8 maanden geleden

Het boek Jozua (12) – Afzondering voor God

Bijbelgedeelte: Jozua 5 vers 2-9

 

“Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben” (Joh 17:16).

De besnijdenis is een teken onder Gods volk, dat ze werkelijk van Hem zijn, apart gezet voor Zichzelf naar Zijn raadsbesluit. Voor de vader van de gelovigen was het een teken van het verbond, dat God met hem had gesloten (Gen. 17:11). De woorden van de Heer: “Zo zal Mijn verbond in uw vlees tot een eeuwig verbond zijn” (Gen. 17:13), omvatten de hele generatie van zijn volk in die tijd. De besnijdenis getuigde, dat Israël van de volken rondom voor God Zelf was afgezonderd. De Christen is in Christus, Die uit de dood is opgestaan en niet langer op aarde woont maar in de hemel, afgezonderd voor God. De besnijdenis niet met handen, die “van [het] hart, naar [de] geest, niet naar [de] letter” (Rom. 2:29), is nu in de plaats gekomen van de besnijdenis van het vlees.

“… de zogenaamde besnijdenis die in [het] vlees met handen gebeurt” (Ef. 2:11), is vandaag de dag alleen maar Jodendom, en in de geest terugkeren naar het Jodendom is het kruis van Christus verwerpen. Dit kruis heeft voor altijd het vonnis van de dood geschreven over de mens in het vlees (2 Kor. 5:14), en heeft laten zien dat de mens in Adam zichzelf nooit kan herstellen om God tevreden te stellen of te behagen. De Christen beroemt zich daarom niet op zijn naleving van de wet, noch op zijn daden, noch op wat hij in zichzelf is – goed, slecht of neutraal; hij beroemt zich niet op zijn vlees (Gal. 6:13), nee, hij verwerpt het idee om zichzelf geschikt te maken voor God door werken of verworvenheden, en zegt: “Maar ik wil volstrekt niet roemen dan alleen in het kruis van onze Heer Jezus Christus, door Wie1 voor mij de wereld gekruisigd is, en ik voor de wereld” (Gal. 6:14). Alle pogingen om zichzelf voor God geschikt te maken zijn praktisch een afwijzing van het kruis van Christus en roemen in het vlees, dat God door het kruis van Christus heeft veroordeeld. In het vlees is de mens, Jood of niet-Jood, besnijdenis of voorhuid, door God veroordeeld als hopeloos verloren. In Christus, Die uit de dood is opgestaan, is er een nieuwe schepping; daarom is besnijdenis noch onbesneden zijn iets (Gal. 6:15).

Israël was – we hebben het nu over het volk als zodanig – in Egypte besneden. Zij waren Gods volk in dat land en droegen het teken van zijn verbond: “Immers al het volk dat er uittrok, was besneden” (Joz. 5:5). Maar als zwervers in de woestijn was Israël een onbesneden volk: “Al het volk echter dat onderweg geboren was in de woestijn, nadat zij uit Egypte getrokken waren, hadden zij niet besneden.” In de woestijn had het volk deze handeling bijna 40 jaar lang verwaarloosd  en had het door God aangewezen teken van afscheiding van de volken ten opzichte van Hem, niet in stand gehouden. Toch lezen we niet over een bevel van de HEER om deze verordening te handhaven terwijl het volk in de woestijn was, een opmerkelijk feit als we denken aan het persoonlijke verleden van Mozes en hoe God met hem omging toen hij de besnijdenis in zijn familie verwaarloosde (Ex. 4:24,25). Waarom was dit zo? God had beloofd om Israël in het land te brengen, maar zij weigerden om God te erkennen in Zijn verbond met de vaderen. Het ongeloof van Israël kan de reden zijn waarom ze niet in staat waren om het merkteken te dragen dat ze het volk van de HEER waren. Ongeloof in het Woord van God van genade en ware afzondering kunnen niet samengaan in het hart van de mens. Israël wilde niet geloven, dat God hen in het land zou brengen “dat de HEERE hun vaderen gezworen heeft dat hun te geven” (Deut. 31:7). Hun omzwervingen waren het gevolg van hun ongeloof en het teken, dat ze het volk van God waren werd niet van hen verlangd tijdens hun woestijnreis.

Het grote grondbeginsel, dat Gods genade voor ons de praktische kracht is van onze afzondering van de wereld, is van het allergrootste belang. De ware geest van een aan God gewijd leven is het resultaat van gemeenschap met God. Hoe meer Zijn gunst wordt genoten, hoe meer Zijn volk wordt afgezonderd van de wereld. De inspanning om heilig te worden uit eigen kracht is niets anders dan een bespotting van de genade die God jegens ons heeft. Zulke afzondering van de dingen van de aarde om ons heen, beoefend om heiligheid voor God te bereiken, is niets anders dan de bladeren van een wilde appelboom rukken om er een edele boom van te maken. Geen enkele poging om heilig te worden door de wereld op te geven zal onze slechte natuur veranderen, en wie, door heiligheid te zoeken met zulke middelen, denkt dat hij dichter bij zijn doel is gekomen, heeft alleen maar de vrucht van geestelijke hoogmoed voortgebracht. Ware besnijdenis van het hart is het resultaat van een nederig bewustzijn van de genade van God ten opzichte van de heiligen van God.

Toen Israël vervolgens in het beloofde land werd gebracht, zou de HEER niet langer toestaan, dat zij in hun bezit zouden zijn, maar op zichzelf zouden blijven zoals de volken. Daarom waren het opdrogen van het water van de Jordaan voor de kinderen van Israël en Zijn bevel om opnieuw besneden te worden twee moreel met elkaar verbonden gebeurtenissen. Hij eiste het teken van Zijn verbond aan hen en zij moesten het getuigenis ervan dragen, dat zij Zijn volk waren, afgezonderd voor Hem van de afgodendienaars om hen heen.

“Onderweg” – dat wil zeggen in de woestijn, het tijdperk van twijfel en beproeving in de geschiedenis van Israël – had God hen niet bevolen zich te laten besnijden. Maar nu Zijn woord vervuld was, en zij zelf getuigen waren van Zijn trouw, en het land van de belofte waren binnengetrokken, “in die dagen” eiste God het onmiddellijk van hen. De genade die God hen had bewezen en de gunst waarin Hij hen had gebracht, veranderde de manier waarop Hij jegens hen handelde.

De natuurlijke mens probeert in zijn religieuze verwachtingen afstand te nemen van deze of gene slechte zaak en zichzelf zo geschikt te maken voor de dienst van God. Maar in Christus, in Wie we volmaakt zijn, worden we ook besneden, en door niets minder dan het afleggen van het lichaam van vlees! Niet door deze of gene slechte neiging af te leggen, maar door het lichaam van vlees zelf af te leggen.

De brief aan de Kolossenzen (Kol. 2:10-12) legt uit wat de betekenis is van de Joodse besnijdenis en de Christelijke doop voor de Christen: “… en u bent voleindigd2 in Hem, Die het hoofd is van alle overheid en gezag; in Hem bent u ook besneden met een besnijdenis, niet met handen verricht, in het uittrekken van het lichaam van het vlees, in de besnijdenis van Christus, met Hem begraven in de doop. In Hem bent u ook mee opgewekt door het geloof in de werking van God, Die Hem uit [de] doden heeft opgewekt.” De besnijdenis van Mozes wees op de afzondering van Israël van de volken voor God. De besnijdenis van Christus wijst op het uittrekken van de oude mens bij een gelovige, waardoor hij volledig afgezonderd wordt voor God in Christus, Die uit de doden is opgewekt. We moeten nooit vergeten, dat we besneden zijn in Christus en niet in onze eigen kracht; ook dat het werk een uitsluitend geestelijk werk is, omdat het “niet met handen” werd verricht; en tenslotte dat het een Goddelijk werk is in tegenstelling tot al het menselijke. Geen mensenhand kon deze afzondering voor God in Zijn heiligen bewerkstelligen, die door de dood en begrafenis van Christus werd bewerkt, want het betekent niets minder dan hun geestelijke dood en hun begraven met Hem. Alleen door Goddelijk handelen kon de oude mens, het lichaam van vlees, uit de ogen van God worden verwijderd, en op geen andere manier dan door de dood van Christus. Ons geloof verheugt zich in deze waarheid.

God spreekt er al van, dat de gelovigen in Christus, de Verhoogde, volmaakt (of vervuld) zijn, voordat de besnijdenis in Christus wordt genoemd. De volmaaktheid is absoluut. Er kan niets aan worden toegevoegd. En noch de mens, noch engelen kunnen het verbeteren.

We zijn in Christus aan de overzijde van de Jordaan, in Kanaän, in de hemelse gewesten. In Christus zijn we besneden – het lichaam van vlees is uitgetrokken. Besnijdenis als Goddelijk feit voor ons in Christus is het gemeenschappelijke deel van alle gelovigen in Christus – met Hem gestorven en met Hem opgewekt; besnijdenis als praktisch resultaat van de genade van God voor ons is het doden van onze leden die op aarde zijn, en zo onze plaats van kracht te zien.

Wat een bitterheid neemt bezit van menig geliefd kind van God omdat hij probeert het vlees in hem te vernietigen. Of zulke pogingen nu leiden tot het kwellen van het lichaam om het te reinigen van kwade lusten, of tot het pijnigen van de ziel om het principe van de zonde – het vlees – te vernietigen, de hele poging is niets anders dan egoïsme, dat het ‘eigen ik’ wil beheersen. “Het vlees heeft geen enkel nut” (Joh. 6:63). “Wij zijn de besnijdenis, wij die [God] dienen door de Geest van God, en in  Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwen” (Fil. 3:3).

Net zoals de besnijdenis in Gilgal het gemeenschappelijke voorrecht was van het volk Israël, zo zijn alle Christenen “de besnijdenis.” Maar er is ook een praktische zijde van het voorrecht. Omdat we in Christus besneden zijn en het lichaam van het vlees daarmee door God is uitgetrokken, moeten we nu onze leden die op de aarde zijn, doden (Kol. 3:5), “daar u de oude mens met zijn daden hebt uitgedaan, en de nieuwe hebt aangedaan” (vs. 9 en 10). Van nature geven we graag toe aan onze hartstochten, grillen en verlangens. Deze doden, “vaarwel” zeggen tegen onze verlangens, onze wil verloochenen, is geen pijnloze oefening. “Doodt dan,” is een woord dat ons allemaal aangaat – een woord dat ons elke dag, dat we op de aarde leven, als een scherp “stenen mes” treft.

“In die tijd zei de HEERE tegen Jozua: Maak u stenen messen” (Joz. 5:2). Nu gaat het om het dagelijkse praktische leven, en de enige ‘snijder’ van onze harten is Christus, Die door de Geest in de Zijnen de ware afzondering van de harten voor God tot stand brengt. Christus heeft deze wereld verlaten, Hij is opgestaan uit de dood, Hij is de ware Jozua. Vanuit de hemel, waar Hij nu is, zondert Hij Zijn volk af van de wereld voor Zijn God en Vader. “… omdat zij niet van de wereld zijn zoals Ik niet van de wereld ben” (Joh. 17:14) zijn Zijn woorden.

Misschien vinden we het beste voorbeeld van ware, praktische besnijdenis in de apostel. Zijn leven was een zelfopoffering, een constante zelfverloochening. Dagelijks droeg hij het sterven van Jezus met zich mee, en zo was het leven van Jezus op aarde zichtbaar in Zijn dienaar, want het patroon van de wegen en stappen van de glorierijke Meester werden in hem gezien.

De kracht waarmee we onze leden die op aarde zijn doden, is de inwoning van de Geest van God: “… maar als u door [de] Geest de werkingen van het lichaam doodt, zult u leven” (Rom. 8:13). Het ‘ik’ moet uit het zicht verdwijnen en het geloof moet de menselijke wil en energie verdringen op weg naar de afzondering voor God. Christus en de Geest zijn onze kracht.

Als middel om onze leden te doden, stelt God ons eenvoudig de dood van Christus voor. “Altijd het sterven3 van Jezus in het lichaam omdragend, opdat ook het leven van Jezus in onze lichaam openbaar wordt” (2 Kor. 4:10) is een woord, dat in onze harten gegrift zou moeten staan. We kunnen niet door voornemens, inspanningen of verstervingen onze hartstochten of driften afsnijden, of onze gewoontezonden uit ons hart verwijderen. Maar als we door geloof de dood van Jezus in ons dagelijks leven toepassen en die uit liefde voor Hem in ons lichaam meedragen, dan zijn we in staat om onze slechte gewoonten te doden. En dan, als de duisternis is verdreven, straalt er iets van wat Jezus op aarde was in onze arme sterfelijke lichamen – Zijn leven wordt zichtbaar in ons.

Israël – een besneden volk in het kamp van Gilgal – was getuige van de machteloosheid van de mens te midden van vijanden. In zichzelf hadden ze geen kracht om te overwinnen. Maar op het moment van hun zwakheid viel de schrik van God op hun vijanden. Onze kracht in de aanwezigheid van de vijand, Satan, en te midden van de geestelijke boosheid is de kracht van de sterkte van de Heer, (verg. Ef. 6:10-12; 2 Kor. 12:9) want als we zwak zijn, dan zijn we sterk.

Er ligt een bijzonder praktische les voor ons in deze woorden: 

“… heel het volk dat uit Egypte getrokken was, de mannen, alle strijdbare mannen, waren onderweg gestorven in de woestijn, nadat zij uit Egypte getrokken waren. Immers, al het volk dat er uittrok, was besneden … Want de Israëlieten waren veertig jaar onderweg in de woestijn, totdat heel het volk van strijdbare mannen die uit Egypte getrokken waren, omgekomen was. … Maar hun zonen heeft Hij in hun plaats gesteld. Jozua heeft hen besneden, omdat zij de voorhuid hadden, want zij hadden hen onderweg niet besneden” (Joz. 5:4-7).

De krijgslieden die uit Egypte kwamen waren niet van dien aard, dat God ze onder Jozua in Kanaän kon gebruiken. Eén voor één vielen ze in de woestijn, langzaam maar zeker, totdat ze uiteindelijk allemaal gestorven waren. De Christen weet in zijn hart heel goed wat dit betekent. De krachten die hij meebracht uit Egypte, zoals natuurlijke kracht, positie in de wereld, enzovoort, zijn geen hulp bij het geestelijke werk van God. Geleidelijk worden deze strijders uitgeput en sterven in de woestijn, en net zo langzaam leren wij om volledig te vertrouwen op de kracht van God. Eén voor één moeten ze verdwijnen, hoe meer we stap voor stap vertrouwen op de leiding van onze opgestane Heer. Het slopende proces waar zelfvertrouwen en soortgelijke “krijgslieden” geleidelijk aan vallen is vaak bitter en pijnlijk. De tuchtigende hand pijnigt, maar is tegelijkertijd een zegenende hand, want God laat het nieuwe “in hun plaats” komen terwijl Hij het oude afsnijdt. Terwijl Hij het doodvonnis over onze oude krachten voltrekt, wordt de kracht van Christus openbaar. Hoe vaak zien we dit proces niet in het leven van gelovigen, ja zelfs een groot deel van het Christelijke leven bestaat uit deze ervaring.  “… heeft Hij in hun plaats gesteld” is dus een zeer bemoedigend woord. Gebed, wachten op God, geduld, de geest van geloof die ontvankelijk is voor Goddelijke leiding, het oog dat de wegen van God onderscheidt, de kracht van de Heilige Geest in ons; dat zijn “krijgslieden” die niet uit Egypte komen, en voor hen moet het bolwerk van Satan vallen. En daarom begrijpen we goed waarom Israël, na overwinningen en nederlagen, terugkeerde naar Gilgal onder het leiderschap van Jozua. Elke dag is het nodig, dat de strijders van de Heer terugkeren naar het kruis en het sterven van Jezus in hun lichaam meedragen.

 

NOOT:
1. Of ‘waardoor.’
2. Dit is ‘volledig gemaakt, tot volheid gebracht (verg. vs. 9).
3. Eigenlijk ‘de doding’; hetzelfde als ‘afgestorven zijn’ in Rom. 4:19.

 

H. Forbes Witherby; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 23.06.2013.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW