (vs. 23).

We vinden de Heer Jezus hier nog steeds in Jeruzalem, dat wil zeggen in Judea, waar Hij naartoe was gegaan vanuit Kapernaüm in Galiléa voor het Pascha (Joh. 2:12,13). Deze gebeurtenissen vinden we niet in de andere evangeliën, waar de beschrijving van Zijn openbare bediening in Galiléa begint. Het is duidelijk, dat de Heer Jezus vóór het begin van Zijn eigenlijke openbare bediening verschillende wonderbaarlijke dingen voor het welzijn van de mensen had gedaan. En deze tekenen namen de Joden als een reden om in Hem te geloven.

Dit geloof was echter niet hetzelfde geloof als dat van de discipelen in Johannes 2 vers 22, die Hem in hun hart hadden ontvangen (Joh. 1:12). Hier was het geloof van de Joden een voor-waar-houden van wat ze zagen, meer niet. Het was een puur intellectueel geloof. We vinden steeds weer voorbeelden van dit soort geloof in het Woord van God, bijvoorbeeld bij de Farizeeën in Johannes 8 vers 30 en 31 of bij Simon de tovenaar in Handelingen 8 vers 13; het is een puur verstandelijk geloof omdat bepaalde dingen onweerlegbaar bewezen zijn, maar dit geloof is totaal zinloos (1 Kor. 15:2), het heeft geen fundament.

Deze Joden waren door de tekenen van de Heer Jezus, door wat uiterlijk waarneembaar was, zo in de ban geraakt, dat ze geloofden. Maar hun geweten was niet bereikt. Hun gevoel, hun verstand waren bereikt, maar hun hart en geweten niet. En dat is nu precies het cruciale punt. Vandaag de dag is het in het christendom nog steeds hetzelfde. Sensationele en uiterlijk indrukwekkende uitwerkingen, zoals in de charismatische beweging, doen alleen een beroep op het religieuze vlees en nooit op het geweten. Het geweten wordt alleen aangesproken door de duidelijke uiteenzetting van de ernst van de zonde en Gods straf daarover, evenals het Goddelijke redmiddel in de Persoon van de Heer Jezus. Dit moet altijd het belangrijkste zijn in de verkondiging van het evangelie, ook vandaag! Als de boodschap geen kern bevat die het geweten bereikt, zullen er geen echte bekeringen zijn.

We zien ook in het verdere verloop van de openbare bediening van de Heer in het evangelie van Johannes dat de toestand van het volk van de Joden steeds ernstiger wordt; de Joden, die in Johannes 8 vers 30 nog met verstandelijk geloof in de Heer Jezus geloofden, willen Hem aan het einde van het gesprek van de Heer met hen stenigen (Joh. 8:59). En dan in Johannes 12 vers 37, waar we chronologisch aan het einde zijn van de openbare bediening van de Heer, vinden we dan, dat hoewel de Heer Jezus veel tekenen voor hen had gedaan, ze zelfs in deze zin niet meer in Hem geloofden. Ze hadden geen waardering meer voor wat Hij onder hen bewerkte.

“Maar Jezus Zelf vertrouwde Zich aan hen niet toe, omdat Hij allen kende, en omdat Hij niet nodig had dat iemand van de mens getuigde, want Hij wist Zelf wat in de mens was” (vs. 24+25)

De Heer kan Zich aan zulke mensen niet toevertrouwen; Hij kijkt in hun hart en ziet, dat hun geweten niet in het licht van God is gekomen. Met zulke mensen is geen gemeenschap mogelijk en Hij blijft op een afstand.

Als iemand tot geloof komt, wordt hij een vertrouweling van de Heer Jezus ofwel de Heer (verg. Job 29:4; Spr. 3:32). In Zijn genade wil Hij ons tot Zijn vertrouwelingen maken. Hij noemt ons Zijn vrienden in tegenstelling tot de knechten die niet weten wat hun meester doet (Joh. 15:15), omdat Hij ons alles bekend heeft gemaakt wat Hij van Zijn Vader heeft gehoord.

De Heer Jezus wist wat er in de mens was, dit maakt duidelijk dat Hij de Zoon van God is. De discipelen in Handelingen 1 vers 24 kenden deze heerlijkheid van de Heer Jezus, dat Hij de Kenner is van het hart van allen.

“Nu was er een mens uit de Farizeeën, zijn naam was Nicodémus, een overste van de Joden” (Joh. 3:1).

Nu richt de Heilige Geest de schijnwerpers op Nicodémus, die zich in zoverre onderscheidde van de rest van de Joden, dat zijn geweten was bereikt en hij daarom naar de Heer Jezus kwam. Hij leek in sommige opzichten op hen, maar hij was ook anders dan hen, daarom wordt hij met dit ‘nu’ voorgesteld. Oorspronkelijk behoorde hij waarschijnlijk tot de menigte Joden van Johannes 2 vers 23, maar toch was in hem al een werk van God begonnen. Hij was ook zo’n Jood die daarop wachtte, dat de Messias Zich nu eindelijk zou openbaren en het Koninkrijk zou oprichten, maar hij onderscheidde zich van de rest van de Joden, doordat het bij hem iets verder ging, dat zijn geweten was bereikt en hij daarom tot de Heer Jezus kwam. Hij voelde in zichzelf een verlangen om tot deze Persoon te komen. En de Heer Jezus haakt dan in op wat al door de Geest van God in de ziel van Nicodémus was gewerkt.

En het opmerkelijke is, dat hij het zelf niet eens doorhad. Hij wist zelf niet eens, dat er een werk van God in zijn ziel aan het ontstaan was. Dit mysterieuze werk van God in een ziel is eenvoudigweg bewonderenswaardig! We zien hierin de waarheid van de woorden van de Heer in Johannes 6 vers 44: “Niemand kan tot Mij komen tenzij de Vader Die Mij heeft gezonden, hem trekt.”

We hebben hier een leraar van de Joden, een leider van het volk van God, dat maar één hoop kende: dat de Messias zou komen om het Koninkrijk van God te vestigen. Dit was het onderwerp van de profetieën van het Oude Testament. De verwachting van de Joden was echter alleen, dat de Messias, als de Koning van het Koninkrijk, hen zou bevrijden van het juk van de Romeinse heerser, de Romeinen uit het land zou verdrijven en hen in staat zou stellen om comfortabel op aarde te leven. Dit was de hoop van de Joden. Alleen tegen deze achtergrond is het te begrijpen dat zowel Johannes de Doper als de Heer Jezus altijd over bekering spreken. Maar de Joden, op een heel klein gelovig overblijfsel na, hadden er helemaal niet bij stilgestaan, dat met hun ongereinigde harten gemeenschap met een Koning Die uit de hemel kwam, Die de Zoon van God Zelf zou zijn, onmogelijk was. Ze waren uiterlijk het volk van God, maar innerlijk waren ze ver van God verwijderd.

“Deze kwam ’s nachts bij Hem en zei tot Hem: Rabbi, wij weten dat U van God bent gekomen als leraar; want niemand kan deze tekenen doen die U doet, tenzij God met hem is” (vs. 2).

Zijn komst naar de Heer Jezus onder de bescherming van de duisternis getuigt echter van het feit, dat het verbonden was met een zekere angst, misschien voor de kritiek van zijn collega’s. Waarschijnlijk behoorde hij tot het grote aantal van de heersers van het volk die in de Heer Jezus geloofden, maar Hem niet beleden vanwege de Farizeeën, opdat ze niet uit de synagoge zouden worden gebannen (Joh. 12:42). Eens was hij een beetje huiverig geweest om voor de Heer Jezus op te komen, en meteen moest hij daarom verwijten van de Farizeeën aanhoren (Joh. 7:50-52). Later schijnt het licht van zijn getuigenis echter helderder als hij zich samen met Jozef van Arimathéa voor de ogen van de hele wereld één maakt met de gestorven Christus (Joh. 19:38-42).

We zien hieruit dat Nicodémus de leringen van de Heer Jezus in dit hoofdstuk had aangenomen en erdoor veranderd werd, zodat hij uiteindelijk openlijk Zijn kant koos. Het is ontroerend, dat in deze scène met de gestorven Heiland opnieuw wordt verwezen naar zijn eerste ontmoeting met de Heer, waar hij voor het eerst ’s nachts naar Hem toe was gekomen. Aan het einde van de loopbaan van de Heer Jezus op aarde, als het erom gaat Zijn dode lichaam in een graf te leggen, beschrijft de Heilige Geest de geestelijke groei in het leven van Nicodémus. Er is een vooruitgang, Nicodémus was niet stil blijven staan in zijn ontwikkeling. Hij had de leer van de Heer aangenomen en was op de plaats toen het erop aankwam. Het is dus ook belangrijk voor ons om vooruitgang te boeken en niet stil te blijven staan bij de onvolkomenheden die we tot nu toe misschien hebben laten zien.

Het feit, dat hij ’s nachts tot de Heer Jezus kwam en niet werd afgewezen vanwege het ongepaste tijdstip, laat ook zien dat de Heer toegankelijk is voor alle noden en vragen. Nooit werd iemand afgewezen die oprecht zoekend en vragend tot Hem kwam. Dit is ook een bemoediging voor ons als we onze zorgen en vragen in slapeloze nachten voor Hem brengen – Hij hoort ons!

De nacht geeft aan de andere kant ook de morele staat van dit volk aan: ze waren samen met hun leiders in een geestelijk dode toestand voor God. En Nicodémus plaatst zich met zijn woorden op het terrein van hen die alleen dit uiterlijke geloof hadden, omdat hij zich met zijn woorden verbindt met de rest van de leiding van het volk die alleen een intellectuele overtuiging hadden gekregen. Hij verschuilt zich ook een beetje achter de andere Farizeeën, in gedachten plaatst hij hen achter zich, hoewel hij de enige was die tot de Heer Jezus was gekomen.

Als Nicodémus de Heer Jezus hier aanspreekt als rabbi en leraar, geeft dat aan dat hij niet alleen bezig was geweest met de tekenen die de Heer tot dan toe had bewerkt, maar ook met Zijn woorden en daar ook van onder de indruk was geweest. Hij ziet zichzelf ook niet als leraar, maar zegt eigenlijk, dat hij een discipel is en door de Heer Jezus geleerd wil worden. En dan zegt hij van Hem, dat God met Hem is. Zeker, hij wilde een zekere hoffelijkheid en erkenning over de Heer Jezus uitdrukken, maar de Heer Jezus is veel meer en veel hoger dan een Rabbi! Hij is de Zoon van God; God is niet alleen met Hem, Hij is God Zelf! Dit is wat Nicodémus moet leren in de volgende lessen van de Heer Jezus. Maar naast deze belangrijke lessen miste hij nog iets heel beslissends: hij miste de geboorte van boven.

 

Achim Zöfelt, © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 12.06.2018. [Samenvatting van Bijbelconferentie]

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW