1 jaar geleden

Heer, leer ons bidden! (5 -slot)

21 november 2004

Leestijd: 4 minuten

Tussenrubrieken van Bibel-Forum.

In het laatste deel van deze serie, genomen uit het boek “Heer, leer ons bidden” van Georges André, zagen we twee vrouwen van gebed, Anna de profetes en Hanna de moeder van Samuël.
In dit deel komen we bij Samuel zelf, die in navolging van zijn moeder een man van gebed was.

Samuel

Naar het voorbeeld van zijn moeder was Samuel een man van gebed. Al vroeg wierp hij zich neer voor de Heer (1:28). Hoe vaak zag hij Hanna in deze houding en leerde hij zich, net als zij, voor God neer te buigen. Deze houding heeft als tegenhanger aan het einde van zijn bediening het altaar, dat hij bouwde in zijn huis te Rama (1 Sam. 7:17), waar hij zeker de Heer aanbad. In Psalm 99 vers 6 wordt Samuël genoemd als een van hen “wie Zijn Naam aanriepen,” … “zij riepen tot de HEERE en Híj verhoorde hen.” Het gebed kenmerkte zijn hele loopbaan.

Het eerste gebed van Samuel

Samuel groeit dicht bij de Heer op; hij dient Hem. Er komt een dag, dat God zich aan hem openbaart; ’s nachts hoort hij de stem: “Samuel, Samuel!” Geïnstrueerd door Eli spreekt de jongen het eerste gebed uit waarvan we te horen krijgen: “Spreek, want uw dienaar luistert” (1 Sam. 3:10). Eli had gezegd: “Spreek, HEERE …” (1 Sam. 3:9). Samuel vergeet in zijn opwinding in het gebed deze noodzakelijke aanspreekvorm. Maar God is verdraagzaam en antwoordt toch. Wat een aanmoediging voor de jongeren om Samuel na te volgen! Vele jaren zijn verstreken. De twee zonen van Eli zijn gesneuveld in de strijd; de oude man heeft zijn nek gebroken toen hij hoorde van het verlies van de ark van het Verbond. Deze wordt teruggebracht en naar het huis van Abinadab gebracht. “En het gebeurde vanaf de dag dat de ark in Kirjath-Jearim bleef, dat er veel dagen verliepen – het werden twintig jaren – …,” totdat Israël God weer zocht. Toen was Samuel bereid en sprak: “Als u zich met uw hele hart tot de HEERE bekeert … Roep heel Israël in Mizpa bijeen, dan zal ik voor u tot de HEERE bidden … En de Israëlieten zeiden tegen Samuel: Laat toch niet na voor ons te roepen tot de HEERE, onze God, … Samuel riep tot de HEERE voor Israël en de HEERE verhoorde hem” (zie 1 Sam. 2:2,3,5,8,9). Het herwinnen van gemeenschap na een zware val is geen kleinigheid. Het vereist veel oefening van het hart en zelfoordeel; de vreemde goden moeten worden weggedaan. Het gebed speelt hierbij een belangrijke rol. Na de voorbede van de profeet en het offeren van het brandoffer geeft God onmiddellijk de overwinning van Eben-Haëzer1; Samuël kan zeggen: “Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen” (1 Sam. 7:12).

Saul in plaats van Samuel, de man van het gebed

De richter werd grijs. Israël wilde een koning in zijn plaats. “Toen zij zeiden: Geef ons een koning om ons leiding te geven, was dit woord kwalijk in de ogen van Samuel”. Wat te doen? – “En Samuel bad tot de HEERE” (1 Sam. 8:6). God geeft de profeet aanwijzingen voor het volk, maar zij weigeren naar Zijn stem te luisteren; zij staan erop een koning te krijgen. Samuel wendt zich opnieuw tot de Heer en vertelt Hem de woorden van het volk. Israël krijgt een koning, maar met de bijbehorende tucht (Hos. 13:11). Samuël aanvaardt nederig de omstandigheden; hij verrast Saul, zalft hem en spreekt tot zijn hart. Kort daarna neemt hij afscheid van het volk: “… zei u tegen mij: Nee, maar een koning moet over ons regeren – terwijl toch de HEERE, uw God, uw Koning is. Welnu, zie hier de koning die u gekozen hebt, die u verlangd hebt. Zie, de HEERE heeft een koning over u aangesteld” (1 Sam. 12:12,13). Nadat de daaropvolgende storm was losgebarsten, zei het volk tot Samuel: “Bid voor uw dienaren tot de HEERE, uw God.” Samuel antwoordt: “En wat mij betreft, er is bij mij geen sprake van dat ik tegen de HEERE zou zondigen door op te houden voor u te bidden; maar ik zal u de goede en juiste weg leren” (1 Sam. 12:23). Hij was niet langer de leider, maar in plaats van zich daarover te beklagen en zich terug te trekken in zijn dorp en niet langer voor hen te zorgen, blijft hij de absoluut noodzakelijke dienst van het gebed verrichten. Hij is beschikbaar om de weg van de Heer te leren.

Afgezet als de leider van het volk, blijft hij de bemiddelaar van het volk

Lang daarna, als God hem zegt: “Ik heb er berouw over dat Ik Saul tot koning aangesteld heb” (1 Sam. 15:11), is Samuel diep bedroefd, maar wat kan hij doen? Opnieuw – de laatste keer wordt ons verteld – roept hij de hele nacht tot de Heer. Hij had geaccepteerd, dat Saul koning werd; hij had geprobeerd hem te helpen, hem te leiden; maar Saul had te zelden naar hem geluisterd, hij had hem afgewezen; we zien nergens dat hij met hem gebeden heeft.

 

NOOT:
1. Eben-Haëzer: ‘De steen van hulp’.

© www.bibelpraxis.de; auteur: Georges André

Laatste verandering: 21.11.2004 17:46

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW