8 maanden geleden

Het boek Jozua (11) – Het monument voor de leidsman en zijn glorie

Jozua 4 vers 9+14; Efeze 4 vers 9-10

 

Efeze 4 vers 9:
“Dit nu: Hij is opgevaren, wat is het anders dan dat Hij ook is neergedaald naar de lagere <delen> van de aarde? Hij Die is nedergedaald, is ook Degene Die is opgevaren boven alle hemelen, opdat Hij alles zou vervullen.”

De Heer deed wonderen voor Israël aan de Jordaan, zowel in Zijn eigenlijke werk als in de verborgen betekenis van het werk. Daarom vinden we in het voorbeeld, dat nu voor ons ligt grote gedachten over het hart van God.

Jozua 4 vers 9:
“Jozua richtte ook twaalf stenen op in het midden van de Jordaan, op de plaats waar de voeten van de priesters hadden gestaan die de ark van het verbond droegen. Ze zijn daar tot op deze dag.”

Toen het verslag werd geschreven, had de Jordaan het gedenkteken van de leider, dat aan de oversteek van de rivier zou herinneren, nog niet weggespoeld. Het monument van Israël dat in Kanaän was opgericht, stond daar voor iedereen te zien in het land van belofte – “voor de kinderen van Israël om nooit te vergeten.” Het gedenkteken van Jozua, dat hij in de Jordaan had opgericht, was door niemand meer te zien nadat het water was teruggevloeid; maar voor de leider zelf was het daarom niet minder een monument. We kunnen met recht zeggen, dat het op dit midden van de rivier was, dat zijn diepste gevoelens zich concentreerden. Daar, waar de voeten van de priesters stonden, werd de hele last van Israëls veiligheid gedragen, en daar lag de verborgen kracht van al de zegeningen van Israël door het binnengaan in het land Kanaän.

Jozua in Kanaän is een beeld van Christus en in deze handeling zien we een belangrijke onderwijzing. Onze Heer vergeet nooit de diepe wateren waar Hij doorheen moest – het lijden in en tot de dood waardoor Hij hem die de macht van de dood heeft – de duivel – teniet deed en waardoor Hij voor Zijn volk de weg opende naar hun hemelse erfenis. Vanaf zijn troon in de hemel herinnert Hij Zich de barensweeën van Zijn ziel, Zijn kruis, de schande en het lijden. Jezus, Wiens werk het volk van God in de hemelse gewesten bracht, zal nooit de wateren van de Jordaan vergeten, de diepe wateren waarin Hij – Zijn naam zij daarvoor geprezen! – voor ons stand hield om ons bij Zijn God en Vader te brengen.

Gods volk is veel bezig met Zijn zegeningen, en deze moeten inderdaad eerst het hart vullen. Want voordat we ons door genade niet bewust zijn, hoe gelovigen in Christus gezegend zijn in de hemelse gewesten, kunnen we niet nadenken over de wijze waarop onze Heer ons daar gebracht heeft. Onze gedenkstenen vertellen ons over de diepte van de Jordaan en over wat Christus voor ons en tot onze zegen heeft geleden. Maar laten we Zijn nagedachtenis niet vergeten! Zijn heilige Persoon in heerlijkheid draagt nog steeds de littekens van Golgotha, en vanuit de hemel spreekt Jezus over Zijn dood als Hij tegen Zijn volk zegt: “Gedenkt Mij.”

De heilige herinnering aan de plaats waar Zijn voeten “vaststonden” toen de golven van Gods toorn over Hem heen sloegen, zou in het hart aanwezig moeten zijn. Het is waar, dat Hij niet langer de lijdende is. Zijn lijden is voorgoed voorbij. Hij is de opgevaren Zoon des mensen, de glorieuze overwinnaar over de dood. Maar de herinnering aan Zijn dood zal voor altijd de harten van Zijn volk vervullen – voor altijd zal er van Zijn “stenen van getuigenis” gezegd worden: “zij zijn daar tot op deze dag.”

Door de Jordaan over te steken, maakte de Heer Jozua groot en verwierf daarmee zijn erkenning als leider in de ogen van Israël. “Op die dag maakte de HEERE Jozua groot voor de ogen van heel Israël en zij hadden ontzag voor hem, zoals zij voor Mozes ontzag hadden gehad, alle dagen van zijn leven” (Joz. 4:14).

De huidige verhoging en plaats van de Heer Jezus als Mens zijn van Zijn God en Vader, en Zijn heerlijkheid en majesteit zijn het heerlijke antwoord op Zijn lijden en vernedering. “Dit nu: Hij is opgevaren, wat is het anders dan dat Hij ook is neergedaald naar de lagere <delen> van de aarde? Hij Die is nedergedaald, is ook Degene Die is opgevaren boven alle hemelen, opdat Hij alles zou vervullen” (Ef. 4:9-10). De Heer Jezus, de Zoon des mensen, Die in de diepste diepten ging, neemt nu de hoogste plaats in de hemel in; en daar draagt Hij in Zijn persoon het ernstige getuigenis van Golgotha.

Op grond van Zijn gehoorzaamheid in de dood, ja tot de kruisdood, heeft God Hem uitermate verhoogd en Hem de naam geschonken die boven alle naam is (zie Fil. 2:8-9). Hij is uit de dood opgewekt door de heerlijkheid van de Vader en God de Vader heeft Hem aan Zijn rechterhand in de hemelse gewesten gezet, boven alle overheid, gezag en kracht en heerschappij en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw (zie Ef. 1:20-21). Als we deze verhoging van de Heer begrijpen, zal Hij inderdaad de Leidsman van Zijn volk worden en door hen verheerlijkt worden.

Zolang Zijn huidige heerlijkheid niet wordt erkend, wordt de Heer niet volledig geëerd door Zijn volk. In het licht van Zijn huidige verhoging als de opgestane Christus, is Zijn heerlijkheid als de Heer, Die stierf, te zien. Hij, de opgestane en opgevaren Christus, is de Eerstgeborene uit de doden, het Hoofd over allen, het Hoofd van het lichaam van de gemeente. En hoe meer het hart Hem zo erkent, hoe meer het zich ook herinnert wat Hij in Zijn sterven allemaal voor ons gedaan heeft.

De hemelse Leidsman staat voor Zijn volk in het onderricht van dit boek. Zelfs in aardse zaken hangt de invloed van een leider op zijn volgelingen af van eerbied voor hem. Nu is Christus in de hemel en in heerlijkheid, en naarmate Zijn grootheid en majesteit, Zijn kracht en macht door het geloof worden begrepen, zal er een machtige invloed worden uitgeoefend op de harten en levens van Zijn volk. Zijn positie in heerlijkheid en Zijn overwinning bepalen de zegen van de verlosten. De volheid van de zegen van de leden wordt bepaald door de heerlijkheid van hun Hoofd. Zijn heerlijkheid en hun zegeningen kunnen niet gescheiden worden. Onze hemelse positie in Christus is uitsluitend door de genade van God, maar zij behoort ons toe in Christus in de hoge. Nu is het weliswaar nog een voorwerp van geloof, maar spoedig zal het geopenbaard worden in heerlijkheid, en die openbaring zal zijn tot heerlijkheid van onze hoogverheven Heiland, Jezus Christus, onze Heer.

 

H. Forbes Witherby; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 21.06.2013.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW