1 jaar geleden

Gods woonplaats (4)

Jezus Christus

Schriftplaatsen: Johannes 1 vers 14; Johannes 2 vers 19

7. Tussen Maleachi en Mattheüs liggen enkele eeuwen van stilte, als plotseling de heerlijkheid naar Immanuel’s land terugkeert. God Zelf is gekomen! “Plotseling zal naar Zijn tempel komen die Heere Die u aan het zoeken bent” (Mal. 3:1). En hoe komt Hij? We zien hoe de hemel geopend is en Zijn dienaren met vreugde bij de komst hun Schepper op aarde dienen. Echter, als we naar de aarde kijken om te zien, waar deze heerlijkheid Zijn woning vinden zou, vinden we haar niet in de tempel, niet eens in Jeruzalem. We gaan uit naar Bethlehem en zien met de verwonderde herders in de kribbe de tempel van God, het Heiligdom, waar Zijn heerlijkheid een woning en woonplaats gevonden heeft. “En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond1 (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader)” (Joh. 1:14). Wanneer wij de mens Christus Jezus zien, aanschouwen we de ware woonplaats van God. Hij kon van zijn lichaam vertellen: “Breek dit tempelhuis af en in drie dagen zal Ik het oprichten” (Joh. 2:19). God had eindelijk een geschikte woonplaats bij de mensen gevonden.

Hier zijn om zo te zeggen twee woonplaatsen: de ene, de tempel zonder de Shekinah-heerlijkheid, maar verbonden met alle vormen en rituelen, waarin de Joden zich beroemden; de andere, in de mens Christus Jezus, de glorieuze Zoon van God, die Zichzelf als het getuigenis van God op aarde voorstelde. Deze twee woonplaatsen staan tegenover elkaar. De een is een getuige van Israël’s terugkerende geschiedenis van zonde en hun behoefte aan redding; de andere is de onberispelijke, zondeloze Heilige. Wie zullen de leiders erkennen?

Onze Heer komt naar de tempel en drijft de kopers en verkopers uit met de woorden: “… maakt niet het huis van mijn Vader tot een huis van koophandel” (Joh. 2:13-17). Later noemt Hij het een “rovershol” (Matth. 21:13), wat eigenlijk een huis van gebed moest zijn. Welke tempel willen ze hebben – enkel het gebouw, “uw huis” (Matth. 23:38), zoals Hij het noemt, of Hem die het huis zou reinigen en Zelf de woonplaats van God was? We kennen het verschrikkelijke antwoord. Pilatus stelt een moordenaar en Christus voor hen, en ze schreeuwden (oh, onze boze harten zeiden eens hetzelfde): “Weg met Hem, en laat ons Barabbas los” (Luk. 23:18).

Zo werd de tempel vernietigd, voor zover menselijke handen het doen konden. De mooie, onverderfelijke tempel van Zijn lichaam wordt in het graf gelegd en Zijn geest keert terug naar de Vader. Dit is het antwoord van de mensen met betrekking tot de woonplaats van God hier. Hij brengt God te dicht bij – Zijn heiligheid bestraft de zonde, en de mens verkiest zelfs een moordenaar boven de heilige Christus van God.

Maar Gods bedoelingen van genade werden door de zonde van de mens niet verijdeld. Juist deze gewelddaad, deze in de verwerping en de dood van de Heer Jezus geopenbaarde vijandschap, is de gelegenheid voor de meest volmaakte openbaring van Gods liefde. Zijn dood baande de weg ervoor, dat Gods liefde in overstromende genade tot de ergste en armste zondaars vloeien kon.

Nu gaan we een eindje verder. God had in Zijn eigen geliefde Zoon deze heerlijke woonplaats op aarde. Maar de mens kon en wilde deze nabijheid van een bij hem wonende God niet en wierp Jezus – Immanuel – naar buiten, doordat hij Hem kruisigde. Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt, en Hij is opgevaren in de hemel. De “Tempel” is binnen het voorhangsel, in het binnenste heiligdom, gegaan.

NOOT:
1. of gekampeerd; Engels: “getabernakeld”.

Samuel Ridout, © www.bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol