5 maanden geleden

Het boek Jozua (01) – De leider

Bijbelgedeelte: Jozua 1 vers 1 en 2:

“Het gebeurde na de dood van Mozes, de dienaar van de HEERE, dat de HEERE tegen Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, zei: Mijn dienaar Mozes is gestorven. Nu dan, sta op …”.

Met de woorden van de Heer tot Jozua: “Mijn dienaar Mozes is gestorven. Nu dan, sta op”, begint het boek dat nu voor ons ligt.

Mozes, de “uitgetrokkene” – de dienaar van de Heer, die bestemd was om het volk uit Egypte uit te voeren – had het toneel verlaten. De Heer had hem begraven en de plaats van zijn graf verborgen (Deut. 34:6). Jozua, die eigenlijk Hosea (“redding”) heette, en later Jozua genoemd werd, had zijn plaats ingenomen.

Mozes, die Israël uit het land Egypte uitleidt, is een beeld van de Heer Jezus, die Zijn volk uit deze wereld leidt, die onder het oordeel ligt; Mozes de Middelaar en Aaron de Hogepriester zijn een beeld van Hem die Zijn volk door de woestijn van deze wereld leidt. Jozua is, doordat hij Israël het land Kanaän inleidt, een beeld van Christus die uit de dood is opgewekt, die Zijn volk in geest naar het land van de heerlijkheid leidt en hen in de strijd met de vijand in de hemelse gewesten aanvoert.

Met de dood van Mozes begint een nieuw tijdperk in de geschiedenis van Israël; en omdat God een leider had voorbereid om Zijn volk naar het land van de belofte te leiden, was de weg van zegen voor Israël daarin gelegen, dat zij hun door God gegeven leider volgden. Door hem zouden ze leren begrijpen wat dat voor hen betekende: “De Heer is redding”.

De wetgever had hen tot aan het einde van de woestijn gebracht, tot aan de drempel van hun beloofde bezit; maar in de raadsbesluiten van God kon de wetgever niet meer doen dan dat. We spreken nu niet over zijn overhaaste woorden en over het slaan van de rots in ongehoorzaamheid aan het woord van de Heer (hoewel hij de meest zachtmoedigste van alle mensen was, bewaarde hij zich daar niet in het karakter van onze zachtmoedige en nederige Heer, van Wie Hij op verschillende wijzen een beeld is: er is geen volmaakte behalve de Heer Jezus, van wie Mozes, de man van God, schreef); wij beschouwen Mozes in zijn officiële karakter als de wetgever. Het was onmogelijk vanwege wat Gods wegen met de mensen zijn, en vanwege wat de wet op zichzelf is, dat de vertegenwoordiger van de wet het volk naar het beloofde land zou brengen.

We moeten de morele toepassing van dit feit niet over het hoofd zien. Onze beschouwing van het boek Jozua moet dáár beginnen, waar God Zijn met aanwijzingen begint: “na de dood van Mozes”. Het is niet in overeenstemming met de wegen van God, dat de wet die door Mozes is gegeven ook maar één ziel in de geestelijke zegeningen in verbinding met Christus in de hemel, waar Hij nu is, zou moeten invoeren. Diegenen van het volk van God die in de geest onder de wet zijn (want daadwerkelijk, volgens de raad van God is er geen christen onder de wet, zoals we lezen in de brief aan de Galaten), kennen hun weg van zegen in navolging van onze Jozua, Christus, opgestaan uit de dood, niet. Ze kennen in hun harten niet wat “de Heer is redding” werkelijk betekent.

De “zwaktheid en nutteloosheid” van de geboden van de wet (Hebr. 7:18) worden zichtbaar wanneer de kracht van God in genade voor ons staat. De wet zegt: “Doe dat en u zult leven” (Luk. 10:28). Het vereist menselijke gehoorzaamheid als voorwaarde voor het verkrijgen van leven. Maar het evangelie van God voert leven in door goddelijke gerechtigheid, die zich al in dat, wat Christus gedaan heeft, verheerlijkt heeft toen Hij voor ons stierf. De wet is gericht tot de mens, weliswaar als mens in relatie tot God, maar desalniettemin tot de mens die in zichzelf verantwoordelijk is het goede te doen. Genade daarentegen vloeit echter van God in Zijn barmhartigheid naar de mens in zijn verdorvenheid (Rom. 5:8).

De wet vereist, dat de mens doet wat hij niet doen kan in zijn hulpeloze staat. De genade van God geeft de mens in zijn hulpeloosheid een nieuw leven in Christus Jezus. De wet beveelt de mens om zich naar de zegen uit te strekken; genade brengt de zegen naar de mens waar hij is. Daarom moeten de woorden: “Mijn dienaar Mozes is gestorven” (wat aangeeft hoezeer de geestelijke zegeningen alleen op genade berusten) voor ons hart blijven staan als we ons opmaken en onze Leider volgen willen – Jezus, de Heer, opgestaan uit de doden – en de zegeningen van Kanaän in bezit willen nemen. Alles wat de mens in zichzelf en in zijn eigen kracht is, moet verdwijnen wanneer de hemelse gewesten in beeld komen. Christus is in de hemel en de uit de doden opgestane Christus is voor ons de ware “de Heer is redding”.

Op dit punt willen we vragen: waar staan wij, wat betreft ons geloof? Wat begrijpt ons geloof over onze positie zoals God ze ziet? Niemand kan geloof hebben voor een ander, dus het is een verkennende vraag. De Bijbel zegt: “… en heeft [ons] … mee doen zitten in de hemelse [gewesten] in Christus Jezus” (Ef. 2:6). We moeten volgens de genade trachten onszelf door geloof zo te zien zoals God ons in Christus ziet. God ziet Zijn volk noch in het vlees (Rom. 8:9) noch onder de wet (Rom. 6:14), maar in Christus aan.

Niets spoort de geest zo aan als het geloof in de feiten van God. “Hoe kan ik mij die zegen eigen maken?”, wordt vaak gevraagd door geliefde gelovigen. Het antwoord is: “Maak de waarheid van God aangaande de zegen je eigen”. Wanneer een mens door genade gelooft, wat het Woord van God zegt over de dood van Christus voor zondaars, is hij veilig voor het oordeel van deze wereld, hij is verlost van de komende toorn. In Christus, opgestaan uit de dood, is hij veilig voor de hand van de vijand, Satan. Bovendien is hij met Christus in de hemelse gewesten geplaatst en is hij door God de Vader, in de schoonheid van de Geliefde aangenomen. We spreken over de waarheden zelf, niet over wat wij ervan weten. We kennen wat we geloven. Niet kennis is het fundament van geloof, maar geloof is het fundament van kennis.

Uit ervaring vertrouwd te zijn met de waarheid is, God zij dank, niet de waarheid zelf; en de waarheid van God, niet onze kennis van de waarheid, is onze toevlucht. Dus op het moment dat onze zielen, in de kracht van de Heilige Geest, de waarheden van God over onze zegening binnengaan, beginnen wij ook de zegen te ervaren die we zoeken. Het verkrijgen van de zegeningen volgt op geloof in God. Het gaat dus om het verkrijgen van de zegeningen door geloof, niet om het verkrijgen van het geloof.

Toen de woorden: “Nu dan, sta op” tot hun leider gericht werden, was het volk Israël ver weg van Egypte, precies aan de grens van Kanaän. Ze waren door de grote en verschrikkelijke woestijn gegaan in vele lange en vermoeiende jaren. Ze hadden vele bittere lessen over hun eigen domheid en boosheid geleerd, maar ook een prachtige les over de onveranderlijke aard van hun God en Zijn barmhartigheid, die altijd aanhoudt. In een korte tijd zouden ze God op een nieuwe wijze en in een nieuwe omgeving leren kennen. Het was dezelfde God, maar leerden Hem op een nieuwe wijze kennen, en daarom ook in een nieuwe of nieuw geopenbaarde relatie. Ze zouden in korte tijd God leren kennen, die Zijn Woord van belofte aan de vaderen waar maakte en Zijn volk Israël liet kennismaken met de voorrechten en verantwoordelijkheden van die beloften.

Ze waren als een kudde door de woestijn geleid (Ps. 77:21). Ze zouden spoedig als soldaten van de Heer in Zijn strijd worden geleid. Het karakter van een soldaat – zijn gehoorzaamheid, zijn energie, zijn volharding – zou nu in Israël worden gezocht. Het land van de belofte en zegen – dat voor christenen de hemelse gewesten zijn – was een slagveld waar hun gehoorzaamheid, hun energie en hun volharding beproefd zouden worden.

Ook de christen wordt niet alleen door de woestijn van deze wereld geleid door de tedere hand van zijn God, maar hij wordt ook geroepen, zoals de zonen van Israël, om te strijden. Als we het huidige boek overdenken, zullen we zien hoe geschikt zijn aanwijzingen zijn voor onze dagen, en we zullen om zo te zeggen in hoeverre wij ons werkelijk de gedachte soldaten te zijn onder leiding van onze opgestane Heer, hebben eigen gemaakt.

H. Forbes Witherby; © www.bibelstudium.de
Online in het Duits sinds 31.05.2013.
Uit een overdenking van “Das Buch Josua” (01).

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW