5 maanden geleden

Het Johannes-evangelie (08a)

Bijbelgedeelte: Johannes 2 vers 1-11

De derde dag – De bruiloft in Kana, vreugde voor de hele wereld

 

Profetisch gezien komen we nu bij een passage die het koninkrijk van de Heer Jezus op aarde laat zien vanuit het oogpunt van de vreugde voor de hele wereld. Maar ook in de letterlijke beschouwing van dit bruiloftsfeest vinden we waardevolle praktische lessen die nu voorafgaan aan de profetische uitleg.

“En op de derde dag was er een bruiloft in Kana in Galiléa; en de moeder van Jezus was daar” (Joh. 2:1).

Uit Johannes 21 vers 2 weten we, dat Nathanaël uit Kana in Galiléa kwam, uit de plaats waar hier de bruiloft plaatsvond. Misschien had hij ervoor gezorgd, dat de Heer Jezus ook op deze bruiloft werd uitgenodigd. In letterlijke zin zal de derde dag hier de derde dag zijn geweest na het gesprek tussen de Heer en Nathanaël.

Blijkbaar was de moeder van de Heer Jezus goed bekend daar in Kana, dat kan men ook zien aan haar handelingen en aan al haar uitspraken.

“Jezus nu was ook op de bruiloft genodigd, alsook Zijn discipelen” (vs. 2)

De Heer Jezus had de uitnodiging voor het bruiloftsfeest niet afgeslagen. Hij neemt deel aan een menselijk, aards feest. Hij wil daarmee laten zien, dat Hij het huwelijk van man en vrouw als een Goddelijke orde erkent. Hij bekrachtigde de bruiloft te Kana door Zijn aanwezigheid. In onze dagen, waarin de duivel secundaire vormen zoekt en vindt en mensen steeds nieuwe vormen van samenleven tussen man en vrouw of anderszins goedkeuren, bevestigt de Heer door Zijn aanwezigheid bij deze bruiloft de gedachten van God hierover die voor alle tijden gelden. God had voor de man een hulp gemaakt die bij hem paste (Gen. 2:18); en Adam en Eva zijn het vroegste model van Christus en de gemeente. Zelfs vandaag de dag is het huwelijk een model van deze verheven waarheid (Ef. 5:31,32). En als Christenen zijn we verplicht om deze door God gegeven instelling, die tot zegen is voor de mensheid, te eren en in stand te houden. Vandaag de dag is het huwelijk voor God net zo waardevol en belangrijk als in het allereerste begin!

Uit de zin “Jezus nu was ook …” kunnen we opmaken, dat Hij niet het middelpunt van deze bruiloftsviering was, dat Hij niet de hoofdrol speelde. Welke plaats heeft Hij vandaag de dag in onze bruiloftsvieringen? Je hebt meer en meer de indruk, dat de vieringen van vandaag de dag overtroffen worden: steeds langer, steeds met meer uitspattingen. Een bruiloft is vanzelfsprekend een vreugde, maar het moet gepast zijn en niet buitensporig; en echte vreugde komt alleen als Hij niet slechts aan de zijlijn staat, maar in het middelpunt van de belangstelling staat. Tegenwoordig hebben de ouders van de bruid en bruidegom ook steeds minder invloed op de organisatie van het bruiloftsfeest; het is geen goede ontwikkeling als de ideeën van de ouders helemaal aan de kant worden geschoven. Het is een uitdrukking van de moderne tendens naar onafhankelijkheid. Als de bruid en bruidegom de Heer in het middelpunt van hun hart hebben, zal dit ook invloed hebben op de organisatie van de bruiloftsviering. Bruiloftsvieringen onder gelovigen moeten met ernstige overwegingen gepland en vormgegeven worden.

We kunnen de Heer vandaag de dag niet echt meer uitnodigen op een bruiloft, maar we kunnen wel de geestelijke toepassing maken, dat we geen huwelijk willen beginnen zonder de Heer Jezus, dat we Hem meenemen in deze belangrijke stap. En als we dat doen, heeft dat invloed op de vormgeving van het bruiloftsfeest, Zijn aanwezigheid moet het feest vormgeven. Helaas maken we bij huwelijksvieringen in onze kringen ook mee, dat er in het begin een mooie ceremonie is met hele goede toespraken, maar dat er in het verdere verloop vaak dingen gespeeld en gedaan worden die twijfelachtig en soms zelfs aanstootgevend zijn.

We hebben de Heer Jezus tot nu toe in hoofdstuk 1 gezien met behoorlijk verheven en wonderbaarlijke trekken en eigenschappen; en nu verwaardigt deze buitengewoon grote Persoon Zich om een bruiloft bij te wonen van bruid en bruidegom, wiens namen niet eens worden genoemd, in een heel onbetekenend deel van het land. Naar menselijke maatstaven een relatief betekenisloze gelegenheid, met zelfs het probleem dat de drank opraakt tijdens dit feest. Maar de eeuwige Zoon van God, die Mens werd, is er niet tegen om dit tafereel te bezoeken en zelfs om te helpen bij de problemen die zich voordoen.

“En toen er gebrek aan wijn kwam, zei de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn” (vs. 3).

Er is geen feest, dat beter wordt voorbereid dan een bruiloft. En dat er juist op dat moment een tegenslag komt, is bijzonder onplezierig. Zelfs op de mooiste momenten van het menselijk leven kunnen er storingen optreden; de mens is niet in staat om zijn eigen geluk veilig te stellen – daar heeft hij Christus voor nodig!

Het huwelijk werd vóór de zondeval ingesteld, toen alles volmaakt was. Vandaag de dag, als gelovigen trouwen, zijn het twee mensen die het vlees hebben, die kunnen zondigen. Het zal nooit meer hetzelfde zijn als vóór de zondeval. En toch is de Heer Jezus aanwezig bij zo’n bruiloft. We moeten dus niet gaan sleutelen aan het huwelijk, omdat we vandaag de dag niet meer in de tijd van onschuld leven. We mogen de Heer Jezus bij ons hebben en Hij is er dan ook bij als er problemen zijn. Geen enkel huwelijk van gelovigen is volmaakt, maar als we daarin onze toevlucht tot Hem nemen, kan en zal Hij helpen zodat er uiteindelijk weer vreugde zal zijn.

Hoe kunnen problemen die zich voordoen worden opgelost? Als Hij aanwezig is, is Hij in staat om het gebrek aan het mindere om te zetten in een overvloed aan het betere. Dus ten eerste moet Hij aanwezig zijn en ten tweede moeten we alles doen, wat Hij ons zegt. Wijn is een beeld van aardse vreugde; en er kan een gebrek aan vreugde zijn in een huwelijk of gezin. Maar als Hij er is en we doen wat Hij ons zegt, dan zal een huwelijk of gezin weer onder de zegen komen.

Maria lijkt veel meer in het middelpunt van deze gebeurtenis te hebben gestaan. In elk geval herkende ze het probleem, dat zich had voorgedaan. Hoe gaan wij ermee om als we problemen herkennen? Waar wenden wij ons heen? Maria deed het enige juiste: ze ging niet naar de ceremoniemeester die verantwoordelijk was voor het voeden van de gasten, maar ze ging naar de grote Meester Zelf en legde Hem voor wat ze te weten was gekomen. We zien ook in haar woorden, dat ze vertrouwen had in Zijn wijsheid en in Zijn macht. Ze beschrijft eenvoudig het probleem zonder oplossingen aan te dragen.

Vers 11 zegt dat het eerste teken van de Heer hier in Kana gebeurde. Wat bracht Maria ertoe om zich met dit innerlijke vertrouwen tot de Heer te wenden? Ze had nog geen ervaring met wonderen door Hem. Maar ze moet Hem op een speciale manier hebben leren kennen in de tijd vóór Zijn publieke verschijning, toen Hij als oudste zoon in plaats van Jozef de verantwoordelijkheid voor de familie op zich nam.

“<En> Jezus zei tot haar: Wat heb Ik met u te doen, vrouw? Mijn uur is nog niet gekomen” (vs. 4).

En toch was wat Maria hier deed niet helemaal gepast, want ze wilde de Heer Jezus iets laten doen, ze wilde Hem sturen – en dat is niet goed. Het is één ding om onze noden aan de Heer voor te leggen, maar het is iets anders om niet te kunnen wachten en te pushen. Daar moeten we heel voorzichtig mee zijn. Het antwoord van de Heer Jezus is een berisping. Hij prijst haar niet omdat ze met het probleem naar Hem toe is gekomen. Het antwoord klinkt hard, maar het is rechtvaardig. Maria was te ver gegaan en de Heer moet haar terugwijzen. Hij spreekt haar ook niet aan als Zijn moeder, maar zegt vrouw tegen haar. Als Zijn moeder had ze hier niets te zeggen. Maar ook aan het kruis spreekt Hij haar aan als vrouw en niet als moeder (Joh. 19:26). Maar hier zien we, dat de Heer Jezus nooit alleen handelde op basis van Zijn natuurlijke betrekkingen; Hij was het volmaakte graanoffer waar geen honing bij gebruikt mocht worden (Ex. 2:11).

In de grondtekst staan voor de zin “Wat heb Ik met u te doen” slechts vier woorden. De Heer wil Maria vertellen, dat Hij op de relatie waar zij op vertrouwde, op dat moment niet kon ingaan. De familie van Maria, haar overige zonen, wilden iets van de Heer Jezus maken, Hem voor het oog van de mensen op de voorgrond duwen en Hem aantrekkelijk maken (Joh. 7:3,4).

Natuurlijk wist de Heer, dat dit tekort was ontstaan. En het was heus niet zo, dat ze helemaal geen wijn hadden, ze hadden alleen de wijn die beschikbaar was al opgedronken. De Heer Jezus zou op Zijn tijd in actie komen, Hij heeft voor alles Zijn uur. We hoeven Hem alleen maar te laten werken. Maar we moeten ons niet in Zijn bedoelingen opdringen. Als Hij had gezien, dat er tot nu toe gebrek aan wijn was, dan had Hij daar ook Zijn reden voor.

Wanneer de Heer Jezus in het Johannes-evangelie over Zijn uur spreekt, is het niet altijd gemakkelijk om te herkennen wat Hij bedoelt in de betreffende samenhang. Soms is het het uur van Zijn openbare heerlijkheid en heerschappij in het 1000-jarige koninkrijk, zoals bijvoorbeeld hier in deze passage. In Johannes 7 vers 30 en 8 vers 20 betekent het het uur van Zijn lijden, in Johannes 13 vers 1 is het het uur waarin Hij naar de Vader zou gaan.

“Zijn moeder zei tot de dienstknechten: Wat Hij u ook zegt, doet dat” (vs. 5).

Ondanks de berisping trekt Maria zich niet gekwetst terug, maar stelt ze haar vertrouwen in de Heer Jezus. Ze weet, dat haar Zoon op Zijn tijd zou handelen en ze laat het nu helemaal aan Hem over wanneer en hoe Hij dat zou doen. De woorden die ze hier tot de dienstknechten zegt, zijn nuttig voor elke situatie waarin we ons kunnen bevinden. We gaan aan Zijn hand, en Hij onderneemt alles waartoe wij zelf niet in staat waren. Deze woorden doen enigszins denken aan de woorden van Farao toen de hongersnood uitbrak: “Ga naar Jozef en doe wat hij u zegt!” (Gen. 41:55).

Heel praktisch gezien is deze uitnodiging van Maria aan de dienstknechten een heel wijs advies, dat ook tegen het bruidspaar op een bruiloft gezegd kan worden: “Wat hij u ook zegt, doet dat!” Als de gezamenlijke levensweg van twee mensen wordt gemarkeerd door deze wens, wat een zegen zal er dan op zo’n huwelijk rusten! God wil werken in en door een nieuwe verbintenis, en als deze woorden de rode draad zijn in een huwelijk, als de echtgenoten het erover eens zijn, dat ze alles willen doen wat de Heer hen zegt door Zijn Woord, met Zijn hulp, dan zal dat een grote zegen zijn. En als we al lange tijd in staat zijn om een gemeenschappelijke weg te bewandelen met een echtgenoot, dan is het zeker ook goed voor ons om dit principe opnieuw te overwegen.

“Nu waren daar zes stenen watervaten neergezet, volgens het reinigingsgebruik van de Joden, elk met een inhoud twee of drie metréten” (vs. 6).

De watervaten bevatten in totaal minstens 600 liter water en wogen minstens 600 kg. Deze hoeveelheid wijn werd toegevoegd aan de oorspronkelijke wijn. Wat een overvloed aan zegen en vreugde, niet slechts een minimum maar altijd meer dan genoeg (verg. Joh. 6:12,13).

Markus 7 vers 3 en 4 laat iets zien van wat de Joden voor reinigingsgebruiken hadden. Het waren menselijke methoden om reiniging tot stand te brengen. Maar gebrek door zonde kan niet gecorrigeerd en genezen worden door menselijke methoden. We moeten ons door deze verwijzing naar de reinigingsgebruiken van de Joden afvragen of wij in ons dagelijks leven gekenmerkt worden door geestelijke reiniging. Passen wij het water van het Woord van God (Ef. 5:26) op onszelf toe om echt gereinigd te worden? Als er in een huwelijk iets gebeurt dat de vreugde vertroebelt, dan is het nodig dat er orde op zaken wordt gesteld, dat er ook belijdenis wordt gedaan en dat er vergeving wordt geschonken.

“Jezus zei tegen hen: Vult de watervaten met water! En zij vulden ze tot boven toe. En Hij zei tot hen: Schept nu en brengt het naar de ceremoniemeester, en zij brachten het” (vs. 7+8).

Hoewel de Heer Maria deze lichte berisping moest geven, spreekt Hij nu juist tot degenen met wie Maria ook had gesproken. Hij geeft hen twee aanwijzingen die ze gemakkelijk konden uitvoeren, maar het eigenlijke wonder moest Hij doen. In de opwekking van Lazarus handelt Hij op dezelfde manier; Hij geeft de opdracht om de steen weg te rollen, maar het eigenlijke wonder van de opwekking uit de dood verricht Hij alleen (Joh. 11:38-44). Er zijn dingen die wij kunnen doen, en daar gebruikt God ons ook voor, maar Hij alleen is degene die wonderen kan doen – ook vandaag.

“Toen nu de ceremoniemeester het water dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet vanwaar die was, maar de dienstknechten die het water geschept hadden, wisten het), riep de ceremoniemeester de bruidegom …” (vs. 9).

Toen de bedienden uit de vaten hadden getapt, was het nog steeds water; pas toen dit getapte water bij de ceremoniemeester van het eten kwam, was het wijn geworden. Het moet dus onderweg van de vaten naar de ceremoniemeester zijn veranderd. Dit verbazingwekkende wonder gebeurde zonder dat de Heer iets zei of deed.

Pas toen de ceremoniemeester het water proefde, was het echt wijn geworden. Alleen de dienaren die ervan overtuigd waren, dat ze water uit de vaten hadden getapt, wisten waar het vandaan kwam. Zij waren gehoorzaam geweest aan het Woord van de Heer, en gehoorzaamheid aan het Woord van God vergroot altijd ons begrip, ook vandaag nog.

Wijn is een beeld van vreugde die de Heer wil geven. Wat betekent echte vreugde voor ons, die niet afhankelijk is van aardse omstandigheden? Vreugde in de zekerheid van onze verlossing (Luk. 10:20); wanneer hebben we ons daar voor het laatst echt in verblijd? Blijdschap in verband met gehoorzaamheid (Joh. 15:10,11); blijdschap in gemeenschap met de personen van de Godheid (1 Joh. 1:3,4); blijdschap in de Heer (Neh. 8:10); volheid [verzadiging] van blijdschap bij Zijn aangezicht (Ps. 16:11).

Het wonder, dat de Heer hier heeft verricht, gebeurde niet om op de een of andere manier een dringende nood te lenigen, zoals anders vaak het geval was. Hier bewijst Hij simpelweg, dat Hij Degene is die blijvende blijdschap kan schenken, waar de mens niets te bieden heeft. Dit is geen kwestie van redding uit nood, maar van een onverdiende zegen. Wij denken bij onze redding vooral aan bevrijding van schuld en het behoeden voor de eeuwige verdoemenis. Maar dat is slechts één deel. Efeze 2 vers 7 laat ons een veel verhevener zegen zien, die nog moet komen. God zal de onovertroffen rijkdom van Zijn genade in goedheid aan ons in Christus Jezus tonen in de toekomstige tijdsperiode – in het 1000-jarige koninkrijk en in de toekomstige eeuwigheid. Dit is voor ons de volledige vervulling van wat we hier vinden. De Heer brengt zegen en blijdschap, niet alleen redding!

… en zei tot hem: Iedereen zet eerst de goede wijn voor, en wanneer men veel gedronken heeft, de mindere; u hebt de goede wijn tot nu toe bewaard” (vs. 10).

De ceremoniemeester, die niets van het wonder wist, oordeelde als wijnkenner, dat de wijn veel beter was dan de eerst aangeboden wijn. De uitdrukking betere wijn wordt echter niet gebruikt, maar goede wijn. Wat de Heer Jezus doet, is met niets te vergelijken. Wat de Heer doet is goed, is zegenrijk in zichzelf. De Heer is niet de betere Herder, Hij is de goede Herder (Joh. 10:11). In de brief aan de Hebreeën vinden we vaak, in vergelijking met de schaduwen en beelden en personen van het Oude Testament, dat wat met de Heer Jezus in verbinding staat, het betere wordt genoemd. Zijn liefde is ook beter dan wijn (Hoogl. 1:2). Maar hier wordt eenvoudigweg voorgesteld, dat wat Hij werkt het goede is.

Dit vers toont ons ook het principe van de mens: goed beginnen en zwak eindigen. Wij gelovigen zijn ook geneigd om de toekomst op te offeren voor het heden. We denken, dat het nu in het heden goed met ons moet gaan en dat wat daarna komt niet van zo’n groot belang voor ons is. Het Goddelijke principe is precies het tegenovergestelde: eerst de mindere wijn, het goede bewaart God tot het einde. Ook wij moeten ons er altijd van bewust zijn, dat het beste nog moet komen. Hij heeft ons vandaag al volmaakte zegeningen gegeven, maar we zullen er pas onbeïnvloed van kunnen genieten als we bij Hem zijn. We moeten leven met het oog op onze toekomst. Christus heeft het beste voor de toekomst bereid, niet alleen voor ons maar ook voor de hele aarde.

Deze gebeurtenis behoedt ons voor de extreme opvatting, dat een gelovige geen wijn mag drinken, we kunnen het andere gelovigen niet verbieden. Natuurlijk moeten we het niet overdadig doen; het Woord van God waarschuwt er sterk tegen (bijv. 1 Petr. 4:3). En het zou beschamend zijn als we op zo’n mooie dag als de huwelijksdag zouden denken, dat we deze principes voor één keer zouden mogen negeren en over de schreef zouden mogen gaan – of het nu gaat om alcohol, kleding of ander gedrag.

Uit de opmerking van de ceremoniemeester mogen we niet de conclusie trekken, dat de gasten op deze bruiloft dronken waren of dat ze dronken werden van de grote hoeveelheid wijn die de Heer net geschonken had. De bruiloftsfeesten van die tijd duurden vaak meerdere dagen (bijv. Rich. 14:17), zodat dit al in een heel andere verhouding staat. De vraag van de ceremoniemeester weerspiegelt eenvoudig zijn algemene levenservaring van eerdere bruiloftsfeesten waar hij verantwoordelijk was voor het verzorgen van de gasten.

“Dit deed Jezus als begin van Zijn tekenen in Kana in Galiléa en openbaarde Zijn heerlijkheid; en Zijn discipelen geloofden in Hem” (vs. 11).

De Heer Jezus deed Zijn tekenen tot openbaring van de Goddelijke heerlijkheid. Hij werkte niet door opzienbarende optredens, eerder verborgen en onopvallend, maar desondanks wordt Zijn heerlijkheid openbaar. Slechts drie keer heeft Hij iets gezegd, één keer tegen Maria en twee keer tegen de dienaren. Meer wordt er niet van Hem bericht (verg. Matth. 12:18+19). Al het spreken en handelen van de Heer is in dit tafereel heel eenvoudig – hier willen we van leren. Hij wil niet op de voorgrond treden of beroemd worden. Hij heeft nooit de publiciteit gezocht om bekend te worden. In het evangelie van Johannes is Hij vanaf het begin de verworpene en daar handelde Hij ook naar. Maar zo’n wonder kon onmogelijk verborgen blijven, het was immers een sensatie die het hele verloop van dit feest totaal veranderde – in plaats van verslagenheid en schaamte was er weer feestelijke vreugde. Iedereen moest zich afvragen wie dit wonder had gedaan. Maar de Heer blijft volledig op de achtergrond, anderen hebben van Hem getuigd.

Het was het eerste teken, dat de Heer Jezus deed. Ook het tweede teken, dat de Heer Jezus in het Johannes-evangelie verrichtte, vond overigens opnieuw plaats in Kana in Galiléa (Joh. 4:46-54). Het evangelie van Johannes spreekt uitdrukkelijk over tekenen, waarbij soms zelfs beide uitdrukkingen samen in één vers worden gebruikt (bijv. Joh. 4:48; Hand. 2:22). Ze betekenen niet precies hetzelfde. De Joden eisen tekenen (1 Kor. 1:22). Een wonder is een bovennatuurlijke gebeurtenis die verbazing wekt bij de waarnemer en zijn verstand te boven gaat. Een teken heeft een ander doel, het doet een beroep op de waarnemer, waardoor een moreel effect bereikt moet worden en hij innerlijk geleid moet worden tot het besef van de grootheid van de handelende Persoon (Joh. 20:30+31). Paulus spreekt ook over dit onderscheid in 2 Korinthe 12 vers 12; een teken is gericht op betekenis, wil iets laten zien, en een wonder is meer gericht op verrassing. Elk teken is een wonder, maar niet elk wonder is ook een teken. Een teken brengt naast het wonder dat het is, ook een onderwijzend karakter met zich mee. De vele genezingen die de Heer deed waren niet allemaal tekenen, maar het waren wel allemaal wonderen.

De discipelen hadden al eerder in de Heer Jezus geloofd, en hun geloof werd nu nog dieper bevestigd door het teken dat was gebeurd. Waarschijnlijk worden hier niet alleen de vier discipelen Andréas, Johannes, Petrus en Filippus bedoeld, maar een grotere kring. We kunnen de uitdrukking discipelen niet altijd beperken tot de twaalf discipelen. In Lukas 6 vers 13 staat uitdrukkelijk, dat de Heer twaalf van Zijn discipelen uitkoos, die Hij ook apostelen noemde.

 

Achim Zöfelt, © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 14.06.2017. [Samenvatting van Bijbelconferentie]

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW