6 maanden geleden

Het deel van de verlosten in de hemel (3)

Johannes 1 vers 12; 14 vers 2

 

Als kinderen van God in het huis van de Vader

Wat we tot nu toe hebben genoemd, is nog niet alles wat het Woord van God ons vertelt over het deel van de verlosten in de hemel. We hebben een bepaalde betrekking met God die door genade is gevestigd. In de hemel zullen we genieten van de vrucht van deze betrekking.

We zijn kinderen van God; we zijn het nu. Jezus, de eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is, heeft ons God in het karakter van de Vader geopenbaard. Noch de aartsvaders, noch de profeten, noch een van de oudtestamentische heiligen hadden Hem zo gekend. Hij heeft Hem aan ons geopenbaard als een Vader, die zich wilde omringen met een familie waarin Zijn geliefde Zoon als Mens de eerstgeborene is. De wereld heeft Jezus niet gekend; de Zijnen, het Joodse volk, nam Hem niet aan; maar allen die Hem aangenomen hebben en in Hem geloven, zijn uit God geboren. In Jezus hebben ze het eeuwige leven en hebben zo het recht om kinderen van God genoemd te worden.

Tijdens Zijn leven op deze aarde voerde de Heer Zijn discipelen geleidelijk aan in de kennis van deze intieme en liefdevolle betrekking met God, waarin Hij hen brengen wilde. Geleidelijk leerde Hij hen, bij wijze van spreken, als kleine kinderen de naam “Abba, Vader”, te zeggen. Hij had hun Zijn naam bekend gemaakt en wilde deze hun nog beter bekend maken en hen laten genieten van alles wat deze Naam voor ons inhoudt.

Maar daarvoor moest Hij Zijn werk van liefde aan het kruis volbrengen, het werk, dat God Zijn Vader verheerlijkte en ons redde. Toen alles volbracht was, toen Hij opgestaan was en zo de Zijnen in de kracht van het leven leiden kon, waarin Hij ingetreden was, zond Hij hun een boodschap, waarmee Hij hen begroette als Zijn broeders: Zijn God is hun God, Zijn Vader is hun Vader (Joh. 20:17); de familie van God is gegrond en verzamelt zich om hun Hoofd. Door Zijn dood en Zijn opstanding heeft Christus Zelf het fundament gelegd, waarop zij gegrondvest kon worden. “Nu zijn wij kinderen van God”, (1 Joh. 3:2) wij die Hem aangenomen hebben, die in Hem geloven; de Heilige Geest, die ons goddelijk leven meegedeeld heeft, getuigt met onze geest dat we kinderen van God zijn en brengt het genot van deze betrekking in ons tot stand (Rom. 8:16). We genieten er nu echter alleen van door geloof en in de mate van ons geloof.

Hoewel we nu kinderen van God zijn, “en het is nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn”, voegt de apostel eraan toe (1 Joh. 3:2). In feite bevinden we ons nog steeds in de zwakheid van een sterfelijk lichaam en de Geest is daar nog daarbij ingesloten. Maar wat is Gods plan met degenen die nu Zijn kinderen zijn? De apostel zegt ons: “Want hen die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij [de] Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders” (Rom. 8:29). Hij wil hen verheerlijken. Wat dat betekent, zullen wij pas hierboven begrijpen.

De verandering in scène en omstandigheden die zal plaatsvinden wanneer dit plan van God wordt vervuld, zal deze kostbare betrekking niet veranderen: het is gebaseerd op Zijn onveranderlijke raadsbesluiten. De mensen die Hij vóór de grondlegging van de wereld in Christus uitverkoren heeft om heilig en onberispelijk te zijn vóór Hem in de liefde, zijn ook degenen die Hij tevoren heeft bestemd tot zoonschap door Jezus Christus voor zichzelf (Ef. 1:4-5). Als Jezus komt om Zijn geliefden tot Zich te nemen, zodat ze bij Hem in de heerlijkheid kunnen zijn, zijn ze al kinderen van God. Als ze Hem zien, zoals Hij is, zullen ze in verheerlijkte lichamen Hem gelijk zijn – zo zullen we zijn (1 Joh. 3:2) – maar nog steeds kinderen van God.

Maar wat is de eigenlijke plaats voor de kinderen van God? De woning van de Vader natuurlijk. Hier op aarde zijn we ver van het Vaderhuis. Wij zijn ongetwijfeld kinderen en erfgenamen; we zijn zeker van onze aanspraak en onze rechten, maar hier op aarde zwerven we als vreemdelingen en pelgrims rond. Door geloof hebben we vrije toegang tot de Vader. We genieten door de Geest die ons gegeven is van het onderpand van de erfenis. We zijn het voorwerp van Zijn tedere zorg en worden bemind, zoals Jezus geliefd werd – een oneindige troost voor onze ziel! Maar we zijn nog niet thuis, in het huis van de Vader, waar zich de rust bevindt, waar Zijn liefde schittert in al haar pracht en niets haar genot verstoort.

Jezus zei: “In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen” – en Zijn Vader is onze Vader – “… Ik ga heen plaats om u plaats te bereiden. En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook U zult zijn waar Ik ben” (Joh. 14:2-3). De rechtmatige plaats van onze dierbare Heiland is het huis van Zijn Vader. Hij keerde daarheen terug nadat het werk volbracht was, dat de Vader Hem had opgedragen; maar Hij wil daar niet alleen blijven. Het werk, dat Hij volbracht heeft, stelt Hem in staat om in overeenstemming met de geest en het hart van God, terecht andere kinderen in dit Huis in te voeren, namelijk degenen, die Hij met Zijn bloed van hun zonden gewassen en gekocht heeft. Door het feit, dat Hij na het volbrachte verlossingswerk daar ingegaan is, toont Hij hun de plaats die Zijn genade voor hen bereid heeft. Hij zegt als het ware tegen hen: “Ik ga daarheen; u zult daar bij Mij zijn. Ik zal terugkomen en jullie halen. Dit is Mijn plaats, het is ook van u.”

Het is dus het huis van de Vader waarin de Heer ons zal invoeren, wanneer Hij ons komt halen, in overeenstemming met ons karakter als kinderen van God, zodat we met Hem van de volledige intimiteit van onze betrekking met de Vader genieten kunnen. Hoe groot zal Zijn en onze vreugde zijn! Het hart begrijpt al iets van deze gelukzaligheid van de kinderen van God, de mond kan het niet uitdrukken. Is er een lieflijker en ontroerender beeld van de hemel dan dit, dat Hij ons het huis van de Vader tonen zal, waar we onophoudelijk met Jezus zullen zijn?

Die heerlijkheid is geweldig en we zullen er middenin zijn. Maar wat zou alle heerlijkheid van de hemel zijn zonder de liefde van de Vader, waarin we ons met Zijn geliefde Zoon bij Hem zullen genieten? Daarheen zal Jezus, als Hij komen zal, ons brengen om de hoogste vreugde van deze plaats te genieten. “Want nog een zeer korte tijd en ‘Hij die komt, zal komen en niet uitblijven …” (Hebr. 10:37). Dus laten we moed vatten, laten we onze blik naar boven richten! Spoedig zullen we thuis in het huis van de Vader uitrusten.

Erfgenamen van God, mede-erfgenamen van Christus

Als kinderen van God zijn wij “ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus” (Rom. 8:17). Maar we zullen die erfenis niet in bezit nemen op het moment dat Christus de belofte van Zijn wederkomst vervult. Wanneer we dan voor eeuwig in het huis van de Vader ingevoerd zullen zijn, moeten we met Hem wachten op het moment, waarop God alle dingen aan Zijn voeten zal leggen en alles aan Hem onderworpen zal zijn, op het moment waarop alles naar het welgevallen van God, alle dingen in Christus verenigd worden. Dus wanneer Hij in Zijn heerlijkheid verschenen is, Zijn vijanden overwonnen heeft en Zijn heerschappij gevestigd is, dan zullen we “de rijkdom van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen” (Ef. 1:18) kennen, deze bezitten en genieten. Dan, wanneer de Zonen van God geopenbaard zullen worden, zal het zuchten van de schepping ophouden, haar wachten en haar hoop zal vervuld worden; bevrijd van de slavernij van het verderf, zal ze deelhebben aan de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God (Rom. 8:19-21). In de tussentijd zullen we bij de Heer zijn.

Hoe de meester zijn dienstknechten hierboven ontvangt

Als verlosten zijn we van de harde slavernij van Satan en zonde bevrijd. Maar we zijn voor een onmetelijk hoge prijs gekocht. Wij behoren niet tot onszelf, maar tot Hem, die om ons te verlossen, gestorven en opgestaan is. Jezus is onze Heer, onze Meester, en wij zijn Zijn dienstknechten.

Sommigen zijn tot een bijzondere dienst geroepen. Maar weinigen waren apostelen en profeten of zijn evangelisten, herders en leraars, in de zin van Efeze 4 vers 11. Maar alle christenen die wedergeboren zijn, hebben het kostbare voorrecht “de Heer te dienen”. Er is een dienst voor de meest nederigen en zwakken. Ja, het hele leven van een christen is een dienst. De apostel zegt: “Want niemand van ons leeft voor zichzelf en niemand sterft voor zichzelf; want hetzij wij leven, wij leven voor de Heer; hetzij wij sterven, wij sterven voor de Heer; hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn van de Heer” (Rom. 14:7,8). Wat we ook doen, in woord of werk, we mogen alles doen in de naam van de Heer Jezus, terwijl wij voor Hem en opziende tot Hem handelen.

Maar de Meester van de dienstknechten is afwezig. Hij “reisde naar een ver land om voor zich een ​​koninkrijk te ontvangen en terug te keren” (Luk. 19:12). Maar daarvoor gaf Hij al zijn dienstknechten een pond – talenten in het evangelie van Mattheüs, elk naar hun bekwaamheid – met het mandaat: “Doet zaken totdat Ik kom” (Luk. 19:14). Degenen die Hem trouw hebben gediend, zullen op een dag de lof ontvangen: “Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf! over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je Heer in” (Matth. 25:21).

Wanneer zal dat zijn, geliefde broeders en zusters? Als de Heer terugkomt op de dag van de vergelding. Ieder zal zijn loon overeenkomstig zijn trouw gegeven worden. Op die dag zal zelfs een beker koud water, gegeven in de naam van Jezus, zijn beloning niet verliezen. En allen zullen de voor het hart meest kostbare en verheven beloning ontvangen: de ingang in de vreugde van onze Heer, Zijn erkenning en de gemeenschap met Hem in de hemelse gelukzaligheid. Dit maakt deel uit van wat ons als dienaren te wachten staat als de Heer wederkomt.

“Doet zaken totdat Ik kom!” Het krachtigste motief voor trouwe dienst is de dagelijkse verwachting in het hart van de wederkomst van de Heer. Het zou ons ook als dienstknechten  {en natuurlijk ook als dienstmaagden – vertaler} moeten kenmerken. Ze zal ons aansporen om de vermaning van de Heer aan deze uit te voeren: “Laten uw lendenen omgord en uw lampen brandende zijn” (Luk. 12:35). Wat wordt daarmee bedoeld?

Als de dienstknechten Hem liefhebben en hun hart echt aan Hem gegeven is, dan wensen ze bereid te zijn, om Hem op elk moment te ontvangen; want zij weten noch de dag noch het uur van Zijn komst. Wat is er nodig voor deze bereidheid? Omgordde lendenen. Om Hem werkelijk te verwachten en Hem trouw te dienen, mag geen enkel vreemd voorwerp het hart bezighouden en de geest afleiden. Omgordde lendenen geven aan, dat iemand bereid is om te dienen, dat hij het contact vermijden wil met iets, dat zijn kleding in de wandel zou kunnen bezoedelen. Hij wacht alleen nog op het teken voor de afmars, net als de Israëlieten die klaar waren om Egypte te verlaten. “Omgord de lendenen van uw verstand, weest nuchter,” zegt de apostel (1 Petr. 1:13). Het zijn dus onze gedachten die zo gemakkelijk verontreinigd raken te midden van de duizenden bekommernissen en zorgen van het leven, in contact met de wereld die ons omringt met haar schadelijke invloeden. We moeten daarom over de gedachten waken, zodat ze niet rondfladderen, maar gefocust zijn op de Heer en alleen bezig zijn met Zijn dienst. De Heer roept ons toe: “waakt echter, terwijl u te allen tijde bidt” (Luk. 21:36). Voortdurende waakzaamheid zal voorkomen, dat we de gordel rondom onze gedachten losmaken, en het gebed zal de goddelijke hulp inroepen, die onze zwakheid voortdurend nodig heeft.

“… en uw lampen brandende,” voegt de Heer eraan toe. We zijn in de nacht van deze wereld, die de duisternis verkiest boven het licht. De brandende lamp is het christelijke getuigenis. Alleen als het olie heeft, het leven van God door de Geest, kan het licht verspreiden, een getuige van God zijn. Maar een lamp moet verzorgd worden, de pit moet worden ontdaan van alles wat de vlam zou kunnen verduisteren, het getuigenis zou kunnen verstoren en de reinheid van de dienst zou kunnen aantasten. Ja, laten we de vermaning van onze Heer niet vergeten: “Laten uw lendenen omgord en uw lampen brandende zijn, en weest u gelijk aan mensen die op hun heer wachten, wanneer hij terugkomt van de bruiloft, om als hij komt en klopt, hem terstond open te doen” (Luk. 12:36).

Voor dienstknechten die dit doen en getrouw naar hun Heer uitkijken, heeft de Heer Jezus bij Zijn komst een bijzondere beloning naar Zijn hart bereid. Hij zal op een wijze die Hem waardig is, op hun liefde en trouw in de verwachting antwoorden.

Wat zal Hij dan doen? Zoals we hebben gezien, zal Hij hen daarheen leiden, waar Hij is. U zult de vreugde van uw Heer binnengaan (Matth. 25:21,23).

Het tafereel verandert op wonderbare wijze boven ons bevattingsvermogen uit, want Gods gedachten zijn niet onze gedachten. De aardse dienst is opgehouden. Gelukkige dienstknechten, nu kunt u uw gordel losmaken en uw kleren laten wapperen. Daar waar de Meester u invoert, is alles heiligheid. Er is niets meer wat verontreinigt en waarvoor u uzelf moet hoeden. Niets is er meer dat uw gedachten afleidt en uw genegenheid uit het goddelijke Middelpunt haalt: Jezus Zelf is daar, die de heilige plaats met Zijn liefde vervult, waar u nu bent: u zult Hem zien zoals Hij is. Al het andere zal weg zijn. Zijn aanbiddelijke Persoon zal uw hart met vreugde drenken. De lampen hoeven niet meer onderhouden te worden. De tijd van getuigenis is voorbij. U zult aan de nacht van deze wereld ontrukt zijn. Het licht van eeuwige heerlijkheid verlicht de woning, waar de Heer u naartoe zal leiden.

Geen moeiten meer, geen slapeloze nachten, geen tranen meer. Hoeveel lijden is er op de weg van de ware dienstknecht! De apostel Paulus spreekt erover (zie 2 Kor. 11). We kennen ze slechts in zwakke mate; misschien, o, omdat we te weinig trouw zijn. Maar er is daar geen dienstknecht, die het niet ondervonden heeft. Maar dan zal er een einde zijn aan al het lijden. Hijzelf zal ons ontvangen, net zoals iemand dat doet met geliefde vrienden, die van een lange, zware reis zijn aangekomen. Hij zal ons bij wijze van spreken bij de hand nemen en ons naar de tafel leiden, die Zijn liefde gedekt heeft. Er is rust, volmaakte rust na het werk, na de nachtwake en het volharden, rust die Hij bereid heeft, rust bij Hem.

En dat is niet alles wat onze aanbiddelijke Heiland wil doen voor Zijn geliefde dienstknechten als ze bij Hem zijn na het zwoegen en de dienst hier op aarde. Waar is een hart als het Zijne? Hij is dezelfde in zijn liefde gisteren, vandaag en voor eeuwig. Uit het diepst van deze volmaakte en onveranderlijke liefde haalt Hij de kostbaarste beloning voor de Zijnen naar boven. U dienaren van de goddelijke Meester, wanneer u bij Hem bent, zult u niet alleen gestopt zijn met uw arbeid, u zult niet alleen in de hemelse rust aan de tafel zitten bij uw Heer. Hij zal zelfs u komen dienen! (Luk. 12:37).

Hij zal zich niet gedragen als Jozef, die, toen hij zich aan zijn broers openbaarde, hen omhelsde en hun vergiffenis schonk, maar hun eten liet opdienen aan een speciale tafel (Gen. 43:32). Zo zal het zijn voor Israël, het aardse volk, wanneer ze Hem zullen hebben herkend als hun Koning, die ze eens doorstoken hebben (Zach. 12:10; Joh. 19:36; Openb. 1:7).

Zijn geliefde dienstknechten daarentegen, die in Hem geloofden zonder Hem te zien, die Hem liefhadden en met Hem leden hier op aarde, die Hem volgden en Hem dienden doordat zij Zijn smaad deelden – deze zal de Vader eren, en de Heer Zelf zal hen dienen. Hij zal het Zelf doen, niet Zijn engelen, want het is een dienst van liefde.

Uit liefde is Hij eens uit de hemel gekomen om te dienen en Zijn leven als losprijs te geven voor velen. In deze liefde, waarmee Hij liefgehad heeft tot het einde, omgordde Hij zich ook om hun voeten te wassen toen zij door de wereld liepen (zie Joh. 13:1-20). En nu is Hij boven, als de grote Hogepriester voor hen voor God, en die tussenbeide treedt bij de Vader, wanneer zij gefaald hebben. Hij is altijd de Dienaar! Ook wanneer Hij hen in de rust ingevoerd heeft, komt Hij naar voren als een Dienaar -, deze plaats heeft Hij in Zijn liefde willen innemen en willen bewaren. Het is Zijn hand die hun de goddelijke vruchten van zegen, de onuitsprekelijke vreugde en de volmaakte vrede schenkt. Hiermee wil Hij hen in Gods paradijs bevredigen. Hij is het Zelf die hen dient, en wat ze dan ten volle genieten, zijn de geneugten van Zijn liefde, Zijn persoon zelf, alles wat Hij is. En dit voor eeuwig!

Inderdaad, gezegend zijn die dienaren! “Wat een beloning voor mijn zo zwakke en gebrekkige dienst!”, zal elke dienaar zeggen. Maar de beloning is naar Zijn hart, niet naar onze dienst. Het komt uit Zijn liefde voort; het is Hem waardig. Als onze vreugde dan volmaakt is, dan zal die van Hem niet minder zijn.

Wat is er mooier dan degenen te dienen die je liefhebt? We hebben Hem lief hier op aarde en dienen Hem, hoe zwak het ook is, en Hij weet het te waarderen. Wat een bemoediging voor ons!

Daarboven vindt Zijn hart er vreugde in om ons te dienen. Hij, die de engelen aanbidden en loven, komt om diegenen te ontvangen, die Hem hier op aarde gediend hebben, en nu dient Hij hen. Wat een ontvouwing van liefde! Zijn naam zij eer voor eeuwig! Laten we toch tot de Heer komt, gerekend worden tot de dienaren, die met omgordde lendenen en brandende lampen waken en op Hem wachten!

 

Uit: <<Messager Evangélique>>

Jaargang: 1976 – Bladzijde: 178.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW