1 jaar geleden

Heer, leer ons bidden! (4)

14 november 2004

Leestijd: 4 minuten

Kinderen van God hebben het bijzondere voorrecht de nabijheid van hun God en Vader te zoeken in gebed en de leiding en hulp van Zijn liefde en kracht te ervaren in de verschillende omstandigheden van het leven.

In het vorige deel van deze serie, ontleend aan het boek “Heer, leer ons bidden” van Georges André, zagen we wanneer we moeten en mogen bidden. In dit en de volgende delen laat de auteur ons kennismaken met enkele mannen en vrouwen van het gebed, eerst Anna, de profetes, en Hanna, de moeder van Samuel.

Anna (Luk. 2)

Anna, de profetes uit Lukas 2 vers 36-38, is een opmerkelijk voorbeeld van een vrouw van gebed. Hoewel zij op hoge leeftijd was gekomen, diende zij God dag en nacht met vasten en bidden. Het gebed is een dienst die aan zusters en broeders, jong en oud, wordt toevertrouwd. Er is geen speciale “gave” nodig om te bidden. Zeker, de zusters mogen niet hardop bidden in de samenkomst, zij bidden in stilte; maar zij mogen deze heerlijke bediening trouw vervullen op een heel bijzondere manier. We kennen allemaal oudere en zieke zusters die urenlang met de Heer spreken en zich inzetten voor allen die op hun hart zijn gelegd.

Hanna (1 Sam. 1-2)

Het eerste boek van Samuel begint met het gezin van Hanna, die de moeder van Samuel zou worden. Hun omstandigheden waren niet bepaald gelukkig. Elkana had twee vrouwen: Hanna en Peninna. Peninna had kinderen, Hanna had er geen; en haar tegenpartij beledigde haar elk jaar ter gelegenheid van het feest in Silo om haar van streek te maken. Maar Elkana hield van Hanna, en toen zij weende en niet at tijdens het feest, zocht hij haar te troosten: “Ben ik je niet meer waard dan tien zonen?” (1 Sam. 1:8). Maar Elkana had er niet aan gedacht voor of met zijn vrouw te bidden. Izaäk daarentegen bad twintig jaar lang voor Rebekka, want zij was onvruchtbaar (Gen. 25:20,21,26). Hanna kwam niet in opstand tegen Peninna. Zij aanvaardde de situatie waarin zij verkeerde, maar in de bitterheid van haar ziel werd het gebed haar hulp.

“Toen stond Hanna op, nadat men in Silo gegeten en gedronken had” en ging naar de ingang van de tempel. “Bitter van gemoed bad zij tot de HEERE en zij huilde erg” (1 Sam. 1:9-10). Ongetwijfeld had zij in de voorgaande dagen al vele malen gehuild. Deze keer stortte ze haar hart uit in de aanwezigheid van God. “Want Hanna sprak in haar hart; alleen haar lippen bewogen, maar haar stem werd niet gehoord” (1 Sam. 1:13). Ze legde een gelofte af (1 Sam. 1:11) dat als de Heer haar een zoon zou geven, ze hem al de dagen van zijn leven aan de Heer zou geven; hij zou de kenmerken van een Nazireeër dragen (Num. 6). Toen Eli een ongepaste opmerking maakte, antwoordde zij eenvoudig en met gepast respect: “Maar Hanna antwoordde en zei: Nee, mijn heer, ik ben een diepbedroefde vrouw; ik heb geen wijn of sterke drank gedronken, maar ik heb mijn ziel uitgestort voor het aangezicht van de HEERE” (1 Sam. 1:15). Vele eeuwen later vermaant de apostel de Filippenzen om hun verzoeken voor God kenbaar te maken door gebed en smeking. De Psalmist zegt: “’s morgens leg ik mijn gebed voor U neer en zie ik naar U uit” (Ps. 5:4). De priester kan de vrouw antwoorden: “Ga in vrede, en de God van Israël zal u geven wat u van Hem gebeden hebt. Hanna zei toen: “Laat uw dienares genade vinden in uw ogen. Vervolgens ging de vrouw haars weegs. Zij at weer en haar gezicht stond bij haar niet meer als voorheen” (1 Sam. 1:17-18). De vrede van God bewaarde haar hart. Hoewel zij het antwoord op haar gebed nog niet had ontvangen, vertrouwde zij toch op God.

Na verloop van tijd baart Hanna een zoon die zij Samuel noemt: “Door God gehoord” of “God heeft gehoord.” Ze aarzelt niet om haar gelofte na te komen. Ze gaat met de nog kleine jongen naar Silo en brengt hem naar Eli. Zij herinnert de priester aan de tijd, dat zij bij hem tot de Heer bad: “Ik bad om deze jongen, en de HEERE heeft mij gegeven wat ik van Hem gebeden heb” (1 Sam. 1:27). Zijn hele leven stond Samuel nu ter beschikking van God, hoe moeilijk dit ook werd voor zijn moeder. Zij spreekt het gebed van hoofdstuk 2 uit, waarin zij haar vreugde en dankbaarheid uitspreekt, meer nog, zij prijst de Gever van de gave.

Jaar na jaar komt zij haar opgroeiende zoon bezoeken en brengt hem een klein bovenkleed, overeenkomstig zijn leeftijd (1 Sam. 2:19). Wat heeft zij voor hem gezorgd! Wat een liefde! Spreekt dit gewaad ons niet aan op de gebeden die wij tot God kunnen richten voor onze kinderen als zij groeien en hun behoeften veranderen? Laten we de Heer vragen, dat we ons mogen leren aanpassen en hen opvoeden op een manier die past bij hun leeftijd, met hun ogen gericht op de Heer Zelf!

Hanna droeg haar geliefde zoon voor zijn hele leven aan God op – en de Heer gaf haar drie zonen en twee dochters (1 Sam. 2:21)! Betaalt de Heer niet overvloedig terug wat Hem gegeven is (Matth. 19:29-30)? Zijn deze bladzijden van de Bijbel niet aan Hanna gewijd omdat zij een biddende vrouw was?

 

© www.bibelpraxis.de; auteur: Georges André

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW