10 maanden geleden

Het Johannes-evangelie (08)

Bijbelgedeelte: Johannes 1 vers 44 tot 2 vers 25

De tweede dag – Nathanaël, een beeld van het overblijfsel van Israël (vs. 43-51)

“De volgende dag wilde Hij naar Galiléa vertrekken en Hij vond Filippus; en Jezus zei tot hem: Volg Mij! Filippus nu was van Bethsaïda, uit de stad van Andréas en Petrus” (vs. 44-45).

Vanuit het oogpunt van de bedelingen hebben we in dit gedeelte de herleving van het Joodse overblijfsel. We kunnen ons afvragen waar dan het overblijfsel vandaan komt na de opname van de gelovigen, hoe het tot geloof komt en tot de Messias geleid wordt. Het is de Heer Jezus Zelf die dit overblijfsel zal vormen, zoals Hij hier Filippus vindt. Overigens vormt dit overblijfsel zich nog niet aan het einde van de genadetijd. Onder de beschrijving van Messiaanse Joden wordt dat soms beweerd, maar dat is een vergissing. In de tijd van genade zijn er alleen zij, die tot de gemeente behoren en degenen die niet tot de gemeente behoren. Het Joodse overblijfsel wordt nu nog niet gevormd, alleen na de opname van de gemeente.

Drie details in dit gedeelte maken ook duidelijk, dat het gaat om het herstel van dit overblijfsel. Ten eerste gaat het over Galiléa (vs. 44), niet over Jeruzalem, niet over Judéa. Galiléa is typerend voor het overblijfsel (verg. Matth. 28:7+10+16); Na de opstanding van de Heer hebben alleen toegewijde Joden Hem gezien. Ten tweede vinden we in Nathanaël voor het eerst typisch Joodse twijfel (vs. 47), maar hij komt tot geloof en tot belijdenis van de Heer als de Zoon van God en de Koning van Israël. En ten derde, Nathanaël was onder de vijgenboom gezien door de Heer Jezus (vs. 49); en de vijgenboom in het Woord van God is een beeld van het aardse volk van God (Mark. 11:12-14), vooral van het Joodse overblijfsel, dat uit de Babylonische ballingschap is teruggekeerd.

Vers 44 begint met het historische verslag van het werk van de Heer Jezus. Voor de eerste keer zien we Hem hier actief vertrekken. Hij wilde vertrekken; als Zoon van God was Hij altijd in overeenstemming met de wil van Zijn Vader. Zijn bediening begint met Filippus, die uit dezelfde stad kwam als Andréas en Petrus. Zou het niet aannemelijk zijn geweest, dat de Heer Andréas en Petrus de opdracht had gegeven om Filippus naar Hem te leiden? Maar Hij handelt Zelf en vindt Filippus, kennelijk had Hij hem gezocht. En Filippus hoort het woord: “Volg mij”. Voor ons christelijk leven is dit een cruciale uitdaging. Tot vers 43 hebben we de Heer Jezus als het Middelpunt gezien, als verzamelpunt voor al de Zijnen. Nu hebben we Hem als de Weg voor ons. De Heer Jezus was een Vreemdeling hier op aarde, die niets had waar Hij Zijn hoofd kon neerleggen. Hij wandelde, ging Zijn weg. Ook wij hebben een weg nodig in de woestijn, en daarvan spreekt de Heer hier tot Filippus: “Volg Mij!”.

Net zo groot als het is, dat we de Heer Jezus als het Middelpunt van ons samenkomen en ons hele bestaan hebben, zo is er daarnaast  voor ons ook een tweede punt, en dat is de weg. De Heer Jezus is een weg. Adam in het paradijs had geen weg nodig, hij was waar hij zijn moest. En als we eenmaal in de hemel zijn, hebben we geen weg meer nodig. Dan zijn we ook daar, waar we voor altijd bij horen. Maar vandaag hebben we een weg nodig, en dat is veel belangrijker dan we denken. De vraag is, volgen we onze verachte Heer, die hier geen eer vond, die hier geen plaats had? Zijn we bereid om Hem te volgen? Er is geen andere weg in de woestijn dan Hij! We hebben geen broeders nodig, we hebben niet een of andere gave nodig, maar Christus! Hij is onze Gids, Hij is de Weg. Laten we luisteren naar de roepstem van de Heer, of we nu jong of ouder zijn: “Volg Mij!”. En deze weg van navolging en afzondering is geen weg dat leidt naar isolatie; er zullen anderen zijn die ook de Heer volgen, dat laat ons dit gedeelte ook zien (verg. 2 Tim. 2:22). Het loont de moeite om Hem te volgen!

Een mens van de wereld kan onmogelijk de Heer Jezus volgen. Hij moet wedergeboren zijn om het verlangen en het vermogen te hebben om Hem te volgen. De oude natuur kan en wil de Heer niet volgen. Helaas is het een feit, dat we ons vaak niet bewust zijn dat er een natuur in ons is, die de Heer helemaal niet wil volgen. We moeten onszelf eraan blijven herinneren “… dat in mijn vlees, geen goed woont” (Rom. 7:18). Maar we hebben ook de nieuwe natuur in ons en “Als wij door [de] Geest leven, laten wij ook door [de] Geest wandelen” (Gal. 5:25).

Het volgen betekent doen wat Hij doet (Matth. 8:23). De Heer ging het schip in en de discipelen volgden Hem zonder iets te zeggen. We volgen Zijn voetstappen na (1 Petr. 2:21), die we alleen in het Woord van God vinden. We kunnen niet zeggen dat we Hem navolgen, als we zelfs maar op een klein punt in tegenspraak zijn met het Woord van God. Als ik mijn gedrag niet door het woord van God laat bepalen, is het geen navolgen maar een eigen weg. Als we allemaal achter de Heer Jezus aan zouden gaan, als we allemaal één ding zouden bedenken (Fil. 2:2,3), zou er nooit enige tweespalt onder ons zijn! Als we allemaal op de Heer zien, doen we allemaal hetzelfde en gaan we allemaal dezelfde weg – en dan is er geen tweespalt. Als ik als enige – bijvoorbeeld in de broederraad – het oneens ben met een ‘besluit’ van de broeders en mij ertegen verzet, dan draag ik de kiem van onenigheid in de broederraad en in de gemeente. Veelmeer zou ik mezelf moeten afvragen hoe het komt, dat ik juist in tegenspraak sta met alle broeders. Het leven van het geloof is zo eenvoudig – “Volg mij”!

“Filippus vond Nathanaël en zei tot hem: Wij hebben Hem gevonden van Wie Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten: Jezus, de Zoon van Jozef, van Nazareth” (vs. 46).

Als Filippus hier ‘wij’ zegt, dan maakt hij zich één met degenen die de Heer Jezus als Messias hebben leren kennen, althans met Andréas en Petrus, die uit dezelfde stad kwamen. Hij stelt Nathanaël ook een gemeenschappelijke getuigenis voor. En hij spreekt van Hem, die in het hele Oude Testament was aangekondigd. Hij had Hem zelf leren kennen en hij wenste nu ook, dat Nathanaël Hem zou leren kennen. En hoewel het Filippus was, die door de Heer gevonden werd, zegt hij tegen Nathanaël dat hij de Heer met de andere discipelen had gevonden. Elke vondst van een mens is gebaseerd op het feit, dat onze Heer altijd het begin heeft gemaakt. Het is altijd een werk van God (Joh. 6:44).

Als we de woorden van Filippus vergelijken met de woorden van Andréas in vers 42, zien we dat Filippus veel meer zegt over de Heer Jezus dan Andréas, maar hij bedoelt ook de Messias. Deze twee mannen drukken zich heel verschillend uit, Andréas heel kort, Filippus veel uitvoeriger. Maar ze spreken allebei over dezelfde wonderbare Persoon, en ze hebben allebei hetzelfde verlangen om mensen naar de Heer Jezus te leiden. We zijn allemaal verschillend, ook in de manier waarop we mensen aanspreken; de een ligt het beter om iets in een paar beknopte woorden te zeggen, anderen hebben veel meer omschrijvingen nodig in hun wijze van uitdrukken, ze hebben meer woorden nodig om hetzelfde te zeggen.

Met de uitdrukking ‘de profeten’ worden niet alleen de 12 kleine en 4 grote profeten bedoeld. Eigenlijk heeft bijna het hele Oude Testament een profetisch karakter. Mozes zelf wordt een profeet genoemd (Deut. 18:15), wat aangeeft dat ook zijn boeken een bepaald profetisch karakter hebben. In Mattheüs 13 vers 35 citeert de Heer Jezus Zelf uit de Psalmen, maar Hij zegt niet, dat dit in de Psalmen zou staan, maar dat het door de profeten gesproken werd. De Psalmen hebben ook een bepaald profetisch karakter. Zelfs David wordt door Petrus als een profeet genoemd (Hand. 2:29,30). Filippus zegt dus tegen Nathanaël, dat zij Hem hebben gevonden die de Vervuller is van alle profetieën in het Oude Testament.

Filippus noemt de Heer Jezus de zoon van Jozef. Volgens Lukas 3 vers 23 was de Heer, naar men meende, een Zoon van Jozef. Jozef was niet zijn natuurlijke vader, hoewel Maria ooit zo over hem sprak (Luk. 2:48), en de Joden in Zijn vaderstad Nazareth noemden Hem ook de Zoon van de timmerman of Zoon van Jozef (Mattheüs 13:54,55; Luk. 4:22,23). Vanuit juridisch oogpunt was Jozef de vader van onze Heer, hoewel hij geen afstammeling was. Wat echter zijn afstamming uit de koninklijke lijn van David betreft, stamde Hij via Maria en Jozef van David af, een dubbele aanspraak op de koningstroon.

Jozef woonde in Nazareth, hoewel zijn voorouderlijk huis in Bethlehem stond (Luk. 2:4,39). Toen de verordening van Augustus werd uitgevaardigd ter inschrijving, moesten ze naar Bethlehem, de stad waaruit ze stamden. Daar werd de Verlosser geboren, zoals aangekondigd was in de profeet Micha (Micha 5:1). En toch wordt Hij hier en op veel andere plaatsen de Nazarener genoemd. Daardoor wordt vanaf het begin verwezen naar de minachting voor de Heer. Nazareth staat voor verachting, het was een stad in Galiléa, waarschijnlijk gesticht door de teruggekeerde Joden uit de Babylonische ballingschap. De naam van de stad komt van het Hebreeuwse woord Nezer, wat betekent spruit, loot (zie Jes. 11:1), misschien wilde men deze stad met deze naam de betekenis geven van een uitspruitende stad.

Mattheüs 2 vers 23 maakt duidelijk dat Jozef in Nazareth moest wonen om de profetie van de Heer Jezus te vervullen: “… opdat Hij Nazoreeër genoemd zou worden”. In het Oude Testament wordt deze profetie niet in deze bewoording gevonden, maar de inhoud van de profetische uitspraken getuigt het. Soms worden in het Nieuwe Testament twee profetieën uit het Oude Testament samengevoegd, om het tot één verwerkelijking te maken. Als men met betrekking tot deze verklaring de twee passages uit Jesaja 11 vers 1 en 6 vers 12 samenvoegt, vinden we in Jesaja 11 vers 1 een heel duidelijke verwijzing naar de Messias: de jonge boom (Nezer) uit de stronk van Isaï zal vrucht dragen. En Zacharia 6 vers 12 is de plaats, wat de bewoording betreft, die het meest lijkt op het citaat in Mattheüs 2 vers 23.

“En Nathanaël zei tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zei tot hem: Kom en zie!” (vs. 47).

Nazarener heeft dus een dubbele betekenis in het Nieuwe Testament: aan de ene kant Nezer, dat hij de beloofde Spruit is, en aan de andere kant Nazareth, een kleine stad, waarmee wat de naam betreft verachting en spot verbonden zijn – en deze tweede betekenis toont Nathanaël in zijn bezwaar hier. Voor de Joden was heel Galiléa een verachte landstreek en Nazareth een klein, onbeduidend dorp, nog verachtelijker; en juist dit gebied kiest God uit, als Hij het licht in deze wereld zendt.

Gedurende Zijn hele leven wordt de Heer Jezus met kwade bedoelingen herhaaldelijk geassocieerd met deze verachtelijke naam. Het is daarom niet verwonderlijk, dat de Christenen in Handelingen de sekte van de Nazoreeërs worden genoemd (Hand. 24:5); dit is vandaag nog steeds het geval in het Hebreeuws en het Arabisch. De IS schildert een Arabische N op de huizen van christenen om duidelijk te maken, dat in deze huizen christenen wonen, die kunnen worden gedood. Dit is de smaad verbonden aan de naam van de Heer Jezus. Hij was bereid om deze smaad gewillig te dragen, en wij moeten het ook niet uit de weg gaan.

De Heer Jezus droeg deze smadelijke titel heel Zijn leven door met waardigheid. Het begint in Markus 1 vers 24, waar hij door demonen aan het begin van zijn openbare bediening zo wordt genoemd; en het eindigt als het ware als een hoogtepunt van menselijke boosheid in het opschrift, dat men boven Hem op Zijn Kruis als een universeel getuigenis in drie talen bevestigde: “Jezus de Nazoreeër, de koning der Joden” (Joh. 19:19); Hebreeuws voor de Joden, Latijn voor de Romeinen en Grieks als de wereldtaal van die tijd; we kunnen ook zeggen: de religieuze wereld, de politieke wereld en de culturele wereld. Zelfs de engelen noemen Hem zo bij Zijn lege graf (Mark. 16:6). En in de eerste toespraak van Petrus in Handelingen 2 vers 22, noemt Petrus Hem ook zo met deze titel. In het bijzonder ontroerend is, dat de Heer Jezus zelfs deze naam meegenomen heeft in de hemel. Toen Hij vanuit de hemel Saulus van Tarsus bij Damaskus met dit stralend licht op de grond wierp en door deze gevraagd werd, wie Hij was, antwoordt Hij: “Ik ben Jezus de Nazoreeër die jij vervolgt” (Hand. 22:8). Juist daar, waar Zich de verheerlijkte Heer onafscheidelijk met de Zijnen op deze aarde verenigt, draagt ​​Hij nog steeds met waardigheid deze titel! De waardigheid van de Heer Jezus was gebaseerd op wat Hij was – de Zoon van God. Als zodanig neemt Hij Zijn plaats in onder de meest verachtten. Zijn waardigheid hangt niet af van waar Hij op aarde leefde.

Filippus laat zich niet door het bezwaar van Nathanaël afschrikken, hij blijft erbij en geeft niet op in zijn poging hem naar de Heer te leiden. En hij gebruikt hetzelfde verzoek dat de Heer Andréas en Johannes in vers 40 had gevraagd: “Kom en zie!”

“Jezus zag Nathanaël naar Zich toe komen en zei van hem: Zie, waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is” (vs. 48).

Uit deze woorden van de Heer kunnen we afleiden, dat Nathanaël niet met negatieve bedoelingen over de Heer had gesproken, maar alleen de algemene mening over het verachte Nazareth tot uitdrukking gebracht had. Hij moet ook een deel van het gelovige overblijfsel zijn geweest, dat op de Messias had gewacht, anders had de Heer niet zo positief over hem gesproken. De Heer Jezus wilde met deze woorden aan Nathanaël vertrouwen in zijn hart opwekken. Het is indrukwekkend hoe Hij zijn hart bereikt.

Deze woorden van de Heer lijken ook een toespeling op de woorden van de Heer in Zefanja 3 vers 13 met betrekking tot het toekomstig overblijfsel. Daar wordt het kenmerk van het toekomstige Joodse overblijfsel uitgedrukt in zeer vergelijkbare termen zoals de Heer Jezus ze hier bij Nathanaël gebruikt. Dit bevestigt opnieuw het belang met betrekking tot de bedeling van deze tweede dag.

“Nathanaël zei tot Hem: Vanwaar kent U mij? Jezus antwoordde en zei tot hem: Voordat Filippus je riep, terwijl je onder de vijgenboom was, zag Ik je” (vs. 49).

Nathanaël had de Heer Jezus tot op dit ogenblik nog niet gezien, maar de Heer Jezus had hem al vóór deze eerste ontmoeting onder de vijgenboom gezien. We zien daarin de alwetendheid en alomtegenwoordigheid van de Heer Jezus. Blijkbaar had Nathanaël gedacht, dat hij absoluut alleen was onder de vijgenboom. Wat hij daar onder de vijgenboom deed, heeft de Heilige Geest ons niet meegedeeld. Misschien wachtte hij daar op de komst van de Messias, misschien bad hij daar in die verwachting. Maar alleen Nathanaël en de Heer Jezus weten deze dingen.

“Nathanaël antwoordde Hem: Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent [de] Koning van Israël” (vs. 50).

De alwetendheid van de Heer Jezus overweldigt Nathanaël en brengt hem tot aanbidding. De persoon van de Heer staat voor hem en Hij is groot. En wat hij hier over Hem zegt, is een wonderbaar getuigenis: “U bent de Zoon van God, U bent [de] Koning van Israël”. Nathanaël verwijst in deze woorden naar Psalm 2 en de Heer antwoordt met Psalm 8. Zoon van God in de zin van Psalm 2 vers 7 betekent niet de absolute Godheid van de Heer Jezus, Zijn eeuwig zoonschap – want als absoluut God werd Hij niet ontvangen – maar beschrijft Zijn afkomst als Mens van God, door God verwekt (Luk. 1:35).

Zeven keer in het Evangelie van Johannes horen we een getuigenis van de Godheid van de Heer Jezus:

  • Johannes de Doper: “En ik heb gezien en getuigd dat Deze de Zoon van God is” (Joh. 1:34);
  • Nathanaël: “Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent [de] Koning van Israël” (Joh. 1:50);
  • Petrus: “En we hebben geloofd en erkend dat U de Heilige van God bent” (Joh. 6:69);
  • De Heer Jezus zelf: “U lastert, omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon” (Joh. 10:36);
  • Martha: “Ja Heer, ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God” (Joh. 11:27);
  • Thomas: “Mijn Heer en mijn God” (Joh. 20:28);
  • de heilige Schrift: “opdat u gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God” (Joh. 20:31).

Bij alle verachting die de Heer Jezus ten deel viel, zorgde God ervoor dat het getuigenis van Zijn Godheid zeven keer in dit boek wordt getoond.

Dit getuigenis van Nathanaël in zijn beide delen is vergelijkbaar met dat van Thomas in Johannes 20 vers 28 en is een bevestiging van oudtestamentische profetieën (bijv. Ps. 45:12; Jes. 25:9; 51:22). En het is precies de aanleiding voor de doodstraf die de Romeinen en de Joden uitspraken over de Heer Jezus (Joh. 19:7,14-15). Omdat Hij van zichzelf getuigde wat Hij werkelijk was, namelijk de Zoon van God, veroordeelden zij Hem; en ook omdat Hij de koning van Israël was, veroordeelden zij Hem. Zelfs toen de Heer Jezus al aan het kruis hing, hebben de leiders van het volk Hem juist deze twee dingen verweten en daarom Hem bespot (Matth. 27:40-43). En dit zijn ook precies de twee punten die het gelovige overblijfsel van latere dagen ooit zal bekennen. Zij zullen erkennen dat Hij de Zoon van God is en zij zullen erkennen dat Hij de Messias, de Koning van Israël is.

Het is mooi om te zien hoe snel Nathanaël zijn vooringenomen denken verlaat en dit prachtige getuigenis over de Heer Jezus uitspreekt. Hij was oprecht, een man zonder bedrog; wie in deze innerlijke houding van het hart met de waarheid wordt geconfronteerd, zal verder geleid worden. Oprechtheid is de sleutel om vooroordelen af te leggen.

“Jezus antwoordde en zei tot hem: Omdat ik Ik je gezegd heb: Ik zag je onder de vijgenboom, geloof je? Je zult grotere dingen zien dan deze. En Hij zei tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je, Je zult <van nu aan> de hemel geopend zien en de engelen van God opstijgen en neerdalen op de Zoon des mensen” (vs. 51,52).

Nathanaël had, in overeenstemming met Psalm 2 de Heer Jezus als de Zoon van God aangesproken. Daarom is het verbazingwekkend, dat de Heer Jezus nu met Psalm 8 antwoordt en als Zoon des Mensen spreekt. Eerst zegt Hij tot Nathanaël, dat hij grotere dingen zou zien dan de alwetendheid en alomtegenwoordigheid van de Heer, die daarin tot uitdrukking kwam, dat Hij hem onder de vijgenboom had gezien. Dit grotere is dat de Heer Jezus het onderwerp zou zijn van de open hemel.

De Heer Jezus leidt Zijn volgende woorden in met “Voorwaar, voorwaar”. Deze dubbele waarheid wordt alleen gebruikt in het evangelie van Johannes en komt daarin 25 keer voor, hier voor de eerste keer. Het betekent zoveel als amen, amen, en leidt altijd uitspraken van bijzonder betekenis in.

In de Telos-vertaling worden dan nog tussen punthaken de woorden toegevoegd: “… <van nu aan> de hemel geopend zien”, alsof de volgende aankondiging van de Heer betrekking heeft op het heden. De punthaakjes werden geplaatst, omdat er in die tijd twijfel was of deze woorden er überhaupt bij horen. Ze zijn in de beste oude handschriften zo weinig toegepast, dat ze nu zijn weggelaten in de herziene versie van de Duitse Elberfelder Vertaling1. Als deze woorden van de Heer zouden verwijzen naar het heden, zouden de engelen tijdens het leven van de Heer als mensen op aarde zijn opgestegen en neergedaald zijn op Hem. Natuurlijk hebben engelen de Heer gedurende zijn hele leven gediend. Engelen zijn de hoogste vertegenwoordigers van de schepping; ze zullen in de toekomst, in het 1000 jarige koninkrijk, de Zoon des mensen dienen – dat duidt de Heer met deze woorden aan. Met deze woorden van de Heer wordt een algemeen, fundamenteel feit voorgesteld.

Dat de Heer Jezus het Onderwerp van de geopende hemel is, gaat verder dan het getuigenis van Nathanaël. Het is vandaag nog niet vervuld, wat de Heer hier aankondigt, het is nog steeds profetie. Behalve in deze passage vinden we nog bij vier andere gebeurtenissen in het Nieuwe Testament het feit, dat de hemel werd geopend, dus in totaal vijf keer:

  • bij de doop van de Heer Jezus door Johannes de Doper (Matth. 3:16);
  • bij de steniging van Stefanus (Hand. 7:56);
  • bij de geestvervoering die over Petrus kwam op het dak van zijn huis (Hand. 10:11);
  • wanneer de Heer Jezus uit de hemel komt om te oordelen (Openb. 19:11);
  • in deze toekomstige scène, de verheerlijking van de Zoon des Mensen (Joh. 1:52).

De Heer zinspeelt dan nog op de ladder van Jakob in Genesis 28. Jacob had daar een droom van die ladder, die tot aan de hemel reikte, en van de engelen van God die daarlangs omhoog en omlaag klommen. Hier past de Heer dat toe op Zichzelf als de Zoon des Mensen. De verwerkelijking van deze profetie is vandaag nog steeds toekomstig. Er zal een moment komen, waarop de gehele engelenwereld, de sterke helden en dienaren van Zijn welbehagen (Ps. 103:20,21), allen aan Hem onderworpen zullen zijn – Degene, die de Zoon des mensen is – omdat God Hem alles onderworpen heeft.

Maar vers 52 lijkt verder te gaan dan Psalm 8. Hier wordt aangeduid dat er voor de eerste maal een tijd zal zijn, waarin hemel en aarde in volmaakte harmonie met elkaar zullen zijn. In deze tijd zal de tweede stap in de vervulling van vers 29 worden bereikt: op een tot nu toe ongekende manier, zal de zonde 1000 jaar onderdrukt en de schepping verlost en vrijgemaakt zal zijn, en zal er niets meer overblijven wat tussen hemel en aarde staat. Dit wordt bewerkstelligd door de Zoon des Mensen, het Middelpunt van de raadsbesluiten van God, en het zal onverminderd 1000 jaar aanhouden.

Psalm 2 – Psalm 8; Zoon van God – Zoon des mensen

De titel Zoon des mensen is een hogere waarheid dan het getuigenis van Nathaniël in vers 50. De Zoon des Mensen is iets hogers dan de Zoon van God in de zin van Psalm 2 en de Koning van Israël. Dit verschil is duidelijk in de beide Psalmen 2 en 8. De uitdrukking Zoon van God verwijst hier niet naar het eeuwige zoonschap van de Heer Jezus. Dat is een heel belangrijk punt! Hier gaat het om de Zoon van Psalm 2 vers 7. Degene van wie daar wordt gezegd: “U bent Mijn Zoon, Ík heb U heden verwekt”, wordt in Lukas 1 vers 35 de Heilige genoemd, die Zoon van God zal worden genoemd. God, de Zoon, wordt als mens uit Maria geboren als Zijn Moeder en God als Zijn Vader, en daarom Zoon van God genoemd. Dit is niet identiek aan Zijn eeuwig Zoonschap. Het is Zijn titel die de Heer met betrekking tot Israël als hun Koning aangenomen heeft, en aan deze tijd zal eens een einde komen, want Israël zal in de eeuwigheid ​​na het 1000-jarig rijk niet meer als volk bestaan. De titel van koning van Israël heeft daarom geen eeuwige betekenis, omdat er dan geen heerschappij meer over Israël zal zijn. Maar de titel Zoon des Mensen zal in eeuwigheid blijven bestaan.

En dan komt het grote keerpunt in Psalm 8: “en hem met eer en glorie gekroond” (vs. 6). Dat is een feit geworden toen de Heer Jezus opstond en opvoer naar de hemel. Daarnaar verwees de Heer in Zijn woorden tot de hogepriester: “… van nu aan zult u de Zoon des Mensen zien zitten aan [de] rechterhand van de kracht en zien komen op de wolken van de hemel” (Matth. 26:64). Dit is de volgende keer dat Israël de Heer Jezus zal zien. Eenmaal zagen zij Hem als de Zoon des mensen in Zijn vernedering, spoedig zullen zij Hem zien als de Zoon des mensen in Zijn macht en heerlijkheid.

Zo zien we in Psalm 8 de beide uiterste hoekstenen: de totale vernedering tot in de dood, die Hij als Zoon des mensen op Zich genomen had; en dan het contrapunt: Zijn verhoging aan de rechterhand van de kracht. En daarin wordt ook nog een verschil met Psalm 2, de gezalfde koning in Sion, duidelijk. Daar wordt gezegd dat Hem alle einden van de aarde tot bezit gegeven wordt (vs. 8); hier in Psalm 8 vers 7 wordt gezegd dat Hij zal heersen over al de werken van Zijn handen. In Psalm 2 is de aarde het gebied van de heerschappij van de koning in verbinding met Zijn aardse volk; in Psalm 8 is het universele gebied van heerschappij van de Zoon des Mensen de gehele schepping. Bovendien zal de heerschappij als Koning van Israël tot een einde komen.

We kunnen het eeuwig Zoonschap van de Heer Jezus niet scheiden van de waarheid, dat Hij ook als mens de Zoon van God is, maar het is toch belangrijk om deze twee zijden van Zijn persoon te kunnen onderscheiden. Het is gewoon niet helemaal hetzelfde. Voordat de Heer Jezus mens werd, was Hij eeuwig de Zoon in de schoot van de Vader (Joh. 1:1-18). Alleen omdat de Heer Jezus de eeuwige Zoon was, kon Hij de Vader openbaren. Vader en Zoon zijn eeuwig, anders zou God in Zijn diepste wezen als Vader niet geopenbaard zijn (Joh. 14:9). Maar het is een ander gezichtspunt, dat God, toen Hij Zijn Zoon naar Zijn volk Israël zond, al duizend jaar eerder door David had laten openbaren, dat deze Gezalfde niet een mens zou zijn zoals ieder ander mens, maar ook Zoon van God zou zijn (Ps. 2:6-7). En dat is niet precies hetzelfde als het hoofdthema van het evangelie van Johannes, het is niet identiek aan de gedachte, dat de eeuwige Zoon vlees geworden is. Het is de andere gedachte, dat deze mens door God is verwekt en daarom de titel Zoon van God ontvangt.

In Romeinen 1 vers 4 vinden nog we een derde zijde: Hij is zowel de eeuwige Zoon van God, Hij is als mens de Zoon van God verwekt door God, en ten derde is Hij ook de Zoon van God, die als mens uit de doden opstaat. Het is de terugkeer van de Zoon als mens uit de doden door Zijn eigen opstanding. De opstanding is de triomferende en glorieuze afsluiting van Zijn werk aan het kruis. Zonder Zijn opstanding zou er geen getuigenis zijn, dat God Zijn werk heeft erkend. En hier zien we dat de Heer Jezus in Zijn eigen opstanding uit de doden heeft bewezen, dat Hij werkelijk de Zoon van God is. In Zijn eigen volkomen macht, die geen schepsel kan hebben, stond Hij op uit de doden, en heeft daardoor bewezen dat Hij geen schepsel is, maar Zoon van God. Daarin heeft Hij Zichzelf als mens bewezen als Zoon van God.

Nogmaals samengevat:

  • De Heer Jezus was en is de Zoon van God als de eeuwige Zoon in de schoot van de Vader;
  • Hij was Zoon van God als mens in nederigheid op aarde;
  • Hij is ook Zoon van God in de opstanding.

Drie verschillende aspecten, die ons laten zien wie de Heer Jezus is als Zoon van God. We kunnen ze onderscheiden en van deze verschillende kanten aanbiddend overdenken, maar het is niet te scheiden, deze Ene wonderbare en ondoorgrondelijke Persoon van ons.

NOOT VERTALER:
1. Dit is dus van toepassing op de Duitse Herziene versie van de Elberfelder Vertaling. Niet op de Nederlandse Telos Vertaling, want daar staan deze punthaken nog wel in.

Hierbij ter aanvulling ook nog een verklaring van broeder Arno C. Gaebelein:

<<In antwoord op de belijdenis van Nathanaël verzekert de Heer hem dat hij gróter dingen zal zien: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je, Je zult <van nu aan> de hemel geopend zien en de engelen van God opstijgen en neerdalen op de Zoon des mensen”. Deze woorden van de Heer worden vaak vergeestelijkt. Er wordt op gewezen (en terecht) dat er een overeenkomst is met de droom van Jakob toen hij de hemel geopend zag, en engelen langs een ladder opklommen en neerdaalden. Dan maakt men deze toepassing: Christus is de ladder waardoor zondaren kunnen opklimmen naar de hemel. Vervolgens maakt men van de engelen zondaren die opklimmen en geestelijke zegeningen die neerdalen uit de hemel door Christus.
Wij geloven dat deze uitleg niet juist is. De woorden van de Heer zijn in feite profetisch.
In de eerste plaats worden de woorden “van nu aan” door velen weggelaten. Als we deze woorden weglaten dan luidt de zin zo: “Je zult de hemel geopend zien en de engelen van God opstijgen en neerdalen op de Zoon des mensen”. Deze woorden kunnen van toepassing zijn op de tijd waarin Nathanaël leefde óf het kan slaan op de toekomst. Maar in de tijd toen de Heer op aarde was zagen de mensen geen engelen van God opstijgen en neerdalen. Weliswaar dienden de engelen Hem, maar deze dienst is nooit waargenomen door Nathanaël.
Dan moéten deze woorden wel slaan op de toekomst. De woorden van de Heer zullen letterlijk vervuld worden op de dag van Zijn zichtbare, glorieuze terugkeer naar de aarde. Dan zal de hemel geopend worden en zal Hij verschijnen vanuit de hemel in vlammend vuur en gevolgd door Zijn heilige engelen, die tijdens die grote gebeurtenis de Heer zullen vergezellen.
{Uit: “Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd”; bladz. 44-45}.>>

 

Wordt D.V. vervolgd.

Achim Zöfelt, © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 12.06.2017. [Samenvatting van Bijbelconferentie]

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW