1 maand geleden

Het Johannes-evangelie (03)

Bijbelgedeelte: Johannes 1 vers 6-13

Johannes de Doper – getuige van het waarachtige Licht (Joh. 1:6–8)

Johannes de Doper wordt in dit evangelie heel anders voorgesteld dan in de andere drie evangeliën, zijn boodschap hier heeft een heel andere focus. In de drie synoptische evangeliën is de focus van zijn bediening het leiden van de harten van het volk van Israël naar bekering en het aannemen van de Messias. Hier in het evangelie van Johannes, is het doel van zijn bediening om de heerlijkheid van de Persoon van de Heer Jezus aan het licht te brengen; het licht, waarvan hij getuigt, kan niet worden beperkt tot een enkel volk of een bepaald land, maar het licht gaat uit naar alle mensen. God wil dat Zijn boodschap over het licht voor alle mensen toegankelijk is. Zijn hart is zo oneindig groot, dat Hij de heerlijkheid van Zijn Zoon zonder uitzondering aan alle mensen bekend laat maken.

“Er was een mens van God gezonden; zijn naam was Johannes. Deze kwam tot een getuigenis, om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloofden. Hij was het licht niet, maar [hij was] om van het licht te getuigen” (Joh. 1:6-8).

Hoewel de morele duisternis het licht niet actief wilde aannemen, laat God de dingen niet als hopeloos lopen. Hij zendt nu een dienaar, Johannes de Doper, opdat deze man nog meer van het licht zou getuigen, opdat allen door hem geloofden. God geeft de zaak niet op. Wat brengt Hem ertoe om een mens te zenden, hoewel Hij wist hoe de duisternis met het licht zou omgaan? Het is Zijn liefde die Hem een menselijke boodschapper laat zenden om van het licht te getuigen, om te getuigen van de waarheid (Joh. 5:33) – dat was de grote taak van Johannes de Doper! Zijn naam Johannes betekent “God is genadig” of “De Heer is goed” (Luk. 1:13). Deze naam vormde zijn bediening en zijn boodschap.

Deze boodschapper, die God nu zendt, heeft slechts één doel, namelijk om het licht zichtbaar te maken, om de mensen duidelijk te maken dat dit licht er nu is. En zo heeft deze boodschapper hier ook maar één kenmerk, namelijk zijn naam Johannes. Hij kijkt praktisch helemaal niet naar zichzelf, maar weg van zichzelf naar het ware licht. Hij bezat het licht niet in zichzelf, maar hij kon erop wijzen om het in deze zin zichtbaar te maken voor de mensen. Hij was de brandende en schijnende lamp (Joh. 5:35); in vergelijking met het waarachtige licht was het slechts een klein licht dat moest worden aangestoken. Drie maal hebben we in deze verzen het getuigenis van Johannes de Doper (Joh. 1:6-8,15,19-28).

Een mens – wat een abrupte tegenstelling met de verzen in Johannes 1 vers 1-5, waar we het eeuwige Woord voor ons hadden! God zendt niet alleen het licht, maar zendt ook een menselijke boodschapper om dit licht te onthullen. De engel die aan Zacharias de geboorte van Johannes de Doper aankondigt, zegt van hem, dat hij zal opgroeien voor de Heer (Luk. 1:15), en de Heer Jezus zegt, dat onder hen die uit vrouwen geboren zijn, geen grotere is opgestaan dan Johannes de Doper (Matth. 11:11; Luk. 7:28). Maar hier wordt hij eenvoudigweg als een mens voorgesteld.

Vraag: Naar wie verwijst de uitdrukking “opdat allen door hem geloofden”: naar Johannes de Doper of de Heer Jezus?

Antwoord: Johannes getuigde tot het licht en door zijn getuigenis zouden mensen moeten geloven. God gebruikt werktuigen, waardoor Hij werkt en door hem, Johannes, moeten mensen tot geloof komen.

Dat doet God ook vandaag nog, en daarom moeten we onszelf bij deze beschrijving van Johannes de Doper twee vragen stellen: Zijn wij ook in een toestand om van het licht te kunnen getuigen, brandt ons hart voor de Persoon van onze Heer (Luk. 24:32)? Is het ook ons streven in onze dienst, van ons af te wijzen en Hem groot te maken?

“Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en ieder mens verlicht” (Joh. 1:9).

In het waarachtige licht gesteld

 

Dat de Heer Jezus als licht in de wereld gekomen is, vinden we ook in de evangeliën van Mattheüs en Lukas (Matth. 4:15,16; LuK. 2:30-32). In vers 7 zagen we dat Johannes de Doper van het licht getuigde, opdat allen door hem zouden geloven; hier lezen we, dat het waarachtige licht ieder mens verlicht. Vers 7 maakt de reikwijdte van Gods doel duidelijk, niet het resultaat; God wil dat alle mensen verlicht worden, dat allen gered worden en tot de kennis van de waarheid komen (1 Tim. 2:4). Wanneer de Heer Jezus op het kruis verhoogd zou zijn, zou Hij het centrum van aantrekking voor alle mensen worden – Joden en volkeren (Joh. 12:32). Het doel van God strekt zich uit tot allen, Zijn genade is verschenen, heilbrengend voor alle mensen (Titus 2:11) – maar niet allen hebben in Hem geloofd.

Maar wanneer hier wordt gezegd, dat de Heer Jezus, als het waarachtige Licht, ieder mens verlicht, dan is dat niet het doel, maar een feit. Hier wordt geheel abstract beschreven wat de komst van de Heer Jezus voor ieder mens betekent – ongeacht wat de mens persoonlijk met dit licht gedaan heeft. Hier gaat het er ook niet om, of de weg van redding wordt betreden of niet, deze persoonlijke toepassing vinden we pas vanaf vers 12.

Hier hebben we een soort beschrijving die typerend is voor de schrijver van dit evangelie in zijn geschriften; steeds weer benadrukt Johannes in samenhang met een wezenskenmerk van de Heer Jezus, dat Hij het waarachtige Licht is, de ware God (1 Joh. 5:20), de ware Wijnstok (Joh. 15:1), het ware Brood uit de hemel (Joh. 6:32), de waarachtige Getuige (Openb. 3:14).

“Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend” (Joh. 1:10).

In dit vers wordt met betrekking tot de Heer Jezus gezegd, dat de wereld Hem niet gekend heeft. We vinden deze uitspraak in dit evangelie ook nog met betrekking tot de andere twee Personen van de Godheid, in Johannes 14 vers 17 met betrekking tot de Heilige Geest en Johannes 17 vers 25 met betrekking tot de Vader. En in zijn eerste brief wordt dit zelfs nog aangehaald als rechtvaardiging daarvoor, dat de wereld ook ons niet kent (1 Joh. 3:1).

In de andere evangeliën wordt de Heer Jezus geroepen in Zijn ambt, bijvoorbeeld als Messias, vernederd en verworpen. Hier komt de Schepper, Hij, door Wie de wereld werd, tot hen die het resultaat van Zijn eigen werk zijn, die in zich iets van Zijn heerlijkheid dragen, en zij kenden Hem niet. Een zeer schokkende vaststelling, dat de wereld haar eigen Schepper niet kende, geen betrekking met Hem wilde! Hoe groot moet de duisternis zijn (Matth. 6:23)!

“Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen” (Joh. 1:11).

En Hij had iets in deze wereld, dat Hij het ‘Zijne’ noemt; en Hij kwam ook in dit Zijne. Maar van dezen staat er niet, dat zij Hem niet kenden, maar dat zij Hem niet aangenomen hebben. Het Joodse volk heeft de Heer Jezus verworpen – wat een eenzame Mens was onze Heiland! We vinden deze uitdrukking “de Zijnen” nog eens in dit evangelie (Joh. 13:1), maar daar heeft het een heel andere betekenis. Daar is het niet Zijn aardse volk, maar het zijn degenen die Hem aangenomen hebben (Joh. 1:12).

De verantwoordelijkheid van hen in vers 11 is groter. Hij kwam niet alleen naar degenen die Hij had geschapen, maar Hij had degenen, die door Hem een plaats van bijzondere nabijheid hadden ontvangen, die aan Hem toebehoorden, die Hij tot een bijzonder volk had gemaakt, aan hen had Hij op een bijzondere wijze Zijn liefde en genade geopenbaard. En hun afwijzing is overeenkomstig de maat van hun verantwoordelijkheid, ook ernstiger. Niet aannemen is van dezelfde betekenis als afwijzing en verwerping.

“Maar allen die Hem hebben aangenomen, hun gaf Hij [het] recht kinderen van God te worden, hun die in Zijn Naam geloven” (Joh. 1:12).

Zo tragisch als het is dat Zijn aardse volk Hem niet aannam, dat ze Hem verwierpen en Hem niet wilden hebben, des te gelukkiger is het, dat er toch individuen waren, die zich openstelden voor het werk van God. En God gaf hun het recht om kinderen van God te worden. Dit is veel glorieuzer en hoger dan het behoren tot Zijn aardse volk. Zulken schenkt Hij niet leven op de aarde, maar het eeuwige leven.

Vraag: Bestaat er een onderscheid tussen het niet aannemen in vers 11 en het ‘opnemen’ in dit vers? {in het Duits staat namelijk ‘aannemen’ en ‘aufnehmen’; in de Nederlandse vertalingen is dit verschil niet te zien – vertaler}

Antwoord: Aannemen gaat waarschijnlijk niet zo ver als opnemen. Het niet aannemen betekent Hem afwijzen. Opnemen is een proces van het hart; mensen worden daartoe geleid om Hem met hun hart op te nemen. Door Gods genade is dat ook ons deel.

De term “allen die” maakt heel duidelijk, dat een persoonlijke beslissing van elk individu wordt gevraagd. Iedereen wordt in het licht gesteld, maar alleen degenen die Hem aannemen, hebben het recht om kinderen van God te worden. Om in Zijn naam te geloven, betekent om Zijn persoon in al Zijn heerlijkheid aan te nemen, zoals hier getoond wordt; om in Hem te geloven, hoe Hij, als de Zoon van God, Mens werd op deze aarde en toen aan het kruis gestorven is. Een gelovige uit het Oude Testament kon Hem in deze zin niet aannemen, omdat Hij nog niet gekomen was. Hem aan te nemen en in Zijn Naam geloven, betekent de bekering van het individu.

Vraag: Louter taalkundig zou men uit de formulering in dit vers kunnen concluderen, dat de erkenning van Zijn Persoon pas het recht geeft, kinderen van God te worden, nog niet het feit zelf.

Antwoord: We moeten dat niet scheiden; God geeft hun het recht van kindschap, en toont onmiddellijk in het volgende vers op welke wijze zij het ontvangen; dat zij het zelf niet kunnen verkrijgen, maar het van God ontvangen. En daarmee is ons een zekere bevoegdheid of recht gegeven; alleen de kinderen van God hebben het recht om zich zo te noemen. De zaak zelf is dus al waar met betrekking tot hen die Hem aannemen. De Joden hadden zich er altijd op beroepen het zaad van Abraham te zijn (Joh. 8:33), en in tegenstelling daarmee staat nu het recht van hen om kinderen van God te zijn, die werkelijk in de Heer Jezus geloofd hebben. Op de bekering volgt dus dit recht; en in het laatste boek van het Nieuwe Testament gebruikt Johannes opnieuw precies dezelfde volgorde: bekering – recht (Openb. 22:14). Het aannemen van de Heer Jezus geeft het recht.

Kinderen van God worden uit God geboren. “Ieder die gelooft dat Jezus de Christus is, is uit God geboren” (1 Joh. 5:1). Dit vers stelt ons het bewijs voor, dat het nieuwe leven daar is. En God neemt het nederigste getuigenis over Zijn Zoon als bewijs. Hij die gelooft dat Jezus de Christus is, is uit God geboren. Als de duivel erin slaagt om twijfels op te roepen in ons nieuwe leven, dan kunnen we ons deze vraag stellen: geloof ik dat Jezus de Christus is? Zo ja, dan ben ik uit God geboren! Er is geen nieuwe geboorte zonder de erkenning van de heerlijkheid van de Heer Jezus. Hoe gelukkig maakt ons dat, dat we door de nieuwe geboorte het leven van God hebben ontvangen (1 Joh. 3:1). Deze zegen kenden de gelovigen uit het Oude Testament niet. Ze hadden ook een nieuwe geboorte, ze hadden goddelijk leven, maar de vereenzelviging van het nieuwe leven met Christus Zelf kenden ze niet; het eeuwige leven, waardoor God als Vader gekend kan worden (Joh. 17:3), bezaten zij niet – en dat is het vermogen van het eeuwige leven.

Zoonschap is een andere gedachte dan kindschap. Johannes heeft het niet over het zoonschap, de titel Zoon heeft hij voor de Eeuwige Zoon gereserveerd. Zoonschap in het Nieuwe Testament betekent door aanneming te zijn gesteld in de positie van zonen. Kindschap daarentegen heeft te maken met de natuur, door de nieuwe geboorte hebben we de natuur van God. En om deze zegening gaat het hier.

“… die niet uit bloed, niet uit [de] wil van [het] vlees, niet uit [de] wil van een man, maar uit God geboren zijn” (Joh. 1:13).

Dit vers toont ons een drievoudige onmogelijkheid om op de een of andere manier dit recht als kinderen van God te kunnen verwerven. Noch uit bloed, dit betekent niet van adellijke afkomst en van hoge afstamming, ook niet uit van de wil van het vlees, dat wil zeggen niet uit eigen inspanning dat tegengesteld is aan God, en ook niet uit de wil van de man, dat betekent niet uit eigen wilskracht, worden we kinderen van God. Het is een werk van God.

De uitdrukking vlees wordt hier voor het eerst in het Nieuwe Testament gebruikt voor de boze natuur die in ons woont. Deze uitdrukking heeft verschillende betekenissen in het Woord van God; bijvoorbeeld vlees als vergankelijk schepsel (1 Petr. 1:24). Nergens in het Oude Testament wordt vlees als een uitdrukking van de boze natuur gebruikt – hier nu voor de eerste keer.

In Romeinen 9 vinden we een vergelijkbare samenstelling van deze drie punten met het oog op het nageslacht van Abraham. Van hen wordt gezegd, dat zij niet alleen daarom Abrahams kinderen zijn vanwege hun natuurlijke oorsprong in Abraham; en dan volgen vanaf vers 8 drie parallelle punten op wat we hier in vers 13 hebben:

  • niet de kinderen van het vlees (Rom. 9:8) – niet uit bloed, niet uit menselijke nageslacht;
  • niet uit werken (Rom. 9:11) – niet uit de wil van het vlees, niet uit persoonlijke inspanning;
  • Niet naar hem die wil of aan hem die loopt (Rom. 9:16) – niet uit de wil van de man, niet uit eigen wilskracht.

Vers 12 toont ons de kant van de verantwoordelijkheid van de mens: zij nemen Christus aan, zij geloven in Zijn naam, dat is de bekering. Het is niet een intellectueel geloof, maar een innerlijke, voor-waar-houden, wat God zegt, de gave van God  persoonlijk claimen. Vers 13 toont ons dan de zijde van God, wat Hij doet: Hij schenkt de nieuwe geboorte. Beide staan naast elkander en gebeuren tegelijkertijd (Joh. 20:31). Degenen die in de naam van de Heer Jezus geloven, worden tegelijkertijd opnieuw geboren.

De nieuwe geboorte is een zeer mysterieus proces. In Johannes 3 vers 5 beschrijft de Heer Jezus, wat er gebeurt als een ziel wedergeboren is. Het is in ieder geval de werkzaamheid van de Heilige Geest Die het Woord van God gebruikt. Water en Geest; de Heilige Geest is de Bewerker, die deze nieuwe geboorte bewerkt, en dit gebeurt in verbinding met het water, het Woord van God in zijn reinigende kracht. In 1 Petrus 1 vers 23 wordt bevestigd, dat het Woord van God het instrument is, dat door de Geest van God op de ziel van de mens wordt aangewend. Dit is niet zonder geloof van de kant van de mens, maar de nieuwe geboorte is een werk van God, de wil van God is in actie (Jak. 1:18). Geboren worden uit God heeft dus zijn oorsprong in God, en Hij gebruikt de Heilige Geest om dat leven door het Woord van God te brengen. En de Heer Jezus Zelf als de verheerlijkte Mens aan de rechterhand van God geeft ons het eeuwige leven (Joh. 17:2). Alle drie Personen van de Godheid werken daarin samen.

Welk een geluk om uit God geboren te zijn, zijn oorsprong in God te hebben! Het is iets enorm groots! Deze relatie van kindschap kan nooit worden verbroken. Om uit God geboren te worden, om een kind van God te zijn, betekent een eeuwige zekerheid van redding (behoud) te hebben. We zullen dit deel nooit kunnen verliezen – we zullen de kinderen van God zijn in alle eeuwigheid. De nieuwe geboorte zal ons hier niet alleen op aarde vergezellen; het zal ons eeuwig deel zijn om kinderen van God te zijn.

 

Achim Zöfelt, © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 15.03.2017. [Samenvatting van Bijbelkonferentie]

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol