1 jaar geleden

God vertrouwen in moeilijke tijden (12)

Psalm 129-131:

De Psalmen 126 tot 128 tonen ons, hoe de gevluchten en de achtergeblevenen uit het overblijfsel van Israël bijeengebracht worden.

Het is nu Gods bedoeling deze getrouwen uit het volk Israël tot aanbidding te leiden. Dit doel wordt in het laatste pelgrimslied bereikt: “Kom, loof de HEERE, alle dienaren van de HEERE, u die nacht aan nacht in het huis van de HEERE staat” (Ps. 134:1).

De Psalmen 129 tot 131 zijn enerzijds het resultaat van de voorgaande pelgrimsliederen. God heeft het overblijfsel door diepe noden gevoerd om hen geheel tot Zich terug te brengen. Anderzijds stellen ons deze drie psalmen de voorwaarden voor ware godsdienst, voor echte aanbidding voor.

Ze tonen het volgende verloop:

  • Psalm 129 beschrijft de verdrukking van buiten, in het bijzonder door de God vijandige wereld;
  • door de druk van buiten ontstaat in Psalm 130 een werk in de harten van de gelovigen. Zij erkennen hun treurige toestand, bekeren zich en ervaren de vergeving van God;
  • in Psalm 131 vinden we ware verootmoediging als gevolg van de innerlijke omkeer tot God

Toepassing op ons

Ook wij gaan soms persoonlijk en gemeenschappelijk door moeilijkheden. Deze noden zijn nooit zo zwaar als die, die het Joodse overblijfsel zal doormaken. Maar het doel is hetzelfde. God wil ons door de beproevingen voor de aanbidding toebereiden. Enerzijds moet onze innerlijke toestand in overeenstemming met Hem gebracht worden en anderzijds moet ons meer en meer de nederige geest van de Heer Jezus kenmerken.

De vijand van God wil door moeilijkheden verhinderen, dat mensen zich bekeren en gelovigen gelukkig zijn. Maar zijn hoofddoel is God daarmee de aanbidding te onthouden. God is echter sterker dan de vijand en beoogt onze lof en onze aanbidding door de beproevingen te verdiepen.

Psalm 129

1. Een pelgrimslied.
Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd – zeg dat toch, Israël.
2. Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd; toch hebben zij mij niet overwonnen.
3. Ploegers hebben mijn rug geploegd, zij hebben hun voren lang gemaakt.
4. De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen van de goddelozen afgehakt.
5. Laat beschaamd worden en terugwijken allen die Sion haten.
6. Laat hen worden als gras op de daken, dat verdort voordat men het uittrekt,
7. waarmee de maaier zijn hand niet vult, of de schovenbinder zijn arm;
8. en de voorbijgangers zeggen niet: De zegen van de HEERE zij met u, wij zegenen u in de Naam van de HEERE.

De wereld – een vijandige omgeving

Het overblijfsel staat nu op de drempel om het duizendjarig koninkrijk binnen te gaan en blikt terug op de ganse geschiedenis van het volk Israël. Dan wordt hem duidelijk: “Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd – zeg dat toch, Israël”. Reeds in Egypte in de tijd van zijn jeugd werd dit volk onderdrukt.

Deze uitspraak betreft ook de Heer Jezus. Nauwelijks geboren werd Hij door Herodes vervolgd. Jozef en Maria moesten met Hem naar Egypte vluchten. Zo werd het woord waar: “Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen” (Matth. 2:15; Hos. 11:1). Onze Heiland ondervond van kind af tot aan de kruisdood de verdrukking van de wereld.

De wereld verdrukt ook ons, de verlosten van de genadetijd, enerzijds met vijandschap en verachting en anderzijds met verlokking en verleiding. Zij valt in het bijzonder de jonge christenen aan. Ondanks dat blijft haar invloed tot op hoge leeftijd een gevaar. Alle kinderen van God leven in een spanningsveld van de verleiding en de vijandschap van de wereld.

Drie gebieden van de wereld en haar gevaren

Gods Woord onderscheidt de religieuze, de culturele en de politieke wereld. Het opschrift op het kruis van de Heer was in drie verschillende talen vervat, die elk aan een van deze gebieden toe te schrijven zijn. Hebreeuws staat voor de religieuze, Latijns voor de politieke en Grieks voor de culturele wereld (Joh. 19:20).

  • De religieuze wereld organiseert religie volgens menselijke ideeën. Deze tonen hoe religieuze mensen leven en samen willen werken. Het grote thema daarbij is: Organisatie en planning zonder God. Dat is een gevaar voor de gelovigen in het samenkomen als gemeente. Daarom wijst het Woord van God ons erop in de samenkomsten geen menselijke organisaties en ideeën te volgen, maar ons nuchter door de Geest van God en Zijn Woord te laten leiden.
  • De politieke wereld wordt door de afzonderlijke partijen beheerst, die zonder God bepaalde standpunten in de regering vertegenwoordigen. Ook dat is een gevaar voor ons, in het bijzonder voor jonge volwassenen. Wanneer er talent en neiging tot politiseren [1] zijn en men naar bepaalde ambten streeft, is de verleiding groot dit als springkussen tot verdere verworvenheden te benutten. Maar wij als hemelburgers hebben in de politiek niets te zoeken. We hebben alleen de opdracht voor de regering te bidden.
  • De culturele wereld organiseert vreugde zonder God. Met voetbalclubs of orkesten biedt zij bijvoorbeeld zulk vermaak aan. Een instrument bespelen of voetbal spelen zijn aardse vreugden, die de Heer ons gelovigen toestaat. Sommige verlosten zijn begaafde muzikanten of sportmensen. Zolang deze activiteiten in de juiste maat blijven, zijn ze niet verkeerd. Wie echter in een voetbalclub of aan een werelds orkest deelneemt, begeeft zich in de wereld.

Vier beelden van de wereld en haar gevaren

Het Oude Testament toont ons in verschillende beelden de wereld en haar gevaren voor ons. We willen er vier van noemen, die voor ons een groot probleem zijn:

  • Sodom is een beeld van de zedelijke verdorven wereld. Hoe sterk worden we daar vandaag mee geconfronteerd! Dan is het gevaar groot door de wereld tot zonde in immoraliteit en geweldpleging verleid te worden.
  • Egypte stelt de wereld voor zoals zij op aarde vreugde zonder God zoekt. Tijdens de tocht door de woestijn van de Israëlieten kwam een moment, waarop zij naar de vleespotten (de voeding) van Egypte terug verlangden. Zij wilden daarnaar terug om zich zonder God in het aardse te verheugen. God geeft ons veel op aarde – het beroep, het gezin, de vrije tijd, een mooi huis, enzovoorts -, dat wij met Hem genieten mogen. Maar wanneer het een of ander de eerste plaats in onze harten inneemt en wij ons zonder de Heer er naar uitstrekken, gaan wij – in beeld gesproken – terug naar Egypte.
  • Tyrus illustreert de handel drijvende wereld. Van dit groot gevaar spreekt de Heer Jezus in Mattheüs 13 vers 22. Daar wordt het zaad van het Woord van God uitgestrooid en in één geval door de zorgen van het leven en het bedrog van de rijkdom verstikt. Dat is dan het geval, wanneer wij ons in ons beroep zo vele zorgen maken of alleen aan geld verdienen en vooruitgang denken, dat daardoor het geestelijke leven verstikt wordt.
  • Babylon maakt de religieuze verleiding van de wereld duidelijk. Dat is misschien wel het gevaarlijkste van alles, omdat wij het vaak niet als van de wereld komend erkennen. Wij menen, het komt van de Heer, en toch is het een misleiding door de wereld.

In het bijzonder voor jonge gelovigen is de wereld een groot gevaar. Daarom willen we hen door een goed voorbeeld, door te wijzen op gevaren en door onze gebeden bijstaan. Maar niemand moet denken, dat hij nu zo oud is, dat de wereld geen gevaar meer voor hem vormt.

We kunnen enerzijds in de wereld gaan, doordat we met ongelovigen activiteiten uitoefenen, feesten vieren enzovoorts. Anderzijds kunnen we de wereld in ons leven toelaten, doordat we volgens haar principes denken, handelen en leven. Laten we waakzaam zijn en niet met de wereld spelen. Het is té gevaarlijk!

De overwinning over de wereld

Vers 2 herhaalt de uitspraak: “Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd”. De geschiedenis van het aardse volk van God van Egypte tot op vandaag getuigt van zware benauwdheden. Toch is dit volk niet vernietigd. Het bestaat nog altijd en heeft een wonderbare toekomst in het vooruitzicht.

Het overblijfsel dat op de drempel van het duizendjarig rijk staat, bevestigt: “toch hebben zij mij niet overwonnen”. God vervult alle beloften aan Israël en voert hen het koninkrijk van de zegeningen binnen.

De wereld benauwt ook ons daadwerkelijk van alle kanten. Zij vervolgt en veracht ons of wil ons beïnvloeden. Zonder iets van de ernst van de situatie weg te nemen, zeggen wij: “Toch heeft zij ons niet overwonnen”. Dat is de taal van het geloof, die steunt op de uitspraak van de Heer Jezus: “In de wereld hebt u verdrukking, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen” (Joh. 16:33).

Het enige dat ons voor de wereld en haar invloeden bewaart, is het feit dat wij Jezus Christus toebehoren, die aan het kruis de wereld overwonnen heeft. In ons hebben wij geen kracht tegen de wereld. Maar in een dagelijkse geloofsverbinding met de Heer Jezus kunnen wij de wereld overwinnen (1 Joh. 5:4).

Zware levensomstandigheden

“Ploegers hebben mijn rug geploegd, zij hebben hun voren lang gemaakt”. Dit vers spreekt in het algemeen over het lijden, waardoor het gelovige overblijfsel in de tijd van verdrukking gaan moet. Dit diepgaande lijden is echter voorwaarde hiervoor, dat er vrucht uit dit volk ontstaan kan. Want zonder te ploegen kan er niet gezaaid en geen oogst binnengehaald worden.

Ook wij ervaren situaties waaronder we te lijden hebben. In het leven kan het een tijdlang goed gaan en plotseling komt een probleem. Verrassend treft ons een zware ziekte of wij krijgen onverwacht ontslag van onze baan. Misschien plaagt ons ook de zorgen om een kind of de nood in de plaatselijke gemeente. Zulke moeilijkheden kunnen als een ploeg over onze rug gaan. Het zijn dus zware ingrepen in ons leven die ons gevoelig treffen. Maar God streeft daarmee naar een doel, zoals ons Psalm 130 tonen zal.

God onderscheidt en beoordeelt

“De HEERE, Die rechtvaardig is”. Asaf, die het als gelovige in het leven moeilijk had, was in Psalm 73 jaloers op de goddelozen. Misschien hebben wij ook weleens gedacht: De ongelovigen hebben het gemakkelijker dan wij. Maar laten we niet vergeten: God is rechtvaardig. Wanneer Hij in het leven van de gelovigen ook iets zwaars toelaat, zo maakt Hij toch een duidelijk onderscheid tussen hem, die in de Heer Jezus gelooft, en hem die goddeloos is.

De Zoon van God spreekt Zijn Vader in Johannes 17 vers 25  als “rechtvaardige Vader” aan en voegt eraan toe: “… en de wereld heeft U niet gekend, maar Ik heb U gekend, en dezen hebben erkend dat U Mij hebt gezonden”. De rechtvaardige Vader houdt enerzijds de wereld en anderzijds de mensen, die in relatie staan met Zijn Zoon duidelijk uit elkaar.

Zo hebben we het ook hier. In vers 1-3 gaat het om de gelovigen, in vers 4-8a om de goddelozen. Daar wordt ons het oordeel van God over hen voorgesteld. Het gaat in de eerste lijn om de antichrist en zijn aanhangers. De antichrist is niet alleen “tegen Christus”, maar hij doet de Heer Jezus ook bedrieglijk gelijkend na. De trouwe Joden lopen gevaar dit bedrog niet te herkennen. Daarom geeft God hen Zijn oordeel over de antichrist.

Ook wij laten ons soms door de vriendelijke woorden van de ongelovigen misleiden. Zo hebben ook wij nodig ons eraan te herinneren, hoe God de mensen beoordeelt die de Heer Jezus niet als Heiland willen aannemen.

Zij zijn goddeloos

In vers 4 worden zij goddelozen genoemd. Het zijn mensen die hun eigen wil doen. Dat is het karakter van de ongelovige mensen: Ze leven eigenzinnig en negeren Gods autoriteit. Helaas komt het voor, dat wij als verlosten ook onze eigen wil doen. Toch is dat sinds onze bekering niet meer ons levensprincipe.

Zij wijzen de genade af

De berg Sinaï spreekt van de wet en de berg Sion van genade. Daar begrijpen we het oordeel van God: De goddelozen haten de genade. Ze zijn misschien rechtschapen en doen veel goede werken. Maar juist daarom wijzen zij de genade af. Zij willen de redding verdienen. Hoewel zij normalerwijze graag iets gratis aannemen, wijzen zij de behoudenis in de Heer Jezus, dat God hen voor niets aanbiedt, af (Jes. 55:1; Openb. 22:17). Zij zijn te trots voor Zijn genade.

Helaas kan het ook zijn, dat wij als verlosten met de genade moeite hebben. Er heeft bijvoorbeeld iemand uit de wereld zich bekeerd en is van de ene dag op de andere in dezelfde positie geplaatst als wij, waarin wij misschien al 30 of 40 jaar op de weg van het geloof zijn. Ook in de dienst voor de Heer kan het voorkomen, dat wij de genade afwijzen. Daar geeft God een broeder een grotere gave dan aan ons, hoewel hij nog niet zolang bekeerd is. Dan lopen wij gevaar de genade van God in hem niet te herkennen. Een genadegave kan men niet bewerken, maar zij is – zoals de bijbel het uitdrukt – een genade en een gave. Het is absurd om daarop trots te zijn (1 Kor. 4:7)!

Zij hebben geen wortels

Het gras op de daken verdort voordat men het uittrekt, omdat het geen wortel heeft. Op het eerste gezicht lijkt dat niet zo. Gras zonder goed wortelwerk ziet er uiterlijk hetzelfde uit, als gras met diepe wortels. Pas de zon brengt het aan de dag. Het ene verdort terwijl het andere groen blijft.

De wortels stellen het verborgen leven voor. Ongelovige mensen hebben geen gemeenschap met God, ook al praten zij vroom. Dat is alleen maar schijn, omdat er geen levensverbinding met God voorhanden is. Wanneer het heet en moeilijk wordt verdwijnt ook het religieuze vernisje in hun leven.

Als gelovigen kunnen wij onze verborgen omgang met God verwaarlozen. Dat heeft noodlottige gevolgen in ons leven. Daarom vragen wij ons af: Is er in ons leven dagelijks een moment waarop we met de Heer alleen zijn? Deze onderhouden gemeenschap met Hem wapent ons voor de stormen van het leven.

Zij brengen geen vrucht voort

Bij de oogst is er geen vrucht. De maaier vult zijn hand niet met koren. Zo beoordeelt God het leven van de goddelozen. Er is niets voorhanden wat vrucht voor hen zou kunnen zijn. Er is iemand misschien een leven lang actief, bewerkt veel wat nuttig is voor de burgermaatschappij, maar voor God is er niets.

Dat willen we ook op ons toepassen. Dragen wij “in alle goed werk vrucht” (Kol. 1:10)? Kan God in ons leven iets van de Heer Jezus zien? Dat is vrucht voor Hem, die Hem vreugde geeft.

Zij ontvangen geen zegen

In vers 8 gaat het om twee groepen van mensen, enerzijds de goddelozen en anderzijds de gelovigen:

  • Daar gaan mensen aan de goddelozen voorbij, bezien hun leven en zeggen niet: De zegen van de HEERE zij met hen. In het leven van deze ongelovigen dat misschien succesvol is, wordt tenslotte zichtbaar dat geen zegen van God op hen rust.
  • Maar de gelovigen wordt toegeroepen: “wij zegenen u in de Naam van de HEERE”. Hoewel zij door de wereld verdrukt worden, worden zij door de Heer gezegend.
NOTEN:
1. Slim berekenend te werk gaan.

Max Billeter, © Beröa Verlag

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol