12 jaar geleden

Het Calvijnjaar (2)

De leer van de predestinatie is eigenlijk toch wel een zwarte bladzijde in al het schrijven van Calvijn. Het oefent tot op de dag van vandaag een jammerlijke invloed uit. Hierin dwaalt Calvijn toch wel behoorlijk. Volgens hem heeft God in zijn volle soevereiniteit, naar zijn eeuwige en onveranderlijke raad de een tot zaligheid, de ander tot de verdoemenis bestemd; en daar Hij aan niemand iets verplicht was, moeten de uitverkorenen Hem eeuwig danken, en hebben de verworpenen geen recht om te klagen. Calvijn erkent enigszins, dat dit alles niet met zoveel woorden in de Schrift voorkomt, maar het is hem voldoende, dat het logisch is. De verkiezing aan te nemen, en de verwerping niet, is, volgens hem, “kinderachtig” en “een a1 te grote domheid”. De menselijke gedachten, de menselijke rechtvaardigheid, het menselijke medelijden moeten zwijgen voor deze vragen. “De eer van God” eist dat. Calvijn vergeet slechts één ding, namelijk dat de logica ook “menselijk” is. De logica is de rede, en wel de rede die zich het recht aanmatigt te beslissen zonder hoger beroep toe te laten. En het is juist “de eer van God”, die eist dat wij niet aan God opleggen de besluiten, welke onze menselijke rede, zelfs naar de strengste regels van de logica, zou mogen opmaken. Indien Calvijn zijn leer bewezen acht door het feit alleen, dat er geen andere logische oplossing bestaat, is zijn methode in de grond geen andere dan die van de ongelovige, wanneer hij “logisch” de onmogelijkheid van een bovennatuurlijke openbaring vaststelt, of van de Roomse, die niet minder “logisch” bewijst, dat, als God een openbaring gegeven heeft, Hij een zichtbaar gezag heeft moeten instellen om die openbaring te verklaren”. Wilt u nog meer weten over de persoon Calvijn en u nog verder te verdiepen in de leer van het Calvinisme – waaronder ook de predestinatieleer van Calvijn -, lees dan ook de artikelen “De strijd om de uitverkiezing” en “Levensbeschrijving van Johannes Calvijn”. Deze artikelen overlappen elkaar en vullen elkaar enigszins aan …

Calvijn geeft de “instituties” uit

Calvijn was al bezig aan zijn groot werk over de christelijke godsdienst, en kan wel enige bouwstoffen daartoe verzameld hebben uit du Tillet’s boekerij. Maar omdat zijn leven gevaar liep, verhuisde hij naar Bazel, het toenmalige toevluchtsoord voor de Franse uitgewekenen. Hier gaf hij aan het beroemdste van al zijn geschriften, de Instituties (grondbeginselen) van de christelijke godsdienst, het licht. De eerste uitgave verscheen in de maand augustus van het jaar 1535.

“Dit was het eerste godgeleerde en letterkundige gedenkstuk van de Franse Hervorming”, zegt Félice. “Verspreid in de scholen van de geleerdheid, de kastelen van de adel, de huizen van de burgers, zelfs de werkplaatsen van het geringe volk, werden de Instituties de machtigste van alle predikers. Om dit boek schaarden zich de hervormers als om hun standaard. Zij vonden daarin alles: leer, tucht, kerkelijke inrichting; en de verdediger van de leermeesters werd de wetgever van hun kinderen”.

In zijn brief van opdracht aan Frans I smeekte hij de koning de geloofsbelijdenis van de hervormers te onderzoeken, opdat als hij zien zou, hoe zij in overeenstemming met de Bijbel waren, hij ze niet langer mocht behandelen als ketters. “Het is uw plicht, Sire!”, zo spreekt hij tot de koning, “uw verstand zomin als uw hart te sluiten voor zo’n billijke verdediging, inzonderheid wanneer de zaak van zo hoog belang is, namelijk hoe de eer van God op aarde zal worden gehandhaafd … een zaak, waardig dat gij er naar luistert, waardig aan uw rechtspraak, waardig aan uw koninklijke troon”. Maar er bestaat gegronde reden te geloven, dat de koning zich nooit verwaardigd heeft de voorrede van de Instituties te lezen.

Inhoud van der “Instituties”

De eerste uitgave van de Instituties bevatte niet meer dan zes hoofdstukken; de laatste door Calvijn bijgewerkt in 1559, tachtig. Zij zijn verdeeld over vier boeken. Het eerste boek handelt over God als Schepper en Opperregeerder van de wereld. Van de eerste bladzijde af wil de schrijver op het geweten werken. Het kort begrip van de ware godsdienstwetenschap is door de kennis van God tot de kennis van zichzelf te komen. Maar waarin ligt de kennis van God? Niet hierin, dat men zijn natuur doorgrondt, maar wel dat men Hem aanbidt, liefheeft en vreest. Ten gevolge van de zonde is het natuurlijke licht niet toereikend om daartoe te komen; er was een openbaring nodig. Die openbaring is vervat in de Bijbel. Wat geeft getuigenis van haar goddelijk gezag? De kerk? Neen, de Heilige Geest zelf. Vervolgens spreekt Calvijn over de bewijzen voor de waarheid van de Bijbel, dat God een Geest is, over de Drie-eenheid, de schepping en het bestuur van God.

Het tweede boek loopt over de kennis van God, in zover Hij Zich in Jezus Christus als verlosser geopenbaard heeft. Vijf hoofdstukken over de zonde. De mens is volstrekt onbekwaam geworden tot enig goed. In Jezus Christus is het middel geboden tot zijn herstel en behoud. Om hem tot aanneming daarvan te brengen, gaf God hem een zedelijke wet, die hem overtuigt van de zonde. De volgende vijf hoofdstukken hebben betrekking op het doel en de inhoud van de wet, de verbonden, hun overeenkomst en verschil. Thans vijf hoofdstukken over de persoon van de Heer Jezus, waarachtig mens, waarachtig God, profeet, koning en hogepriester, en een slothoofdstuk met uitspraken van de Schrift omtrent Christus’ werk.

Het derde boek verklaart de wijze, waarop men deel krijgt aan de genade, en wat zij uitwerkt. Door het geloof. De Heilige Geest brengt de ziel in aanraking, of liever in levensgemeenschap met Jezus. Door diezelfde Geest wordt de eigenlijke bekering gewerkt. Uit dit geloof en deze bekering komt de christelijke wandel voort. In vijf hoofdstukken wordt dit ontwikkeld. In acht andere is sprake van de leer van de rechtvaardiging uit het geloof. De voornaamste levensopenbaring bij de Christen is het gebed. Hierna komt de leer van de predestinatie. Volgens Calvijn heeft God in zijn volle souvereiniteit, naar zijn eeuwige en onveranderlijke raad de ene tot de zaligheid, de andere tot de verdoemenis bestemd; en daar hij aan niemand iets verplicht was, moeten de uitverkorenen Hem eeuwig danken, en hebben de verworpenen geen recht tot klagen. Calvijn erkent enigszins, dat dit alles niet met zoveel woorden in de Schrift voorkomt, maar het is hem voldoende, dat het logisch is. De verkiezing aan te nemen, en de verwerping niet, is, volgens hem, “kinderachtig” en “een a1 te grote domheid”. De menselijke gedachten, de menselijke rechtvaardigheid, het menselijke medelijden moeten zwijgen voor deze vragen. “De eer van God” eist dat. Calvijn vergeet slechts één ding, namelijk dat de logica ook “menselijk” is. De logica is de rede, en wel de rede die zich het recht aanmatigt te beslissen zonder hoger beroep toe te laten. En het is juist “de eer van God”, die eist dat wij niet aan God opleggen de besluiten, welke onze menselijke rede, zelfs naar de strengste regels van de logica, zou mogen opmaken. Indien Calvijn zijn leer bewezen acht door het feit alleen, dat er geen andere logische oplossing bestaat, is zijn methode in de grond geen andere dan die van de ongelovige, wanneer hij “logisch” de onmogelijkheid van een bovennatuurlijke openbaring vaststelt, of van de Roomse, die niet minder “logisch” bewijst, dat, als God een openbaring gegeven heeft, Hij een zichtbaar gezag heeft moeten instellen om die openbaring te verklaren”1.

Het vierde boek heeft tot onderwerp: de kerk. Twaalf hoofdstukken zijn gewijd aan de samenstelling, de bediening, de tucht van de kerk, enzovoorts; één behandelt de kloostergeloften; zes spreken over de sacramenten; het laatste loopt over het burgerlijk bestuur in zijn betrekkingen met de kerk en het bestuur van de kerk. In de wetten van Genève, waarvan wij later meer horen, heeft Calvijn een levende voorstelling gegeven van hetgeen hij in zijn vierde boek verkondigt.

Calvijn verkrijgt meer en meer invloed

Calvijn werd nu de erkende leider van de Franse Hervorming. Luther was te ver af; Farel te vurig; maar Calvijn was de geschikte man voor de Fransen. Hij bracht omstreeks deze tijd een bezoek aan de met recht beroemde Renée van Frankrijk, een dochter van Lodewijk XII, en hertogin van Ferrara, een van de eerste gewesten van Italië, welke de Hervorming aannamen. Evenals haar nicht, Margaretha van Valois, had zij het evangelie gehoord en omhelsd, en werd de beschermvrouw van de hervormden in Italië, voor wie zij later, al was zij een koningsdochter, strenge vervolging te doorstaan had. Dit bezoek vestigde een vriendschap, die nooit afgebroken werd; zelfs op zijn doodbed richtte Calvijn nog een brief aan haar.

In 1536 werd Calvijn aangesteld tot predikant en professor te Genève. De godsdienstige, zedelijke, verstandelijke en zelfs staatkundige omkeer, die hij in Genève tot stand bracht, zou op zichzelf een boekdeel vullen. Wij zullen er slechts een schets van geven.

Calvijn ondervond, dat het geen lichte taak was, die hij geroepen werd te vervullen. Het volk was pas ontworsteld aan een toestand van onkunde, bijgeloof en onzedelijkheid, waarin de stad eeuwenlang verzonken was geweest; en de verdorvenheid van haar “negenhonderd” priesters had haar stempel gedrukt op het leven van haar burgers. Maar alle loszinnigheid en vermaken, die daaraan bevorderlijk waren, werden door Calvijn en Farel, zowel in het openbaar als in het bijzonder, ernstig en scherp bestraft. Zij waren niet alleen erkende vijanden van het geringste spoor van pausdom, maar voorstanders van de strengste tucht. De meerderheid van het volk was echter nog niet tot zo’n zelfverloochening gezind. Zij hadden een harde strijd gevoerd om het juk van Rome en dat van den hertog van Savoye af te schudden, en waren besloten zich niet te laten opleggen een juk, dat nog veel harder was, door al hun vermaken op te geven, en volgens een strenge kerkelijke tucht te gaan leven. Al hadden velen uitwendig de hervormde leringen omhelsd, hun hart was daarom niet toebereid voor Calvijn’s stelsel. Zijn ideaal was de staat als een godsregering op te vatten, en de burgers te noodzaken zich te gedragen naar de wet van God, onder bedreiging met de oordelen uit het Oude Testament.

Calvijn en Farel uit Genève gebannen

De fout van Calvijn was hoofdzakelijk, dat hij het geloof in de staat de plaats wilde doen innemen, die daaraan alleen toekomt in de enkele persoon. In zijn kerk-staat of staatskerk dwingt de regering, op grond van het gemeenschappelijk geloof, de enkele persoon te doen alles, wat diezelfde persoon, voorondersteld dat hij een waar Christen was, uit kracht van zijn persoonlijk geloof doen zou! Binnen minder dan drie maanden na zijn aankomst te Genève had hij een formulier van christelijke, leer en tucht opgesteld, waaruit, artikel voor artikel, het innig verband sprak dat hij tussen geloof en zeden wenste te vestigen. Dit formulier werd door de grote raad van Genève aangenomen; en nu werd het bestuur van de stad door de grote raad bekleed met het recht tot opsporing en bestraffing van elke inbreuk op de christelijke wetten2.

De toepassing bleef niet uit. Een hardnekkige speler werd een uur te pronk gesteld met de kaarten om de hals. De bewerker van een onwaardige maskerade werd veroordeeld om in de hoofdkerk geknield vergeving te vragen. Een echtbreker en zijn medeplichtige werden in schande door de stad gevoerd. Iemand die een jonge vrouw niet zedig gekapt had, werd veroordeeld tot twee dagen gevangenis. Die ontevreden waren over deze stand van zaken, maakten opschudding, bewerende dat Genève onder de bisschoppen veel meer vrijheid genoten had dan thans. De predikanten vroegen de afsnijding van enige openbaar onzedelijke personen. Het bestuur had de moed niet daartoe over te gaan, en de vrijheidsmannen (Libertijnen) kregen daardoor zoveel overwicht, dat op 3 februari 1538 de verkiezingen in hun geest uitvielen, en het nieuwe bestuur jegens de hervormers bepaald ongunstig gezind was.

De strijd werd heviger. Op de preekstoel verheffen zich de stemmen van Farel en Calvijn tegen de bandeloosheid van de Libertijnen, weigeren het avondmaal uit te delen, het volk wil hen te lijf, en de raad spreekt de verbanning van de twee predikanten uit.

In april 1538 verlieten de twee predikanten met droefheid de stad, waar zij zoveel arbeid aan ten koste hadden gelegd. Farel ging naar Neufchatel, waar hij vroeger had gewerkt, en waar hij tot het eind van zijn leven gebleven is. Aldaar gelukte het hem het stelsel van tucht, in te voeren, waar men in Genève zich niet aan had willen onderwerpen; en zocht hij de Heer en Zijn gemeente met alle ijver te dienen, totdat hij op zesenzeventigjarige leeftijd in 1565 ontsliep.

Calvijn te Straatsburg. Zijn huwelijk

Calvijn ging eerst naar Bazel, en van daar naar Straatsburg, waarheen de predikanten van die stad, Bucer en Capito, hem ernstig uitgenodigd hadden. Hij werd onmiddellijk aangesteld tot hoogleraar in de godgeleerdheid en predikant van een gemeente, uit Franse vluchtelingen samengesteld. Niets spreekt duidelijker van de hevigheid van de vervolging, die in die tijd in Frankrijk woedde, dan het feit dat toen omtrent vijftienduizend Franse uitgewekenen om Calvijn vergaderden, teneinde het evangelie in hun moedertaal te horen. En indien er in Straatsburg alleen vijftienduizend gevonden werden, hoeveel moeten er dan niet daarenboven naar Engeland en andere landen zijn gevlucht? In Straatsburg predikte en schreef Calvijn drie jaar lang. De toestand van ontwikkeling, waarin de maatschappij verkeerde, de hogere beschaving van de gemeente in deze stad boven die van Genève was geheel naar zijn smaak, en als een balsem voor zijn gewonde hart. Hij gaf hier een vermeerderde druk van zijn Instituties uit, schreef zijn verklaring van de brief aan de Romeinen en een verhandeling over het avondmaal van de Heer.

De stroeve tuchtmeester gevoelde zich in Straatsburg zó op zijn gemak, dat hij er in toestemde te trouwen indien zijn vrienden voor hem een geschikte vrouw konden vinden. De eerste die hem voorgesteld werd, was een adellijke en rijke dame van een Duitse familie; maar het verschil in stand en vooral in taal deed de zaak afspringen. Een tweede voorstel ging evenmin door. Ten laatste huwde hij in 1540 de weduwe van de door hem terecht gebrachte wederdoper, Johannes Störder, genaamd Idelette van Buren, (naar het kleine Gelderse stadje van die naam). Met deze vrome vrouw heeft hij negen jaar lang in een gelukkig huwelijk mogen leven. De lezer zal uit het plotseling opgekomen en met haastige ijver voltrokken huwelijk van Luther tegenover den beredeneerde en kalme stap van Calvijn de twee onderscheidene karakters goed tegen elkander zien uitkomen.

NOTEN:
1. F. Bungener. Calvin, sa vie, son oeuvre et ses éci its. Pag. 80.
2. De burgers zelf hadden, de 21e mei, reeds vóór Calvijns komst, in de Pieterskerk gezworen het evangelie aan te nemen tot enige regel van hun leven. Deze eed was toepasselijk op alle wetten, die al gemaakt waren, of nog gemaakt zouden worden, als uitvloeisel van de christelijke wet (Bungener, pag. 149).

Wordt D.V. vervolgd.

Uit: Algemene geschiedenis van de Christelijke kerk” (oorspronkelijke titel: Church History).
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes. In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW