7 maanden geleden

Het boek Jozua (13) – De plaats van kracht,

Bijbelgedeelte: Jozua 5 vers 9

 

“… en ik leef niet meer1, maar Christus leeft in mij” (Gal. 2:20).

Gilgal, wat “wentelen” of “afwentelen” betekent, is het centrum van de kracht van Israël tijdens alle veldslagen waarover in het boek Jozua wordt bericht. Naar het kamp in Gilgal keerden ze terug na zowel overwinningen als nederlagen, en vanuit dit kamp trokken ze ten strijde.

Na hun besnijdenis zei de HEER tegen Jozua: “Verder zei de HEERE tegen Jozua: Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld. Daarom gaf men die plaats de naam Gilgal, (‘afwentelen’) tot op deze dag” (Jozua 5:9). We hadden misschien verwacht, dat de HEER Israël van de schande van Egypte zou vrijspreken, nadat Hij hun vijanden in de diepte van de zee had gestort, of onmiddellijk nadat Hij hen over de Jordaan naar Kanaän had gebracht. Nee, Hij eiste dat ze eerst besneden zouden worden.

In Gilgal wentelde de Heer zelf de schande af, en Israël stond voor Hem in de zegen waarmee Hij hen gezegend had. Farao had gezegd, dat de woestijn hen zou omringen wanneer zij uit Egypte getrokken waren. En het had er inderdaad naar uitgezien, dat ze daar zouden ronddolen en sterven. Maar nu stonden ze in het kamp in Kanaän voor het aangezicht van de Heer, Zijn leger, Zijn volk op aarde, volgens Zijn volbrachte raadsbesluit, Zijn gekochte volk, overgebracht naar Zijn beloofde land en door Hem voor Hem afgezonderd van alle omringende volken en tot Zijn eigendom verklaard.

In ons kamp zien we wat God heeft gedaan; en met het werk van God voor onze ogen worden we gesterkt in genade, wat op zichzelf het belangrijkste element van christelijke kracht is. God heeft Zijn raad vervuld met betrekking tot Zijn verlosten in Christus, en heeft hen die uit het land van slavernij kwamen, overgebracht naar de hemelse gewesten in Christus. Hij heeft door Christus alles van hen weggenomen wat Zijn oog in hen zag als zijnde niet in overeenstemming met Zijn gedachten, want zij zijn met Christus gestorven; en Hij heeft hen in Christus volledig in overeenstemming gebracht met Zijn gedachten, want zij zijn met Christus opgewekt en in Christus overgebracht naar de hemelse gewesten; en dit is het kamp – de plaats van kracht voor de Christen. Op welke manier de wereld ook bekeken wordt, op welke manier ook het vlees, het principe van het kwaad, bekeken wordt, in Christus, de opgestane uit de doden, in Christus, Die is opgestaan uit de dood, Die naar de hemel opgevaren is, wordt de schande van Gods verloste volk door God Zelf afgewenteld. Hijzelf spreekt hen vrij, want het was niet wat Israël over zichzelf zei, maar wat de HEER over hen uitsprak, dat Gilgal – het kamp – tot hun plaats van kracht maakte.

In Gilgal werden de twaalf stenen uit de Jordaan opgericht als een gedenkteken, dat niet alleen sprak over de Goddelijke macht die het water had tegengehouden, maar dat Israël ook herinnerde aan de diepte waarin de ark van het verbond voor hen had gestaan.

En hier in de Geest wordt het ware karakter van de besnijdenis praktisch uitgevoerd door de heiligen van God. Het ware doden van het ‘ik’ wordt gevonden waar men zich oprecht in de herinnering aan de dood van Jezus bevindt. Toen Israël die stenen zag, dachten ze onvermijdelijk aan de plaats waar de ark voor hen was geweest. En door de dood van Christus voor ons in gedachtenis te houden, zullen wij, die met Christus zijn opgewekt ook praktisch op de plaats van kracht zijn. Want we kunnen de vijand van God niet overwinnen als we ons niet aan God onderwerpen. De gelovige weet heel goed dat, hoewel hij in Christus in de hemelse gewesten is overgebracht, hij zonder de aardse leden te doden praktisch geen kracht kan hebben in zijn dagelijks leven. Het bewustzijn, van ons gestorven zijn met Christus en het doden van onze begeerten kunnen in het dagelijks leven niet van elkaar gescheiden worden. We zijn niet langer in de Jordaan, we zijn eruit genomen, maar de herinnering aan de dood van Christus moet altijd in ons hart blijven als we echt voor Hem willen leven. Een gelovige kan zijn positie in Christus uit de Schrift kennen en toch een totaal ontoereikend christelijk leven leiden. Maar dit zou niet het geval zijn als zijn hart zich met de dood van Christus voor hem bezighield, waardoor zijn zonden zijn weggedaan en waardoor hij tot een nieuw leven is opgewekt. De apostel zegt: “… en  wat ik nu leef in [het] vlees, leef ik door2 [het] geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven” (Gal. 2:20). Altijd stond de herinnering aan de liefde van de stervende Jezus voor zijn ziel. Wanneer onze harten als het ware naar dit stenen gedenkteken staren, zeggen we tegen onszelf: “Hij is voor ons gestorven. Wij zijn met Hem gestorven” en dan worden we in de kracht van de Heilige Geest in staat gesteld om onze trots en onze manier van leven, waar we vroeger zo van hielden, in de dood te brengen.

Twee dingen kenmerken het kamp in Gilgal: ten eerste de twaalf stenen die uit de Jordaan zijn gehaald, het gedenkteken van het werk van God die hen in het beloofde bezit had gebracht en de herinnering aan de plaats waar de ark had gestaan; en ten tweede de besnijdenis, het getuigenis, dat zij als volk absoluut het volk van de HEER waren. Geloof in juist deze twee elementen van zegen, waarover we door deze twee beelden worden onderwezen, is kracht. Ten eerste wordt de christen in Christus binnengeleid in alle voorrechten van alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten, en ten tweede is de christen, één gemaakt met Christus in Zijn dood, als gevallen kind van Adam gestorven en begraven, en voor God niet meer zichtbaar.

Het kamp was voor heel Israël – niet alleen voor de soldaten, noch alleen voor de negen en een halve stam. Er was maar één kamp, met zijn stenen gedenkteken en zijn besnijdenis; en als wij ons kamp beschouwen, verheugen wij ons in het feit, dat de heerlijke feiten ervan van toepassing zijn op alle heiligen, die allen “gezegend zijn met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus” en die allen met Christus gestorven zijn. Of ons persoonlijke geloof altijd de gedachten van God benadert met betrekking tot ons Gilgal is een andere zaak. Maar als het hart van de gelovige in beslag wordt genomen door dit kamp, de plaats van kracht, dan zal hij het tot zijn toevluchtsoord maken, of het nu voor de overwinning is of na de nederlaag.

Vanuit de vesting van de Goddelijke genade gaat de christen voortdurend op weg, en hier moet hij altijd terugkeren. De twaalf stenen en de besnijdenis zonder handen moeten altijd voor zijn ziel zijn. Hij moet steeds opnieuw gesterkt worden door geloof in de waarheid, dat hij een lid van het lichaam van Christus is en door geloof in de waarheid, dat hij met Christus gekruisigd is.

De goede strijder van Christus is omgord met Goddelijke feiten, hij is in zijn hart gesterkt door het Woord van God met betrekking tot de ware zegeningen. Wereldbeheersers van de duisternis en geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten (Ef. 6:12) zijn de vijanden, en als we in het geloof blijven dat we in Christus gezegend zijn met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten, bestrijden we de vijand op het terrein dat hij opeist. Als we onze riem losmaken, geven we Satan een voordeel. Geven we ook maar één waarheid op die God ons gegeven heeft? Of verwaarlozen we het praktisch doden van onze eigen verlangens? – Dan zal door zo’n overgave geestelijke kracht van ons wijken en moed wegzinken.

 

NOOT:
1. Of ‘en ik leef; niet meer ik.’
2. Letterlijk ‘in,’ dit is in de kracht van.

 

H. Forbes Witherby; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 15.07.2013.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW