1 jaar geleden

God vertrouwen in moeilijke tijden (6)

Psalm 123-125

Het gelovige overblijfsel in Jeruzalem

De psalmen 120 tot 122 beschrijven ons de ervaringen van de joden die in het midden van de 70 jaarweken van Daniël uit het land Israël gevlucht zijn en zich in den vreemde ophouden. Daar hunkeren ze naar Jeruzalem en staan kort ervoor, weer daarheen terug te keren.

De psalmen 123 tot 125 tonen de gevoelens van het kleine overblijfsel, dat in Jeruzalem blijven moest.

In Openbaring 12 worden deze beide groepen van trouwe joden eveneens duidelijk onderscheiden. In vers 5 wordt van een vrouw gesproken, een beeld van Israël. “En zij baarde een zoon, een mannelijk [kind], …”. Dat is de geboorte van de Heer Jezus ruim 2000 jaar geleden. Maar dan wordt direct op een toekomstige heerschappij gewezen: “… die alle naties zal hoeden met een ijzeren staf”. De laatste uitspraak in vers 5 heeft betrekking op Zijn hemelvaart na het volbrachte werk: “… en haar kind werd weggerukt naar God en naar Zijn troon”. De tijd van genade wordt overgeslagen en wordt er direct op de toekomstige gebeurtenissen aangesloten: “En de vrouw vluchtte de woestijn in, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat men haar twaalfhonderdzestig dagen voedde” (Openb. 5:6). Dat is het grootste deel van het overblijfsel, dat vluchten kan. Vers 13 en 14 verwijzen daar ook naar: “En toen de draak zag dat hij op de aarde neergeworpen was, vervolgde hij de vrouw die de mannelijke [zoon] gebaard had. En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven, opdat zij in de woestijn zou vliegen naar haar plaats, waar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een halve tijd (dat is 3½  jaar), buiten [het] gezicht van de slang” (Openb. 5:13-14).

Terwijl de antichrist, geprikkeld door satan, de vluchtelingen niet verder kan verdrukken, gaat hij bijzonder wreed tegen de achtergebleven gelovigen tekeer: “En de draak werd toornig op de vrouw en hij ging weg om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, hen die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben” (Openb. 12:17). Dat is het overblijfsel dat in Jeruzalem blijven moest.

In Openbaring 11 representeren de “twee getuigen” dit overblijfsel in Jeruzalem. Deze zullen onder de zwaarste verdrukking gedurende 3½ jaar voor God getuigen.

Aan het einde van deze tijd zal de koning van het noorden het land Israël en de stad Jeruzalem aanvallen. Het overblijfsel wordt als gevolg daarvan met twee gevaren geconfronteerd:

• de vervolging door de antichrist en
• het militaire offensief van de koning van het noorden.

De speerpunten in deze psalmen

Psalm 123 schildert ons deze grote verdrukking, waarin velen van hen gedood worden. De joden in het buitenland ervaren benauwdheid (Ps. 120:1), de joden in Jeruzalem daarentegen zware verdrukking. Hun situatie is veel gevaarlijker. Psalm 124 beschrijft hoe zij in deze nood de reddingen van God ervaren. In Psalm 125 vinden ze tenslotte rust.

De toepassing op ons

Ook wij ervaren soms grote verdrukking. Paulus schrijft daarover in 2 Korinthe 4 vers 8-10: “in alles verdrukt, maar niet benauwd; geen uitweg ziende, maar niet geheel zonder uitweg; vervolgd, maar niet verlaten; neergeworpen, maar niet omkomend; altijd het sterven van Jezus in het lichaam omdragend, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt”. In ons leven als christen zijn situaties, waarin wij “in alles verdrukt” zijn.

Maar wij zullen uit deze moeilijkheden gered worden. “Want ons burgerschap is in [de] hemelen, waaruit wij ook [de] Heere Jezus Christus als Heiland verwachten, Die het lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van Zijn heerlijkheid, naar de werking van de macht die Hij heeft om ook alles aan Zich te onderwerpen” (Fil. 3:20,21).

De opname zal onze redding zijn. De Heer Jezus zal komen en ons uit alles, wat ons hier op aarde benauwt, verlossen. Als onze Heiland zal Hij ons zwakke lichaam omvormen. Maar de nadruk in de brief aan Filippi ligt op het feit, dat Hij ons uit de moeilijkheden hier uitredden en in de heerlijkheid invoeren zal.

Daar wacht ons de rust. “… daar het rechtvaardig is bij God, aan hen die u verdrukken, verdrukking te vergelden, en aan u die verdrukt wordt, rust met ons bij de openbaring van de Heer Jezus van [de] hemel met [de] engelen van Zijn kracht …” (2 Thess. 1:6,7).

Op deze wijze mogen wij Psalm 123 tot en met 125 op ons toepassen.

 

* * *

Psalm 123

  1. Een pelgrimslied.
    Ik sla mijn ogen op naar U, Die in de hemel zit.
  2. Zie, zoals de ogen van dienaren gericht zijn op de hand van hun heren en zoals de ogen van een dienares gericht zijn op de hand van haar meesteres, zo zijn onze ogen gericht op de HEERE, onze God, totdat Hij ons genadig is.
  3. Wees ons genadig, HEERE, wees ons genadig, want wij zijn meer dan verzadigd met verachting.
  4. Onze ziel is meer dan verzadigd van de spot van de zorgelozen, de verachting van de hoogmoedigen.

Vanwaar komt hulp?

De gelovigen in Jeruzalem heffen hun ogen op tot Hem, Die in de hemel troont. In hun nood vinden zij geen hulp op aarde. Zij kunnen niet op de bergen blikken, want een vlucht is niet mogelijk. Ze kunnen niet naar Jeruzalem blikken, want daar heerst de antichrist.

Kent u ook zulke situaties? U bent in grote innerlijke nood en geen mens kan u meer helpen. Dan is er alleen nog de blik naar boven, tot God in de hemel.

De nood maakt afhankelijk

Het overblijfsel stelt zijn vertrouwen op God. In de grootste nood leert zij, voortdurend van God afhankelijk te zijn. “… zoals de ogen van dienaren gericht zijn op de hand van hun heren en zoals de ogen van een dienares gericht zijn op de hand van haar meesteres, zo zijn onze ogen gericht op de HEERE”.

Wij weten soms precies, wat wij willen. We maken onze plannen tot wel tien jaren vooruit en denken: Dit kunnen we allemaal doen. Maar in de moeilijkheden ervaren wij, dat de eigen ideeën, de eigen werkzaamheid en alle eigen kracht niet deugen. Dan leren wij in afhankelijkheid van God van de ene dag naar de andere te leven. We richten onze ogen op de hand van onze Heer, om voor elke stap aanwijzingen van Hem te ontvangen. Dat is een reden waarom wij noden in ons leven ondervinden. Anders zouden we denken: We redden het alleen wel. Maar God wil graag dat wij in afhankelijkheid van Hem leven.

De Heer is “onze God”

De trouwe joden houden vol vertrouwen eraan vast, dat de God, Die in de hemel troont, hun God is. Daarom noemen ze Hem ook zo. Hij is de God van Israël, de God van de trouwe joden.

Ook wij willen dit vertrouwen nooit opgeven. We kunnen niet alles begrijpen wat God ons aan beproevingen oplegt. Dan probeert de vijand ons vertrouwen op God aan het wankelen te brengen. Maar wanneer we het handelen van God met ons niet begrijpen, willen we het met de dichter van het lied vasthouden:

En wanneer ik helemaal niet zie
hoe alles worden zal.
Ik blijf in Uw nabijheid
en wacht vol vertrouwen.

Dit vertrouwen zien we volkomen bij de Heer Jezus, Die in de zwaarste uren van Zijn leven gezegd heeft: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?” (Ps. 22:2; Matt. 27:46). In de diepste nood van Zijn hart heeft Jezus Christus het vertrouwen in Zijn God nooit opgegeven, hoewel Deze Hem vanwege onze zonden verlaten moest.

Het is genade wanneer God helpt

De verachte joden in Jeruzalem erkennen, dat zij van God helemaal niets verdiend hebben. Zij weten dat Zijn hulp alleen van Zijn genade afhangt. Daarom roepen zij: “Wees ons genadig, HEERE, wees ons genadig!”.

Dat mogen wij ook leren. We denken soms, dat ons iets toekomt. Misschien gaan wij al tien jaar regelmatig naar de samenkomsten van de gemeente of wij verbreiden al een lange tijd het evangelie en menen, dat God ons daarom iets schuldig is. Hij moet ons daarvoor nu belonen. Maar we hebben niets verdiend. Wanneer Hij ons in de moeilijkheden komt helpen, is het alleen genade. God wil graag dat wij in de beproeving leren, dat wij alleen op Zijn genade steunen en ons niets meer inbeelden.

Van twee zijden verdrukt

Het overblijfsel is enerzijds het voorwerp van de “spot van de zorgelozen”. Dat is de Assyriër, de koning van het noorden, met zijn leger. Zorgeloos betekent ook overmoedig. Zo wordt de Assyriër meermalen in de Bijbel genoemd. In 2 Koningen 19 vers 28 spreekt God profetisch van hem: “Omdat u tegen Mij tekeer bent gegaan, en uw hoogmoed is opgeklommen tot in Mijn oren”. De getrouwen, die nog in Jeruzalem zijn, ervaren de bedreiging van de koning van het noorden precies zo als de ongelovige joden, die de antichrist volgen.. Want de Assyriër valt met zijn leger Jeruzalem binnen en verwoest de stad. Dat heeft ook voor het overblijfsel zware verdrukking tot gevolg.

Anderzijds worden ze ook door de “verachting van de hoogmoedigen” bedreigd. Dat zijn de antichrist en zijn aanhangers, die het merkteken van het beest aannemen zullen (Openb. 13:16,17). Dezen vervolgen de gelovige joden omdat zij weigeren dit merkteken te dragen (Openb. 20:4).

In deze Psalm zien de joden niet op die nood terug, maar bevinden zich er middenin. Dat is een groot onderscheid. Wanneer wij op moeilijke dagen terugblikken, denken we aan onze gevoelens en tegelijk ook aan de hulp die wij van God ervaren hebben. Maar wij moeten niet vergeten hoe we  ons voelden, toen wij middenin de nood verkeerden. Dat maakt Paulus in 2 Korinthe 1 duidelijk. Eerst spreekt hij – terugblikkend op de moeilijkheden – over de hulp van God. Hij spreekt over de God en Vader van onze Heer Jezus Christus en noemt Hem de Vader van de ontfermingen en de God van alle vertroostingen die ons bijstaat en ons uit alle verdrukking redt (2 Kor. 1:3-7). Maar dan beschrijft hij zijn ervaringen toen hij en zijn medearbeiders zich in de verdrukking bevonden: Zij werden “boven vermogen” verzocht, zodat zij “zelfs aan het leven wanhoopten” (2 Kor. 1:8). Het tweede komt overeen met de ervaringen en indrukken in Psalm 123.

Max Billeter, © Beröa Verlag

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol