2 jaar geleden

God vertrouwen in moeilijke tijden (11)

Psalm 128:

1. Een pelgrimslied.
Welzalig is eenieder die de HEERE vreest, die in Zijn wegen gaat.
2. Want u zult eten van de inspanning van uw handen; welzalig zult u zijn en het zal u goed gaan.
3. Uw vrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok binnen in uw huis, uw kinderen zullen zijn als jonge olijfbomen rondom uw tafel.
4. Zie, zo zal zeker de man gezegend worden die de HEERE vreest.
5. De HEERE zal u zegenen vanuit Sion; u zult het goede van Jeruzalem zien, al de dagen van uw leven.
6. U zult de kinderen van uw kinderen zien. Vrede over Israël!

Een ernstige verantwoording

Onze verantwoording

Zoals we van Psalm 127 geleerd hebben, is de zegen voor ieder die de Heer Jezus toebehoort, verstrekt. Wat van onze kant nodig is om deze bron van zegen te ontsluiten, stelt ons Psalm 128 voor:

  • godsvrucht in het hart;
  • een leven met God;
  • inzet voor de Heer.

Daaruit ontstaat zegen, zoals het tweede deel van deze Psalm toont.

Godsvrucht

Godsvrucht heeft met onze innerlijke houding te maken. Dat is niet angst hebben voor God, maar de vrees iets te doen, wat Hem mishaagt. Ons hart en ons geweten stemmen zich in dit geval af op Gods Woord. Ze worden gevormd door dat, wat God over goed en kwaad zegt. Deze instelling heeft invloed op ons dagelijks leven en is een belangrijke vereiste, zodat wij de zegen van de Heer ervaren kunnen.

Een leven met God

“In Zijn wegen gaan” is een leven in overeenstemming met God. Nu gaat het om onze voeten. Zijn wij bereid om in ons leven de weg te gaan, die God ons wijst? Dan gaat het om dagelijkse gehoorzaamheid ten opzichte van Zijn Woord, zoals Zacharias en Elisabeth het verwerkelijkten: “Zij nu waren beiden rechtvaardig, wandelend in de geboden en inzettingen van de Heer” (Luk. 1:6). De Heer zal ons zegenen wanneer we ons leven met Hem leiden en Hem gehoorzamen.

Inzet voor de Heer

Want u zult eten van de inspanning van uw handen”. Zonder ijver en inzet is er geen zegen. Dat geldt enerzijds voor het lezen en onderzoeken van het Woord van God. Om de daarin vervatte zegen te ontsluiten, is geestelijke inzet nodig. Wilt u uw Heer en Heiland beter leren kennen, neem dan de tijd voor persoonlijke bijbelstudie. Geestelijke voeding ontvangt u in die mate, waarin u zich met Gods Woord bezighoudt.

Anderzijds wordt ook van een plaatselijke gemeente ijver en inzet gevraagd, opdat bij het volk van God zegen en bloei zal zijn.

Geluk en voorspoed

Wanneer ons hart recht voor de Heer staat, onze voeten Zijn weg inslaan en wij ons voor de zaak van de Heer inzetten, is er innerlijke en uiterlijke zegen. Ten eerste zullen we persoonlijk gelukkig zijn: “welzalig zult u zijn en het zal u goed gaan”. Wanneer we God in ons leven inbrengen, verandert ons gezichtsveld. We zien dan alles vanuit Zijn perspectief. De situatie verandert weliswaar niet, maar we hebben een “Yes” ten opzichte van de situatie in het huwelijk, in het gezin, bij het werk, en de plaatselijke gemeente. We houden op met morren en kunnen daarnaast, wat we meemaken, uit Gods hand aannemen.

Groei en vrucht

God wil een leven dat gericht is op Hem, nog meer bewerken. De vrouw als een vruchtbare wijnstok duidt aan, dat vrucht van de vreugde van God ontstaat. De zonen als olijfbomen wijzen op geestelijke groei. Beiden zijn een innerlijke zegen, die uit een verborgen leven met de Heer voortkomt:

  • Om vrucht voor God voort te brengen, moeten we in voortdurende gemeenschap met de Heer Jezus leven. “Ik ben de wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u niets doen” (Joh. 15:5).
  • Scheuten uit de olijfboom komen voort uit een verborgen wortelwerk. Wie in zijn leven wenst om hetgeen hij geleerd heeft uit het Woord van God te verwerkelijken, die groeit in het geloof. Dat begint in de verborgen omgang met de Heer en wordt tenslotte in een God welgevallig leven zichtbaar.

“Zonen” zijn in de Bijbel in het algemeen gelovigen of mensen, die inzicht hebben. Timotheüs was in geestelijke zin een zoon van Paulus. Deze jonge man erkende met zijn hart, wat God de gelovigen door de dienst van de apostel Paulus geopenbaard had. Timotheüs verstond de wonderbare gedachten over Christus en Zijn gemeente.

Hebben wij in de plaatselijke gemeente zulke zonen, die uit het Woord van God geleerd hebben, welke waarde de gemeente in de ogen van God heeft, en die weten hoe wij ons tot de Heer Jezus vergaderen? Het maakt de harten van oudere broeders en zusters gelukkig en is een zegen, wanneer jonge broeders en zusters een diepe overtuiging van de plaats van samenkomen tot de naam van de Heer Jezus ontwikkelen.

Zegen in de breedte

Vers 4 en 5 nu beschrijven ons de uiterlijke zegen. In vers 5 gaat de zegen van de Heer van Sion uit. Dan we denken aan de jonge gemeente in Thessalonika. Van haar staat er: “… zodat u een voorbeeld bent geworden voor alle gelovigen in Macedonië en <in> Achaje. Want van u uit heeft het woord van de Heer weerklonken, niet alleen in Macedonië en Achaje, maar in elke plaats is uw geloof jegens God uitgegaan …” (1 Thess. 1:7,8). Van deze jonge christenen ging een zegen tot anderen uit. We willen ons eens ernstig afvragen: Ben ik voor mijn omgeving een belasting of een zegen? Wanneer bij ons godsvrucht, een leven met God en een geestelijke inzet voorhanden zijn, geeft dat niet alleen persoonlijke vreugde, maar ook zegen voor anderen. Dat is ook gemeenschappelijk in een plaatselijke gemeente het geval, zoals het voorbeeld van de Thessalonicensen ons laat zien.

Zegen in de toekomst

“U zult het goede van Jeruzalem zien, al de dagen van uw leven. U zult de kinderen van uw kinderen zien”. Daarin kunnen we in beeld het voortbestaan van een plaatselijke gemeente zien. Bepaalde christenen menen, dat een gemeente is als een “perpetuum mobile” (Lat. <<zich voortdurend bewegend>>). Daarmee wordt een constructie bedoeld, die – eenmaal in gang gezet – eeuwig in beweging blijft, zonder dat haar van buiten af energie wordt toegevoerd. Maar op de gemeenschappelijke weg van de gelovigen is dat niet zo. Wanneer niemand zich voor het samenkomen inzet, houdt het met de tijd op. Daarom willen wij het onderwijs uit Psalm 128 verwerkelijken, opdat het voort blijft bestaan.

“U zult de kinderen van uw kinderen zien”. Kleinkinderen zijn een zegen. Dat laat ons het Woord van God steeds weer zien. Grootouders hebben aan hun kleinkinderen één ding: vreugde, want de verantwoording voor de opvoeding ligt niet bij hen. Zo verblijden zich oudere broeders {en zusters – vertaler}, wanneer jonge broeders en zusters regelmatig in de samenkomsten komen, de Heer liefhebben, zich voor zaak van de Heer inzetten en in het kleine trouw zijn. Dat is een zegen voor een plaatselijke gemeente!

Max Billeter, © Beröa Verlag

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol