1 jaar geleden

God vertrouwen in moeilijke tijden (15)

De dienst aan God

Deze drie psalmen leiden ons naar de hoogste gedachten van God in de pelgrimsliederen.

  • Psalm 132 stelt ons de plaats van het samenkomen van de gelovigen voor. Het is tegelijk de plaats van de rust van God.
  • Het thema van Psalm 133 is de vrede en de eendracht onder het volk van God.
  • In Psalm 134 vinden we de aanbidding die het verloste volk brengt, en de zegen die God aan Zijn volk schenkt.

In de toekomst zal Sion de plaats zijn, waar God wonen zal. Daar, waar de nieuwe tempel staan zal, zullen de gelovige Israëlieten elkaar in het duizendjarig rijk eenstemmig en in vrede ontmoeten, om God te aanbidden en door Hem gezegend te worden.

Toepassing op ons

Vandaag kennen we uit het Woord van God de plaats van het samenkomen als gemeente. Het is de plaats, waar twee of drie tot de Naam van de Heer Jezus vergaderd zijn, dat wil zeggen waar gelovigen volgens de bijbelse aanwijzingen elkaar ontmoeten. Zij mogen zich in vrede vergaderen, God aanbidden en Zijn zegen bij de verkondiging van het Woord ontvangen.

Let op de volgorde. Het begint niet met vrede, maar met de bijbelse grondslag over het samenkomen. Wanneer wij gelovigen op onze gemeenschappelijke weg de vrede op de eerste plaats stellen en hen ten koste van de waarheid bewaren willen, zullen we nooit vrede hebben. In Jesaja 48 staat er: “Och, had u maar acht geslagen op Mijn geboden! Dan zou uw vrede geweest zijn als een rivier”. En verder: “Voor  de goddelozen is er echter geen vrede, zegt de HEERE” (vs. 18,22). Nooit mogen wij ter wille van de vrede compromissen sluiten met de waarheid.

De plaats van het samenkomen

Psalm 132

1. Een pelgrimslied.
HEERE, denk aan David, aan al zijn lijden,
2. hoe hij de HEERE gezworen heeft, de Machtige Jakobs deze gelofte deed:
3. Nee, ik ga mijn tent, mijn huis, niet binnen, ik leg mij op de rustbank, mijn bed, niet neer;
4. ik gun mijn ogen geen slaap, mijn oogleden geen sluimer,
5. totdat ik voor de HEERE een plaats gevonden heb, een woning voor de Machtige Jakobs!
6. Zie, wij hebben van de ark gehoord in Efratha, hem gevonden in de velden van Jaär.
7. Laten wij Zijn woning binnengaan, ons neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten.
8. Sta op, HEERE, ga naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw macht.
9. Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, laat Uw gunstelingen juichen.
10. Wijs het gebed van Uw gezalfde niet af, omwille van David, Uw dienaar.
11. De HEERE heeft David in waarheid gezworen, en Hij zal daar niet van afwijken: Eén van de vrucht van uw schoot zal Ik op uw troon zetten.
12. Als uw zonen Mijn verbond in acht zullen nemen en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal, zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten.
13. Want de HEERE heeft Sion verkozen, Hij heeft het begeerd tot Zijn woongebied.
14. Dit is, zei Hij, Mijn rustplaats tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want naar haar heb Ik verlangd.
15. Haar voedsel zal Ik rijk zegenen, haar armen met brood verzadigen.
16. Haar priesters zal Ik kleden met heil, haar gunstelingen zullen uitbundig juichen.
17. Daar zal Ik voor David een hoorn doen opkomen en voor Mijn gezalfde een lamp gereedmaken.
18. Ik zal zijn vijanden met schaamte kleden, maar op hem zal zijn diadeem schitteren.

De rust van God

Psalm 132 is het langste pelgrimslied. Hoewel er geen auteur aangegeven is, zijn we er zeker van dat Salomo dit pelgrimslied gedicht heeft. We komen tot deze slotsom, omdat Salomo  in zijn gebed in 2 Kronieken 6 vers 41-42 vers 8-10 van Psalm 132 bijna woordelijk uitspreekt. Deze Psalm bestaat uit drie delen:

  • Vers 1-7 beschrijven de smart van David;
  • vers 8-10 behelst het gebed van Salomo;
  • vers 11-18 zijn het antwoord van God op de smart van David en het gebed van Salomo.

De eerste grote gedachte van deze Psalm is de rust van God. En de tweede daaruit afgeleide gedachte is: Wanneer God rust, dan komt ook Zijn volk tot rust. Een dichter drukt dit feit met het oog op het verlossingswerk van de Heer Jezus als volgt uit: “Daar waar God met vreugde rust, ben ik ook in vrede gezet”. In onze Psalm is dit principe op het wonen van God onder Zijn volk van toepassing.

In het duizendjarig rijk

Psalm 132 heeft betrekking op 1 Kronieken 13-15, waar koning David voor de ark een rustplaats zocht. Deze gebeurtenis wijst op de tijd van het duizendjarig rijk, wanneer God in de nieuw gebouwde tempel weer Zijn woonplaats onder het volk van Israël hebben hebben zal.

Dan zal God met de eerste schepping tot rust komen. Het scheppingsbericht wijst daar al op. In zes dagen voerde God Zijn scheppingswerk uit en op de zevende dag rustte Hij. Ook het sabbatgebod verwijst daarheen. Voor het volk van Israël moest de zevende dag, de sabbat, een rustdag zijn. De zevende dag spreekt beide malen profetisch van de rust van God in de eerste schepping in het duizendjarig rijk.

Uit de Hebreeënbrief weten we, dat “er voor het volk nog een sabbatsrust over blijft” (Hebr. 4:9). Het is een grote vreugde voor ons, dat het aardse volk van God in het duizendjarig rijk evenals God Zelf tot rust komt. Daarnaar verwijst deze Psalm leerstellig gezien.

In de nieuwe schepping

Uit het Nieuwe Testament weten we dat er een nieuwe schepping is. Zij begon met de opstanding van de Heer Jezus. Als de Eerstgeborene uit de doden is Hij het begin van de nieuwe schepping (Kol. 1:18).

Dat gebeurde op de eerste dag van de week of anders uitgedrukt op de eerste dag van een nieuwe week. Acht is het getal van een nieuw begin. Alle verlosten van de genadetijd, die de gemeente van God vormen, behoren ook tot de nieuwe schepping (2 Kor. 5:17). In de eeuwige toestand, wanneer God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde scheppen zal, zal de nieuwe schepping volledig tot ontplooiing komen. De eeuwige rust van God zal in de eeuwige toestand werkelijkheid worden (Openb. 21:1-4).

Als God met de nieuwe schepping iets nieuws schept, betekent dat niet, dat Hij met de eerste schepping niet tot het doel komen zal. Het is Hem niet mislukt. We weten dat zij door de zondeval in gemeenschappelijk lijden getrokken werd. Zo zucht zij en ligt in barensnood tot nu toe (Rom. 8:22). Mensen en dieren lijden daaronder, zelfs de plantenwereld is uit haar biologisch evenwicht geraakt. Dat zal zo blijven totdat God in het toekomstig vrederijk deze gevolgen van de zondeval wegnemen en met de eerste schepping tot het doel komen zal.

De zegeningen van het nieuwe verbond

Wanneer deze Psalm de rust van God in het duizendjarig rijk voorstelt, vragen we ons af: Hebben de gelovigen van de genadetijd wel iets met dit rijk te maken? Jazeker! We willen een toekomstig en een tegenwoordig aspect tonen:

  • We zullen van de hemel uit aan dit rijk deelhebben. Als hemels volk zullen we met de Heer Jezus in het hemelse Jeruzalem over deze aarde heersen. Dat is ons toekomstig aandeel in het komende rijk.
  • Maar we mogen op de zegeningen die God toekomstig in dit rijk geven zal, nu al op geestelijke wijze vooruitlopen. Het nieuwe verbond zal niet met ons, maar met het volk Israël gesloten worden. Maar de daarmee verbonden geestelijke zegen genieten we nu al. Verschillende bijbelverzen bewijzen dit feit.
  • In 1 Korinthe 11 wordt bij het broodbreken van het nieuwe verbond gesproken: “Dit is het nieuwe verbond in Mijn bloed”. We weten dat ons de zonden op grond van de dood van de Heer Jezus vergeven zijn. Het volk Israël zal deze zekerheid pas in het duizendjarig rijk bezitten (Jes. 40:2).
  • In 2 Korinthe 3 vers 6 noemt Paulus zich een dienaar van het nieuwe verbond, niet van de letter, maar van de Geest. Hij toont daarmee aan, dat wij de zegeningen van het nieuwe verbond niet letterlijk, maar nu al geestelijk bezitten.
  • Petrus stelt ons de absolute heerschappij van de Heer Jezus in het vrederijk voor en leidt daaruit af, dat wij persoonlijk vandaag al Zijn heerschappij over ons erkennen (1 Petr. 3:5).

Wanneer God in het duizendjarig rijk tot rust komt, omdat allen zich onder de heerschappij van de Heer Jezus stellen, zo kan Hij vandaag al op die plaats rust vinden, waar gelovigen in het samenkomen de autoriteit van de Heer Jezus principieel en praktisch erkennen.

De woon- en rustplaats van God

Het was altijd al de wens van God in het midden van een volk te wonen en rust te vinden. Toen Hij Mozes de aanwijzingen voor de bouw van de ark van het verbond gaf, voegde Hij eraan toe: “Dan zal Ik u daar ontmoeten en … zal Ik met u spreken over alles wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal” (Ex. 25:22). Zo troonde God op de ark eerst in de tent van de samenkomst en later in de tempel in het midden van het volk Israël.

Toen kwam de Zoon van God op aarde. De evangeliën beschrijven Zijn leven en tonen ons, dat Hij hier ook een rustplaats had. In Bethanië woonden mensen, die Zijn Persoon waardeerden en Zijn autoriteit erkenden. Daar rustte Hij in het midden van hen, die Hem liefhadden.

Heeft Hij vandaag ook een rustplaats? Ja, daar, waar twee of drie tot Zijn Naam vergaderd zijn. Aan deze plaats heeft Hij Zijn tegenwoordigheid beloofd en daar is vandaag een plaats van rust voor Hem. Omdat Hij daar rusten kan, is er ook voor ons rust.

Zeker hebben we allen in de hectiek van onze tijd, in de stress van het beroep, in het bijzonder in moeilijke tijden al ervaren, dat wij op de plaats van samenkomen aan de voeten van de Heer rust vonden. Dat is het karakter van Bethanië, want daar genoot Maria de rust aan de voeten van de Heer.

Echter vinden we de ark van het verbond in het duizendjarig rijk niet meer. Zij – die een beeld van de Persoon en het werk van de Heer Jezus is – zal dan door de werkelijkheid, de Heer Zelf, vervangen worden. De nieuwe tempel zal de woonplaats van God zijn. Daar vindt Hij in het midden van het volk Israël Zijn rust.

Het lijden van David

In de verzen 1 tot 7 vinden we als eerste de grondslag van het samenkomen van de gemeente aangeduid: Het is de dood van de Heer Jezus aan het kruis. Dit lijden van David laat ons denken aan het kruis van Golgotha, waar Jezus geleden heeft en gestorven is. Daar heeft Hij de grondslag gelegd, zodat hier op aarde een rustplaats zijn kan. Zo is Zijn verlossingswerk de voorwaarde voor de rust in het duizendjarig rijk en voor het samenkomen tot Zijn Naam.

In Genesis 22 geeft God Abraham de opdracht: “Neem toch uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, ga naar het land Moria, en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen die Ik u noemen zal” (Gen. 22:2). Een verdere melding van Moria vinden we in 2 Kronieken 3 vers 1: Salomo bouwde de tempel op de berg Moria, op de plaats waar de Heer aan zijn vader David bij de dorsvloer van Ornan, verschenen was. Daarmee wordt het feit bevestigd, dat het verlossingswerk van de Heer Jezus – uitgebeeld in Genesis 22 – de grondslag voor het wonen van God op aarde is.

Onze inspanning

Met welk een ijver zocht David de ark en spande hij zich in om een rustoord voor haar te vinden. Zo is het samenkomen als gemeente niet alleen met rust, maar ook met inspanning verbonden. Er is ten eerste eenmaal inzet nodig om deze kostbare plaats uit het Woord van God te leren kennen.

Zodra wij dan de gedachten van God daarover in de praktijk omzetten, merken we: Er zijn ook moeilijkheden, daar wordt onze hele inzet gevraagd. Dat God ons het samenkomen tot de Naam van de Heer Jezus mogelijk maakt, is een grote zegen. Maar wanneer we daarbij onze verantwoordelijkheid willen nakomen, ervaren we iets van inspanning die van onze kant nodig is.

De beslissing van ons hart

Met het oog op de woonplaats van God legt David een gelofte af voor zijn God, dat wil zeggen: hij had in dit opzicht zich dit vast voorgenomen. Evenzo is er een voornemen van het hart nodig om het samenkomen tot de Naam van de Heer Jezus te leren kennen en gemeenschappelijk te verwerkelijken. Zonder dit voornemen zal ons dit op den duur niet mogelijk zijn. Want er komen altijd weer moeilijke tijden. Wie dan niet met een voornemen van het hart bij de Heer blijft, loopt gevaar deze kostbare plaats te verlaten. Wanneer we echter dit voornemen genomen hebben, zullen we ons met geheel onze kracht voor het samenkomen als gemeente inzetten.

Geen gemak

David stond zichzelf geen slaap toe, totdat hij voor de ark een plaats gevonden had. Zo is in het samenkomen als gemeente geen plaats voor gemak en traagheid.

Gemak begint al daarmee, dat wij de samenkomsten verzuimen. Misschien zijn we moe of hebben we hoofdpijn, zodat wij ons inbeelden: Vandaag kan ik niet gaan. Met deze instelling zullen we de zegen van dit samenkomen missen!

We vergaderen ons niet om het ons goed te laten gaan. Deze plaats is ook geen warenhuis, waar men alleen heengaat om iets voor het geestelijk welzijn te halen. We kunnen niet samenkomen om het gezellig te hebben. Dat geldt ook voor de zusters. Hoewel zij in de samenkomsten zwijgen moeten, mogen zij zich evenals de broeders geen geestelijke slaap toestaan. Hoe belangrijk zijn aan het begin van een samenkomst de gebeden, die uit wakkere harten tot de Heer omhoog stijgen, zodat wij de zegen in Zijn tegenwoordigheid ervaren.

De plaats vinden

Zou David als koning niet zelf beslissen kunnen, waar de plaats van de ark zijn moest? Neen, hij was zich ervan bewust, dat God Zelf deze plaats bepaalde. Hij wilde “een plaats voor de Heer” vinden. Als christenen vinden we de plaats van het samenkomen in de bijbel beschreven.

In Hooglied 1 vers 7 verlangt de bruid niet eenvoudig naar voeding en rust, maar zij vraagt: “U, Die ik innig liefheb, maak mij bekend waar U de kudde weidt”. Vandaag vragen wij: Waar wil de Heer ons geestelijke voeding en rust geven?

In Lukas 22 geeft de Heer twee discipelen de opdracht om het Pascha voor te bereiden. Zij echter vragen Hem: “Waar wilt U dat wij het bereiden?” Op deze vraag heeft de Heer gewacht en Hij geeft daarop duidelijke aanwijzingen (Luk. 22:8-13). Hij wacht ook vandaag op onze vragen naar de plaats van het samenkomen. Wanneer wij oprecht daarnaar bij Hem informeren, toont Hij ons de plaats waar de Zijnen zich vandaag vergaderen moeten.

In Mattheüs 18 vers 20 staat niet wanneer twee of drie zich vergaderen, maar waar twee of drie vergaderd zijn. Dat is passief, want zij zijn door Iemand op deze plaats geroepen. Het is de Heer, Die vandaag door het Woord van God de gelovigen op die plaats brengen wil, waar Hij in het midden is. Wanneer wij Hem gehoorzamen, zal Hij ons naar deze plaats leiden.

In Zijn Woord, in het bijzonder in Mattheüs 18 vers 15-20 en in de Korinthe-brief – onderwijst de Heer ons over de beginselen van het samenkomen van de gemeente. Het gaat er dus niet om, dat we onze eigen ideeën verwerkelijken, maar Zijn aanwijzingen opvolgen. Dan ervaren we nog vandaag Zijn tegenwoordigheid in de samenkomsten.

De ark van het verbond – een beeld van de Heer Jezus

De ark is een beeld van de Heer Jezus, zoals Hij persoonlijk in het midden van Zijn volk woont. Ze bestond uit twee delen, uit een kist en een deksel1 – vertaler.

De kist spreekt van Zijn Persoon. Zij was van acaciahout en zuiver goud gemaakt. Het hout duidt de mensheid van de Heer Jezus aan en het zuivere goud Zijn Godheid.

  • Hij is door geboorte werkelijk Mens geworden en blijft eeuwig Mens. Maar als zodanig is Hij zonder zonde. Het Woord van God wijst met alle duidelijkheid daarop.
  • Gelijktijdig is Hij de eeuwige Zoon van God in hetzelfde niveau als de Vader en de Heilige Geest. Hij is alwetend, alomtegenwoordig en almachtig.

Deze belangrijke feiten over de Persoon van de Heer Jezus willen we vasthouden.

Het deksel met de twee cherubijnen spreekt van Zijn werk, dat onze Heiland aan het kruis volbracht heeft, want Hij werd uit gedreven werk (= geslagen) bereid. Dat wijst op Zijn lijden aan het kruis. Daar heeft Hij een volkomen verlossing bewerkt. Wie met zijn (of haar) zonden bij Hem komt, is voor eeuwig gered. Hij kan nooit meer verloren gaan. Wie Hem toch als Heiland verwerpt en meent op een andere wijze gered te worden, gaat verloren. Hij heeft de eeuwige straf te verwachten. Ook de heilsfeiten behoren tot het fundament van het christelijk geloof.

De waarheid over de Persoon van de Heer Jezus en over Zijn verlossingswerk vormen de elementaire grondbeginselen van het samenkomen van de gelovigen. Zo als de ark het centrum van de woning van God was, zo is de Heer Jezus het middelpunt van de plaats van het samenkomen. In Zijn Naam vergaderd te zijn, betekent dus in de eerste plaats de elementaire feiten van Zijn Persoon en van Zijn werk aan het kruis te erkennen en vast te houden.

In de tegenwoordigheid van de Heer

“Laten wij Zijn woning binnengaan …”. Wanneer we ons tot de Naam van de Heer Jezus vergaderen, gaan we niet naar de geloofsgenoten of naar een bekende prediker van het Woord van God, maar naar de Heer Zelf. Daar in het midden is Hij ons aandachtspunt. We verheugen ons in Zijn tegenwoordigheid te zijn en gedragen ons daarmee in overeenstemming.

“… ons neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten”. Is het ons bij elke samenkomst duidelijk, dat de Heer – hoewel onzichtbaar – aanwezig is? In het bewustzijn van Zijn tegenwoordigheid buigen onze harten zich in eerbied voor Hem neer. Wij buigen voor ons voor Zijn autoriteit en stellen ons onder de tucht en leiding van de Heilige Geest. Het is onze hoogste wens, dat in het samenkomen alleen Hij wordt geëerd.

Wanneer wij deze plaats van het samenkomen al iets langer kennen, ons ook regelmatig door de Geest van God door het opgeven van liederen, door gebeden of in de verkondiging van Zijn Woord gebruiken laten, willen we ons steeds weer opnieuw bewust zijn: De Heer is daar! Hij heeft de autoriteit in de samenkomsten! Hem komt alle eer toe!

Het gebed van Salomo

Het gebed van Salomo in vers 8 tot 10 bestaat uit vier beden, die we ook op het samenkomen als gemeente toepassen kunnen.

  • “Sta op, HEERE, ga naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw macht”. Hier gaat het er om, dat de Heer Jezus Zijn rustplaats in het midden van Zijn volk inneemt. Dat wordt dan werkelijkheid, wanneer we Hem alle rechten in de gemeente toekennen. Hij is de gastheer, Hij heeft het voor het zeggen.
  • Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid. In de genadetijd zijn alle gelovigen priesters en aanbidders. Zij moeten met gerechtigheid bekleed zijn. Wat wordt daarmee bedoeld? Onze priesterdienst moet in overeenstemming met God zijn. Het gaat hier om de praktische gerechtigheid. Daar vragen we ons af: Zijn ons gedrag en onze woorden recht voor Hem, wanneer we Hem aanbidden?
  • “… laat Uw gunstelingen juichen”. Een “vrome”2 – vertaler is ofschoon een oude, maar toch een belangrijke uitdrukking. Het omvat ons hele leven. Wanneer we weten willen, wat in de ogen van God een ‘vrome’ is, dan moeten we de Heer Jezus beschouwen.
    In Psalm 16 staat van Hem: “U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet”. Omdat Hij een godvruchtig, vroom leven geleid heeft, heeft God Hem uit de doden opgewekt. In Hebreeën 5 lezen we dat Hij vanwege Zijn godsvrucht verhoord werd (Hebr. 5:7). Zijn gebed in Gethsemané, dat Hij met sterk geroep en tranen geofferd heeft, heeft God in de opstanding beantwoord. Hij heeft Hem uit de dood verlost. Vroomheid of godsvrucht ontspringt in een hart, dat in gemeenschap met God leeft. Het wordt door de medemensen in het dagelijkse leven door ons gedrag waargenomen.Hier wordt nu de bede geuit, dat de gunstelingen jubelen. Dat is de echtheid in de aanbidding en hangt ook van ons persoonlijke dagelijkse  leven af. Onze Heer wil niet slechts vorm, maar echtheid in ons geloofsleven en in onze aanbidding. Op zondag loven we onze Heer en Heiland Die we in de week na gevolgd zijn.We mogen werkelijk blijmoedig zijn. Als men echter zo “religieus” is, dat men zich niet durft te verroeren om blijmoedig te zijn, dan is dat overspannen. Het andere gevaar is uitgelatenheid zonder eerbied tegenover de Heer. Maar echte godsvrucht en werkelijke blijmoedigheid sluiten elkaar niet uit.
  • Wijs het gebed van Uw gezalfde niet af, omwille van David, Uw dienaar”. Hier herkennen we dat Salomo in deze Psalm spreekt. Zijn vader David is de dienaar en Salomo is de gezalfde.Beide wijzen op de Heer Jezus. David stelt Hem in Zijn lijden voor en Salomo in Zijn heerlijkheid. Het gaat hier om de wens, dat wij in elk uur van het samenkomen ons met de Heer onder deze beide aspecten bezighouden. Over Zijn lijden na te denken, vervult onze harten met dankbaarheid. Het beschouwen van Zijn heerlijkheden geeft ons vreugde in het hart.Jezus Christus, Die eens voor ons geleden heeft, is nu boven in de heerlijkheid het middelpunt van Goddelijke macht. De apostel Petrus stelt deze beide thema’s in zijn eerste brief voor: “… de Geest van Christus, die in hen was, aanduidde, toen Hij tevoren getuigde van het lijden dat over Christus [zou komen] en van de heerlijkheden daarna” (1 Petr. 1:11).

Het antwoord van God

Eerst antwoordt God op het lijden van David (vs. 11,12) en aansluitend op de beden van Salomo (vs. 13-18). Ook dit gedeelte geeft ons verschillende onderwijzingen over het samenkomen van de gelovigen vandaag.

De heerschappij en de tegenwoordigheid van de Heer

In vers 11 geeft God David een onvoorwaardelijke belofte: “Eén van de vrucht van uw schoot zal Ik op uw troon zetten”. Dit zal volledig vervuld worden, wanneer Jezus Christus, de Zoon van David, in het duizendjarig rijk Zijn heerschappij zal aanvaarden. Dan zal Hij de troon van David bestijgen. Onafhankelijk van het gedrag van het volk Israël zal deze belofte vervuld worden.

In vers 12 daarentegen staat: “Als uw zonen Mijn verbond in acht zullen nemen en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal, zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten”. Hier is de heerschappij aan een voorwaarde verbonden. Enkele nakomelingen van David hebben God gehoorzaamd, maar het grootste deel van de koningen heeft gefaald. Daarom kwam het volk Israël in ballingschap en de troon van David verdween. Deze beide gezichtspunten zijn ook van invloed op het samenkomen als gemeente. De objectieve kant van vers 11 wordt waar, wanneer we de principes van het Woord van God over de gemeenschappelijke weg van het samenkomen vasthouden en leerstellig alles verwerpen, wat daartoe niet behoort.

De subjectieve kant van vers 12 is aan een voorwaarde verbonden. Wanneer we in de afzonderlijke samenkomsten de autoriteit van de Heer praktisch erkennen, doordat we ons onder de leiding van de Heilige Geest stellen, ervaren we de tegenwoordigheid van de Heer zeer reëel als een zegen. Wanneer we echter in de samenkomsten eigenwillig en vleselijk zijn en door ons gedrag de autoriteit van de Heer loochenen, kan het tot schade voor de aanwezigen zijn.

Een voorbeeld daarvoor vinden we in 1 Korinthe 11 vers 17-22. De gelovigen in Korinthe kwamen ten kwade samen. Hun samenkomsten waren niet tot zegen, maar tot schade voor de vergaderden, omdat zij vleselijk waren en de rechten van de Heer praktisch negeerden.

Beide zijden zijn van grote betekenis. Wanneer de zedelijke toestand in een gemeente slecht is, loopt men gevaar de beginselen op te geven. Maar dan is het noodzakelijk vast te houden: De Heer is in het midden, wanneer Zijn aanwijzingen de basis van het samenkomen vormen. Aan de andere kant worden we aangespoord ons in het dagelijks leven en in de samenkomsten juist te gedragen, opdat we de tegenwoordigheid van de Heer praktisch ervaren. Dan komt in de afzonderlijke samenkomsten dat tot uitdrukking, wat principieel waar is.

De Heer bepaalt

“Want de HEERE heeft Sion verkozen”. Daarmee bevestigt de Heer het feit, dat Hij de plaats bepaalt, waaraan Hij Zijn tegenwoordigheid belooft. Onze eigen voorstellingen en ideeën over het samenkomen van de gelovigen worden niet gevraagd. De Heer heeft Zelf in Zijn Woord de beginselen voor de gemeenschappelijke weg van de christenen vastgelegd.

De Heer verlangt

“Dit is, zei Hij, Mijn rustplaats tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want naar haar heb Ik verlangd”. De Heer verblijdt Zich iedere zondag daar in het midden te zijn, waar gelovigen tot Zijn Naam vergaderd zijn. Toen Hij met Zijn discipelen over Zijn dood sprak, zei Hij in Johannes 16 vers 22: “… maar Ik zal u weerzien en uw hart zal zich verblijden”. Dat werd in Johannes 20 vervuld, toen Hij als de Opgestane in hun midden kwam. Daar verheugden de discipelen zich toen zij de Heer zagen. Maar we kunnen niet begrijpen welke vreugde in Zijn hart was, toen Hij bij hen kwam. Ja, Hij verlangt ook vandaag naar de plaats in het midden van de Zijnen!

De Heer geeft voedsel

Haar voedsel zal Ik rijk zegenen, haar armen met brood verzadigen”. Wanneer we rondom het Woord samenkomen, deelt de Heer geestelijke voeding uit. Hij doet het door broeders, die Hij een gave daartoe gegeven heeft. Een mooie illustratie daarvan geeft de spijziging van de menigte in Mattheüs 14 ons. De Heer neemt de vijf broden en de twee vissen, zegent het en laat deze voeding door Zijn discipelen verdelen. Allen worden verzadigd en er blijven nog 12 korven vol over.

De priesters en de ‘vromen’

In vers 16 antwoordt God op twee beden van Salomo in vers 9. Salomo vroeg: “Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid …”. Het antwoord luidt: “Haar priesters zal Ik kleden met heil …”. God gaat in Zijn genade boven de vraag van Salomo uit (Ef. 3:20).

Hij schenkt de oprechten niet alleen overeenstemming met God (gerechtigheid), maar ook het bewustzijn van zijn volledige aanname bij God (redding). Dat is een belangrijke voorwaarde voor aanbidding. Alleen wie voor zichzelf in het verlossingswerk van de Heer Jezus rust gevonden heeft, kan God vrijmoedig loven en aanbidden.

Verder bad Salomo: “… laat Uw gunstelingen juichen“. En God antwoordt: “… haar gunstelingen zullen uitbundig juichen“. Ook hier geeft God meer dan Salomo vraagt. Wanneer wij gemeenschappelijk voor de Heer met lof en dank in onze harten zijn, houdt Hij ervan, onze aanbidding te vermeerderen en te verdiepen.

Zijn lijden en Zijn heerlijkheid

“Daar zal Ik voor David een hoorn doen opkomen en voor Mijn gezalfde een lamp gereedmaken”. Dit antwoord van God heeft betrekking op vers 10. Weer gaat het om David en Salomo. De hoorn spreekt van kracht en de lamp van inzicht. Wanneer in de samenkomsten de Heer Jezus in Zijn lijden en in Zijn heerlijkheid een diepe indruk op ons maakt – zoals David en Salomo Hem vooraf voorstellen -, dan krijgen we kracht en inzicht voor een God welgevallig leven.

De overwinning over de vijand

“Ik zal zijn vijanden met schaamte kleden, maar op hem zal zijn diadeem schitteren”. De kroon symboliseert de overwinning, die de Heer Jezus op het kruis van Golgotha behaald had. Daar heeft Hij over de duivel, de dood en de zonde getriomfeerd. Deze overwinning zal eenmaal openlijk zichtbaar worden, wanneer Hij in grote macht en heerlijkheid verschijnen zal. Maar wij mogen vandaag al Zijn overwinning bewonderen en bezingen.

NOTEN VERTALER:
1. Verzoendeksel; verg. Rom. 3:25.
2. Een gunsteling.

 

Max Billeter, © Beröa Verlag

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol