3 weken geleden

Heerlijkheid van de Schepper

“In het begin schiep God de hemel en de aarde.”

Genesis 1 vers 1.

 

Het is indrukwekkend hoe de Bijbel begint. Reeds het eerste vers maakt duidelijk, dat we hier te maken hebben met een uniek boek. Zonder enige inleiding begint God Zijn Woord met een enkele zin, die zijn weerga niet kent. Het is een zin die zeer kort en in eenvoudige bewoordingen het zeer uitgebreide en diepgaande onderwerp van de schepping van het heelal beschrijft. God openbaart Zichzelf door wat Hij schept. Wanneer Hij Zich openbaart, wordt er altijd iets van Zijn heerlijkheid onthuld. Zo bevat dit eerste vers van de Bijbel ook schoonheden die iets laten zien van hoe groot en heerlijk onze God is.

Goddelijke Volmaaktheid

In een paar woorden beschrijft het eerste vers het eigenlijke scheppingsverhaal. Er zijn negen woorden in de Duitse taal. In het Hebreeuws zijn er slechts zeven woorden en in totaal 28 letters (4 x 7). Daarin kunnen we een eerste verborgen schoonheid herkennen: Het is een verwijzing naar de goddelijke volmaaktheid in de schepping.

Het getal 7 staat vaak voor volmaaktheid in de getallensymboliek van de Bijbel (verg. Openb. 4:5; 5:1,6). Het getal 4 is het getal van de schepping, het getal van universaliteit. Wij denken bijvoorbeeld aan de vier windstreken, de “vier hoeken van de aarde” (Openb. 20:8) en de vier seizoenen. Dit allereerste vers van Gods Woord geeft dus aan dat God volmaakt is in wat Hij doet en dat het resultaat van wat Hij schept ook volmaakt is. Dit wordt onderstreept door het feit dat in Genesis 1 het woord “goed” zeven keer wordt genoemd als het resultaat van Gods handelen (vs. 4,10,12,18,21,25,31[1]). Zo ligt het zegel van volmaaktheid op alles, wat God geschapen heeft.

Een eeuwige God

In het begin schiep God. – Wij weten niet wanneer God de hemel en de aarde schiep. Er staat gewoon “in het begin”. Een begin waarmee de schepping en de tijd beginnen. En weer ontdekken we een heerlijkheid van God. Want waar dit begin van de schepping ook was – God was er al eerder! De “Schepper van de einden der aarde” is een eeuwige God (verg. Jes. 40:28; Ps. 90:2), een God die er was vóór alle tijden. Dit wordt bevestigd door Johannes 1 vers 1 en 2, waar we een ander begin in de Bijbel vinden: “In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in [het] begin bij God. Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden.” Dit (tijdloze) begin voert terug tot de eeuwigheid vóór de tijd en maakt duidelijk dat “het Woord”, dat wil zeggen God, de Zoon, door Wie alle dingen geschapen zijn, van eeuwigheid af bij God was en Zelf God was.

Een Schepper-God

In het begin schiep God. – God is de Schepper! Dit is een andere heerlijkheid van God en een feit, dat gevonden wordt vanaf het eerste vers van de Bijbel tot en met Openbaring. Vele passages maken dit duidelijk (b.v. Job 38:4; Ps. 33:6,9; Jer. 10:12; Joh. 1:3; Rom. 1:19,20; Kol. 1:16; Hebr. 1:2). Ook in het laatste boek van Gods Woord vinden we, dat God als Schepper wordt aanbeden door de 24 oudsten: “U bent waard, onze Heer en God, te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht, want U hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil bestonden zij en zijn zij geschapen” (Openb. 4:11).

Het Hebreeuwse woord “bara” voor “scheppen” komt drie keer voor in het scheppingsverslag, telkens verwijzend naar iets unieks dat er nog niet was en alleen door God kon worden voortgebracht. In vers 1 wordt het gebruikt voor de schepping van het universum en de materie. In vers 21 schiep God het dierlijke leven en in vers 27 schiep Hij de rationele mens. Even terzijde: deze drie passages geven antwoord op drie wetenschappelijke vragen: de vraag naar:

  1. De oorsprong van materie;
  2. de oorsprong van het bezielde leven, en
  3. de oorsprong van het menselijk verstand.

Een persoonlijke God

Het feit dat God schiep, maakt verder duidelijk dat Hij een Persoon is. Een persoonlijke God, niet louter een kracht of een hoger wezen, schiep het heelal en de mens volgens een bewonderenswaardig plan. Dit maakt de mens verantwoordelijk tegenover zijn Schepper – een verantwoordelijkheid die velen niet willen aanvaarden. Maar wie de Schepper-God verwerpt, verwerpt tegelijk de Verlosser-God.

De Drie-enige God

In het begin schiep God. – Er ligt nog een schoonheid verborgen in de twee woorden “schiep God.” Hoewel het woord “schiep” in het enkelvoud staat, wordt hier in de oorspronkelijke tekst het woord “Elohim” gebruikt voor God. De Hebreeuwse naam van God, Elohim, is een meervoudsvorm die meer dan twee uitdrukt – een eerste verborgen verwijzing naar de drie-eenheid van God. In vers 26 vinden we hier nog een aanwijzing voor. Daar zegt God: “Laten Wij mensen maken naar Ons beeld.”

De drie-eenheid van God – Vader, Zoon en Heilige Geest – is een feit, maar het werd pas geopenbaard in het Nieuwe Testament. Het wordt vooral duidelijk bij de doop van de Heer Jezus in de Jordaan en in Zijn doopopdracht aan de discipelen (Matth. 3:16,17; 28:19; zie ook 2 Kor. 13:13).

Alle drie Goddelijke personen waren betrokken bij het scheppingswerk. Naast de Geest van God die in Genesis 1 vers 2 wordt genoemd, zegt 1 Korinthe 8 vers 6 dat alle dingen uit God de Vader zijn en tot stand zijn gekomen door Jezus Christus, de Zoon van God. In Hebreeën 1 vers 1,2 lezen we dat de drie-enige God tot ons sprak “in [de] [2] Zoon,” dat wil zeggen in de Persoon van de Zoon. Dan staat er: “Door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft.” Het waren niet verschillende goden die schiepen, maar de éne God, bestaande uit Vader, Zoon en Heilige Geest. Een ondoorgrondelijk mysterie, dat we in geloof aanvaarden en bewonderen.

Een groot God

In het begin schiep God de hemel en de aarde. – Hemel en aarde lijken hier te staan voor alle geschapen dingen, voor het hele universum. Hoe groot dit heelal is, waarin zich volgens de huidige schattingen alleen al 1025 sterren en meer dan een biljoen sterrenstelsels bevinden, kunnen wij ons absoluut niet voorstellen. Onze God heeft dit alles geschapen door Zijn woord: “Want Híj spreekt en het is er, Híj gebiedt en het staat er” (Ps. 33:6,9). Hoe groot moet de Schepper zijn als de schepping al zo groot is!

In Jesaja 40 vers 25, 26 staat met het oog op de grootheid van de Schepper: “Met wie zou u Mij willen vergelijken, of aan wie ben Ik gelijk? zegt de Heilige. Sla uw ogen op naar omhoog, en zie Wie deze dingen geschapen heeft? Hij is het Die hun leger voltallig tevoorschijn brengt, ze alle bij name roept door Zijn grote vermogen en Zijn sterke kracht; er ontbreekt er niet één.” In Job 38 vers 4-7 lezen we, dat de “morgensterren samen vrolijk zongen, en al de kinderen van God juichten” toen God de aarde grondvestte. De grootheid en schoonheid van het scheppingswerk bracht de engelen, die er klaarblijkelijk reeds waren toen God de aarde schiep, ertoe de Schepper te loven en te prijzen.

Ook wij willen deze grote Schepper-God vanuit ons hart loven. Deze lof wordt nog groter als we bedenken, dat de Zoon van God, door Wie en tot Wie alle dingen geschapen zijn (Kol. 1:16), ruim 2000 jaar geleden als Mens zijn intrede deed in Zijn schepping. Hij werd als kind van Maria in grote armoede ter wereld gebracht, en stierf vervolgens, na een leven van nederigheid en ootmoed, maar tot welbehagen en vreugde van God, voor ons aan het kruis van Golgotha. Hem zij aanbidding hiervoor gebracht!

* * *

Du grosser Gott, wenn ich die Welt betrachte,
die Du geschaffen durch dein Allmachtswort,
wenn ich auf alle jene Wesen achte,
die Du regierst und nährest fort und fort,
dann jauchzt mein Herz Dir, grosser Herrscher, zu:
Wie gross bist Du! Wie gross bist Du!

 

Blick ich empor zu jenen lichten Welten
und seh der Sterne unzählbare Schar,
wie Sonn und Mond als Himmelslichter zelten
im weiten All, so herrlich, wunderbar,
dann jauchzt mein Herz Dir, grosser Schöpfer, zu:
Wie gross bist Du! Wie gross bist Du!

 

Und seh ich Jesus auf der Erde wandeln
in Knechtsgestalt, voll Lieb und grosser Huld,
wenn ich im Geiste seh sein göttlich Handeln,
am Kreuz bezahlen vieler Sünder Schuld,
dann jauchzt mein Herz Dir, grosser Retter, zu:
Wie gross bist Du! Wie gross bist Du!

 

NOOT:
1. Hier ‘zeer goed’.
2. Niet in dé Zoon (zoals God sprak in dé profeten, d.w.z. door middel van hen), maar ‘in Zoon’, d.w.z. God Zelf spreekt als Goddelijk persoon en die persoon is de Zoon.

 

Stefan Ulrich; © www.haltefest.ch

Jaargang 2019; nummer 3, bladzijde 3.

 

O Heer, mijn God,
wanneer ik in verwondering
de wereld zie,
die U hebt voortgebracht.
Het sterrenlicht,
het rollen van de donder,
heel dit heelal,
dat vol is van Uw kracht.
Dan zingt mijn ziel tot U, o Heer mijn God:
Hoe groot bent U, hoe groot bent U!
Dan zingt mijn ziel tot U, o Heer mijn God:
Hoe groot bent U, hoe groot bent U!

 

Als ik bedenk
hoe Jezus zonder klagen
tot in de dood
gegaan is als een Lam;
sta ik verbaasd,
dat Hij mijn schuld wou dragen
en aan het kruis
mijn zonden op Zich nam
Dan zingt mijn ziel tot U, o Heer mijn God:
Hoe groot bent U, hoe groot bent U!
Dan zingt mijn ziel tot U, o Heer mijn God:
Hoe groot bent U, hoe groot bent U!

 

Als Christus komt
met majesteit en luister,
brengt Hij mij thuis,
hoe heerlijk zal dat zijn.
Dan zal ik vol aanbidding
voor Hem buigen
en zingt mijn ziel:
o Heer, hoe groot bent U!
Dan zingt mijn ziel tot U, o Heer mijn God:
Hoe groot bent U, hoe groot bent U!
Dan zingt mijn ziel tot U, o Heer mijn God:
Hoe groot bent U, hoe groot bent U!

Opwekking 407; Liedboek 408

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW