9 maanden geleden

Gezegend met alle geestelijke zegening …

“Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus” (Ef. 1:3).

Na de inleiding begint de apostel Paulus met een lofzang die uit drie delen bestaat. Het feit dat hij een gevangene in Rome was (verg. Ef. 3:1; 4:1), lijkt, bij wat nu voor hem staat, volledig vergeten te zijn. Wat onze huidige omstandigheden ook zijn, zo mogen ook wij, als datgene wat God ons in de Heer Jezus gegeven heeft, ons door de apostel voorgesteld wordt, met deze lofzang instemmen.

Voordat de apostel Paulus over de zegeningen gaat spreken, stelt hij de Gever Zelf voor. Hoe geweldig het ook is wat we in de Heer Jezus hebben ontvangen, het moet en mag ons terugvoeren naar de Gever. De Bron van alle zegeningen, zoals deze ons hier worden voorgesteld, is niet de Almachtige of de Eeuwige (Jahweh), maar de meest volledige en hoogste openbaring als God en Vader, zoals we die hebben door de Heer Jezus. Hij alleen zou kunnen zeggen: “Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien” (Joh. 14:9; verg. Joh. 1:18; Hebr. 1:1). Het herinnert ons er ook aan, dat we nu in dezelfde betrekking met deze God en Vader gekomen zijn als de Heer Jezus hier als Mens op aarde (verg. Joh. 20:17).

Wat betreft het soort zegeningen, ze zijn geestelijk van aard. Bovendien hebben ze hun sfeer in de “hemelse gewesten”. Beide zijn typerend voor het christelijke tijdperk. Als we naar het volk Israël kijken, waren de zegeningen die hen waren beloofd typisch materieel en aards. Ook al kunnen we deze zegeningen (en in verschillende mate) bezitten, ze zijn niet typisch voor een christen. Maar “in Christus” heeft God ons veel hogere zegeningen gegeven, die echter van nature geestelijk en hemels van aard zijn.

Daarbij heeft God ons al gezegend in de Heer Jezus. Hoewel we ook ten volle pas van deze zegeningen in het huis van onze Vader zullen genieten en dan ook niets meer dit genot zal verminderen, zo bezitten we ze nu al op aarde en kunnen we ons ermee bezighouden en ervan genieten. En hoe meer we dat doen, hoe waardevoller ze voor ons worden, hoe meer we naar God en de hemel zullen kijken.

Daarbij zullen we ontdekken, dat we voor deze zegeningen moeten strijden. Natuurlijk strijden we niet om de zegeningen zelf, omdat ze “in Christus” zijn beveiligd. Maar het betekent vaak strijd en energie om ze persoonlijk in bezit te nemen, “je voeten erop te zetten” en ervan te genieten. Deze strijd is tegen Satan, die ons genot wil betwisten. Daarom wordt ons later gevraagd om “de hele wapenrusting van God” aan te trekken, zodat we “kunnen standhouden tegen de listen van de duivel” (Ef. 6:11). Deze strijd is dus geen strijd tegen “bloed en vlees” maar “tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse gewesten” (Ef 6:12). We zien dus dat Satan nog steeds toegang heeft tot bepaalde delen van de hemel (zie Job 2; Openb. 12:9,13). Daarom kunnen we onder de “hemelse gewesten” ook niet het huis van de Vader verstaan.

Wanneer ons in de “God en Vader” de Bron van alle zegeningen wordt voorgesteld, dan zien we ook dat de grondslag van deze zegeningen “in Christus” is. We zijn niet alleen gezegend “met” of “door” Christus, maar “in Christus”. Na het volbrachte werk aan het kruis, waardoor God boven alles verheerlijkt werd, heeft God de Mens Christus Jezus verheerlijkt en zegeningen op Hem gelegd. Het zijn precies deze zegeningen, waarmee ook wij nu “in Christus” gezegend zijn. Een heerlijke gedachte! Want is er iets, dat God aan de Heer Jezus onthouden heeft? Nee, niets! Daarmee zijn we met de hoogste zegeningen gezegend, die onze God en Vader te geven heeft – met alle geestelijke zegening. Er is niets dat God ons nog meer zou kunnen geven. Hij gaf ons ALLES in de Heer Jezus en het is in Hem beveiligd. “Hoe zal Hij die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?” (Rom. 8:32).

Als we het verschil tussen de zegeningen van het volk Israël nog eens willen bezien, dan waren deze niet alleen typisch materieel en aards, maar ook van hun eigen gedrag afhankelijk. Hoe anders is het, wanneer we bij onze typische christelijke zegeningen komen. Hier vindt alles zijn oorsprong in het hart van God en het is ons “in Christus” gegeven. Dat is precies het perspectief dat we hier moeten innemen. Gods gedachten over zegen, die Hij in Christus gevat heeft, hangen niet af van mijn gedrag in het verleden noch in het heden of toekomst. Er wordt ons hier op deze plaats niet voorgesteld hoe God geantwoord heeft op datgene, wat we nodig hadden – vergeving van onze zonden en rechtvaardiging. Ook kan mijn ontrouw niets van Gods zegen wegnemen, noch kan mijn trouw er iets aan toevoegen. Hier staat alleen God voor ons, wat Hij ons heeft gegeven uit een goddelijk liefhebbend hart. Niet wat wij nodig hadden noch wat we verdienden, maar wat Hij ons wilde geven.

Wat nu de individuele zegeningen in detail zijn, zien we in dit vers nog niet. Maar we hebben gezien, dat

  • … onze God en Vader de Bron van onze zegeningen is;
  • … we zijn gezegend met alle zegening, waarmee ook de verheerlijkte en opgestane Mens Christus Jezus door God is gezegend;
  • … bijgevolg er niets in het hart van God is, dat Hij ons nu nog meer zou kunnen geven;
  • … onze zegeningen geestelijk en hemels zijn, en van een oneindig hogere orde dan we van nature konden weten;
  • … we al deze zegeningen hier op aarde al bezitten, en niets en niemand ze van ons kan roven, maar we moeten ze persoonlijk in bezit nemen om ervan te genieten.

Als we dat zien, brengt ons dit dan niet alleen al tot aanbidding en instemming met de lofzang van de apostel Paulus?

Friedemann Werkshage; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 03.06.2017.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW