1 jaar geleden

Heer, leer ons bidden! (2)

7 oktober 2004

Leestijd: 11 minuten

Kinderen van God hebben het bijzondere voorrecht de nabijheid van hun God en Vader te zoeken in gebed en de leiding en hulp van Zijn liefde en kracht te ervaren in de verschillende omstandigheden van het leven.

In het eerste deel van deze serie, uit het boek “Heer, leer ons bidden!” van Georges André, zagen we wat bidden eigenlijk is en waarom we zouden moeten bidden. In deze aflevering laat de auteur ons zien hoe we moeten bidden.

Hoe bidden?

In welke houding moeten we tot God naderen?

Uiterlijke houding

“Ga in uw binnenkamer,” zegt de Heer Jezus (Matth. 6:6), “en bid tot uw Vader die in het verborgene kijkt.” 2 Koningen 4 vers 1-6 toont ons dit uit het voorbeeld. In de armoedige kamer zien we de moeder en haar twee zonen alleen met de bij elkaar gebrachte lege kruiken. Ze zijn niet meer dan met hun drieën, maar God is aanwezig. In wanhoop had de moeder tot Elisa geroepen. Hoe moest ze haar kinderen redden van de schuldeiser (voor ons: Satan)? Ze nam het kleine kruikje met olie, goot het in de lege kruiken, en in de stilte van dit huis gebeurt het wonder. Als de kruiken vol zijn, stopt de olie met stromen. Volgens de maat van het geloof van haar en haar zonen bij het verzamelen van de lege kruiken, had God geantwoord. Men moet zijn gebed niet tonen zoals de Farizeeën (Matth. 6:5), hoewel er gevallen kunnen zijn waarin het niet gepast is het feit, dat men bidt te verbergen, zoals bij Daniël in zijn bovenvertrek (Dan. 6:11).

Niets kan deze vertrouwelijkheid “in het verborgene” met de Heer vervangen. Hij nodigt iedereen uit die, wanneer Hij aanklopt, de deur voor Hem opent. “… als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik <ook> bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij” (Openb. 3:20). Was de Heer Jezus Zelf niet het beste voorbeeld? Vroeg in de morgen, laat in de avond en zelfs ’s nachts zien we Hem naar een eenzame plaats gaan om te bidden. In het huis van Petrus, waar Hij verbleef in Kapernaüm, had Hij geen plaats om Zich alleen terug te trekken, “en ’s morgens vroeg, toen het nog diep in de nacht was, stond Hij op, ging naar buiten en ging weg naar een woeste plaats en daar bad Hij” (Mark. 1:35).

Men kan natuurlijk op elke plaats bidden (1 Tim. 2:8). Paulus bad in de gevangenis; in Handelingen 21 vers 5 knielde hij neer aan de oever met de gelovigen van Tyrus en bad. “Van het einde van het land roep ik tot U,” zei de Psalmist (Ps. 61:3 e.v.; Ps. 139:9,10). Vanuit het binnenste van de vis riep Jona in zijn nood tot de HEERE (Jona 2:2,3).

Wij mogen ons ook te allen tijde tot God wenden. Efeze 6 vers 18 onderstreept dit en voegt eraan toe: “en daartoe waakt met alle volharding.” Op een kritiek moment, toen de koning hem vroeg waarom zijn gezicht bedroefd was en zijn leven afhing van het antwoord, zegt Nehemia: “Toen bad ik tot de God van de hemel en zei tegen de koning …” (Neh. 2:4,5). David verlangde al de dagen van zijn leven in het huis van de Heer te verblijven, onder andere “om te onderzoeken in Zijn tempel” (Ps. 27:4). Niet één keer, maar al de dagen van mijn leven.

Welke houding moet men in het gebed aannemen? Vaak zitten gelovigen op hun knieën, zoals Paulus met de oudsten van Efeze (Hand. 20:36) of de Heer Zelf in Gethsémané. Maar men ziet hen ook staan, zoals Josafat in 2 Kronieken 20 vers 5. In 1 Kronieken 17 vers 16 lezen we, dat David ging zitten voor het aangezicht van de HEERE. In het geval van Jona of de boosdoener aan het kruis is niet de uiterlijke houding belangrijk, maar spreekt hun hart, en dat is wat telt. Wij hebben de gewoonte in onze samenkomsten op te staan om te bidden, maar onze broeders in Engeland blijven zitten. Als het gaat om een persoonlijk of zelfs gemeenschappelijk gebed, is het goed zich aan te passen aan de plaatselijke gebruiken, maar verder is het heel belangrijk een besef te hebben van de aanwezigheid van Hem tot Wie men zich richt. Men moet ook denken aan de vermaning van 1 Korinthe 11 vers 4 en 5, vooral wat betreft het openbare gebed.

Soms wordt in het Nieuwe Testament het gebed in verband gebracht met vasten. In Handelingen 13 vers 2 en 3 vastten de profeten en leraren van Antiochië, toen zij van de Heilige Geest onderricht ontvingen over Barnabas en Saul. Zij vastten opnieuw alvorens zij hen lieten gaan. Toen Paulus en Silas “in elke gemeente oudsten hadden gekozen, baden zij met vasten en droegen hen op aan de Heer in Wie zij hadden geloofd” (Hand 14:23). Volgens 2 Korinthe 6 vers 5 en 11 vers 27 (honger en dorst worden daar apart genoemd, wat ons vertelt dat het vasten vrijwillig was) schijnt de apostel eraan gewend te zijn geweest.

Het gaat ofwel om een lichamelijk vasten (gehele of gedeeltelijke onthouding van voedsel, maar in ieder geval geen onthouding van drank) of vooral om een moreel vasten (onthouding van het goede op zich om zich te concentreren op de dingen van God), waarbij het erom gaat, dat men wegdoet wat zich van Hem zou kunnen afsluiten om zich geheel aan het gebed te wijden. Jesaja 58 vers 3-7 geeft ons nauwkeurige aanwijzingen over de morele gevolgen van het vasten. In ieder geval is vasten geen verdienste. Als men zich door de Heer geleid voelt om af en toe te vasten om tijd te winnen voor het gebed of om zich geheel aan het gebed te wijden, dan is dat altijd in het besef van de genade van God en Zijn goedheid, die onze vragen naar Zijn wijsheid beantwoordt.

Bidden met wie?

Eerst en vooral natuurlijk alleen, en dit onophoudelijk, steeds een paar speciale momenten houdend om alleen met God te zijn.

Maar ook als gezin, zoals de weduwe van de profeet. Wat een voorbeeld voor de kinderen als zij beseffen, dat het gebed een vreugde en een voorrecht is voor de ouders en geen taak die achterwege kan blijven. In Psalm 136 is het gezin bijeen om de tafel. De aanwezigheid van de Heer is er. Hoe zou men Hem niet kunnen danken, ook als er bezoek is!

Voor het leven van de gemeente hebben de gebedsbijeenkomsten hun bijzondere betekenis. Anderen hebben daar uitvoerig over geschreven. In verband met het gebed geeft de Heer de belofte: “Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn naam, daar ben Ik in hun midden” (Matth. 18, 20). In Handelingen 12 vers 5 bad de gemeente vurig om de vrijlating van Petrus.

De biddende broeder moet wel door alle aanwezigen begrepen worden; alleen dan kunnen zij het ‘amen’ op zijn gebed uitspreken (1 Kor. 14:16). De anderen moeten niet onderwezen of vermaand worden door een gebed. Hij die de mond van de gemeente is, richt zich tot God, niet tot de mensen. Als het gebed van de gemeente uiterst belangrijk is, sluit dit niet uit dat enkelen samenkomen om te bidden. Handelingen 12 vertelt ons dat velen ’s nachts nog bijeen waren in het huis van Maria om te bidden (vs. 12). Jakobus en de broeders waren er niet (vs. 17), dus het was een kleinere groep. Daniël bad met zijn vrienden (Dan. 2:17,18); Paulus bad met de oudsten van Efeze (Hand. 20:36); er zijn meer voorbeelden te vinden.

Hoe mooi is het immers dat echtgenoten samen kunnen bidden (volgens 1 Petr. 3:7). Niets kan hen meer verenigen, niets kan hun harmonie verbeteren. Zij moeten er goed op letten dat iets in hun onderlinge relatie hun gebed niet belemmert. Als dit het geval is, is het belangrijk dat zij eerst tot de Heer komen om de fouten te belijden, en vervolgens dat ieder ze aan de ander toegeeft. Dan kan er weer samen in dankbaarheid gebeden worden.

Er zijn veel liederen of gedichten die in feite gebeden zijn. Laten we ze zingen in de geest van het gebed. Ze zijn gemakkelijk te herkennen.

Morele houding

In welke innerlijke houding moeten we tot God naderen?

Ten eerste met achting en eerbied. We lezen in Prediker 5 vers 1: “Wees niet te snel met uw mond, en laat uw hart zich niet haasten een woord te uiten voor het aangezicht van God. Want God is in de hemel en u bent op de aarde. Laat daarom uw woorden weinig in aantal zijn.” Ook wanneer Hij Zich aan ons als Vader openbaart, moeten wij in geest en hart vasthouden aan de grootheid van Hem tot Wie wij ons wenden. Hij blijft de Vader “Die zonder aanzien des persoons oordeelt naar het werk van ieder” (1 Petr. 1:17). Dit houdt ook nederigheid in. Men moet niet veel woorden gebruiken, maar de tijd nemen om de woorden te kiezen, en Hem vragen tot ons te spreken zoals Samuël destijds deed: “Spreek, want Uw dienaar luistert” (1 Sam. 3:10), en niet: Luister, Uw dienaar spreekt! Onze relatie met de Vader is die van een kind dat zich geliefd weet door de Vader en Hem in vertrouwen tegemoet treedt.

Wij hebben het voorrecht te bidden in de Naam van Jezus en in de Heilige Geest (Jud. 20), en dat “te allen tijde” (Ef. 6:18). Zelfs als we niet weten “wat we naar behoren zullen bidden … maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen” (Rom. 8:26). Het gebed dat de Heer Zijn discipelen leerde, komt overeen met het tijdperk waarin zij leefden. Voor hen is de Vader in de hemel (Matth. 6:9); dat is nog niet “mijn Vader en uw Vader.” Zij hadden de Heilige Geest nog niet ontvangen (Joh. 7:39). Een vaste formulering van het gebed wordt hun gegeven; hoe wonderlijk zijn de gedachten en voorrechten die het bevat: Eerst de heerlijkheid van God, Zijn belangen, dan onze noden. Maar wij, als kinderen van God, worden niet gevraagd een vast omschreven gebed na te spreken. Wij wenden ons tot de Vader, of tot de Heer Jezus, door de Geest, Die ons leidt om ons uit te drukken zoals het past bij de omstandigheden, afzonderlijk, door meerderen, of als gemeente.

In de brief van Jakobus vinden we drie toestanden in verband met het gebed: men vraagt niet (4:2), men bidt verkeerd (4:3) of men bidt in geloof (1:6). In dezelfde brief bidt de gelovige vooral als hij  lijdt (5:13) of ziek is (5:14), en – zoals we al gezien hebben – voor elkaar (5:16). Elia was een man met dezelfde emoties als wij, maar had ook dezelfde God (vs. 17)! Echt gebed is nauw verbonden met geloof, met vertrouwen in de goedheid van God, maar ook met de zekerheid, dat alleen Hij kan antwoorden. Als wij Zijn wil zoeken, kan Hij ons de zekerheid van een antwoord geven. Hij is de God Die “geeft.”

Het is ook belangrijk om met een goed geweten te vragen: “Had ik in mijn hart onrecht op het oog gehad, de Heere zou mij niet hebben gehoord,” zegt de Psalmist (Ps. 66:18). De Heer Jezus Zelf onderstreept ook hoe onze relatie met God wordt verstoord als wij onze broeder niet vergeven (Mark. 11:25,26). Jesaja zegt: “Zie, de hand van de HEERE is niet te kort dat ze niet zou kunnen verlossen, en Zijn oor is niet toegestopt dat het niet zou kunnen horen. Maar uw ongerechtigheden maken scheiding tussen u en uw God, uw zonden doen Zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij u niet hoort.” (Jes. 59:1,2). Wanneer de zonde is erkend en werkelijk beleden, “zal iedere heilige tot U bidden ten tijde dat U Zich laat vinden” (Ps. 32:6). De apostel was zo vrij om de broeders te vragen voor hem te bidden, “want wij zijn ervan overtuigd dat wij een goed geweten hebben” (Hebr. 13:18).

Als onze gebeden onbeantwoord lijken te blijven, moeten we dan niet op zoek gaan naar het obstakel? Misschien hoogmoed, een geweigerde vergeving, een meningsverschil met anderen of, zoals bij Jakob, een “gelofte” aan God: “Als God met mij zal zijn, en mij zal beschermen op deze weg, waar ik op ga …dan zal de HEERE mij tot een God zijn” (Gen. 28:20,21). Hoeveel jaren van kastijding waren er niet nodig voordat de aartsvader leerde dat alles genade is (Gen. 48:15). Jabes daarentegen bidt: ““Als U mij rijk zegent en mijn gebied uitbreidt, Uw hand met mij is en U het kwaad van mij wegdoet, zodat het mij geen smart brengt …”. Hij legt zijn verzoekschriften aan God voor, vertrouwend op zijn goedheid, vertrouwend op de beloften aan de vaderen (Gen. 28:13-15). “En God liet komen wat hij gevraagd had” (1 Kron. 4:10).

Maar onze fouten hoeven nooit een permanent obstakel voor onze gebeden te zijn. Voordat we de fout begaan, fluistert Satan ons in: “Dat is niet zo erg.” Na de fout fluistert hij daarentegen: “Dat was te veel.” Maar door het bloed van Christus, door Zijn werk en Zijn offer, kunnen we altijd terugkeren tot God en de vreugde ervaren in het gebed dat Hij tegen Christus rechtvaardig is als Hij vergeeft, en trouw aan Zijn belofte als Hij dat doet. Maar laten we niet vergeten, dat we schuldig zijn aan het vergeven van onze broeder die ons onrecht heeft aangedaan, aan het verzoenen met elkaar als we elkaar onrecht hebben aangedaan (Matth. 5:23,24).

Een belangrijk obstakel voor het gebed wordt ons gewezen door een bericht in Jeremia 42. De mannen die naar Jeremia komen om hem te vragen wat ze moeten doen, hebben hun besluit al genomen: naar Egypte af te reizen. Zij hoopten dat de profeet hun voornemen zou bevestigen. Ze vragen hem de Heer te bidden en hen te verzekeren, dat ze naar zijn stem zullen luisteren. God wacht 10 dagen met antwoorden, zodat ze de tijd hebben om na te denken. Jeremia waarschuwt Johanan en de andere bevelhebbers dan in niet mis te verstane bewoordingen om niet naar Egypte af te gaan; als ze in het land Kanaän blijven, hoeven ze de Babylonische koning niet te vrezen. Maar bij de mannen staat het vast, dat zij wel willen afzakken, en zij beschuldigen de profeet ervan leugens te spreken, niet door God gezonden te zijn (Jer. 43:2).

Door zelf de weg te hebben gekozen die men wil volgen en dan God te vragen ons Zijn wil te tonen, is een veelgemaakte fout. Zeker, het is vaak moeilijk, vooral als het om een verloving gaat, om in alle oprechtheid tot de Heer te komen om Hem naar de keuze te vragen. Daarom is het belangrijk dit te doen voordat het hart al toegewijd is, omdat anders al onze hoop is dat Hij ons besluit zal bevestigen! En op een ander gebied: “Het is een valstrik voor een mens ondoordacht een heilige gelofte te doen, en pas daarna de gedane geloften te overwegen” (Spr. 20:25). Men begeeft zich te snel op zo’n weg, neemt een opdracht aan zonder na te denken – en als men die aangenomen heeft, wil men voor de Heer beslissen. Is dit niet een list van de vijand, die ons wil verhinderen eerst tot God te komen met een nog vrije geest om de wegen te volgen die Hij ons zal wijzen?

Tenslotte vermaant de Meester de Zijnen geen ijdele herhalingen te gebruiken. Zij die dat doen verbeelden zich, dat ze door hun vele toespraken gehoord zullen worden. In feite geloven zij niet in een antwoord. Traditioneel of gewoontegetrouw herhalen zij tevergeefs dezelfde zinnen, dezelfde wendingen. “Wordt hun dan niet gelijk” (Matth. 6:8), zegt de Heer Jezus. Hieruit blijkt hoe ernstig het is om in de gemeente een gebed uit te spreken, een gebed door de Geest, in overeenstemming met de gedachten van de gemeente en niet met formuleringen, of het nu dankzeggingen of smeekbeden zijn. Enkele eenvoudige, hartelijke woorden met geloof zijn beter en hebben meer uitwerking.

 

© www.bibelpraxis.de; auteur: Georges André

Laatste verandering: 07.10.2004 17:46

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW