10 jaar geleden

Gewapende christenen (2)

Wanneer een soldaat aan het front moet strijden, zal hij zeker ook graag willen weten waar de strijd om gaat. Hij wil weten ‘waarvoor’ hij strijdt. Deze wetenschap zal hem ongetwijfeld motiveren en kracht geven om zich helemaal te geven en zich er helemaal voor in te zetten. Hij strijdt voor zijn land en voor haar belangen en wil ook graag de beste wapens hebben die er zijn. Zo gaat het vandaag immers in deze wereld. De christen strijdt ook ergens voor, namelijk om het genot en de zegeningen van ‘zijn land’, de ‘hemelse gewesten’. Tenminste als het goed is. Wanneer hij niet weet waarvoor hij strijdt, zal zijn aandacht en energie op iets anders richten. Daarom moet elke christen weten welke zegeningen hem en haar geschonken is in Christus. Daardoor zal hij de noodzaak en het voorrecht inzien om de hele wapenrusting van God aan te hebben. De meest arme christen is wat deze zegeningen betreft even rijk als de meer toebedeelde christen. Aardse zegeningen zijn veelal afhankelijk van gezondheid, rijkdom, macht en positie, opleiding of nationaliteit. Bij de hemelse zegeningen echter is dat helemaal niet van invloed. De hemelse zegening van mijn verlossing door het kostbare bloed van Christus is niet afhankelijk van mijn ‘komaf’ maar van Hem Die Zijn leven voor mij heeft gegeven, mijn Heer en Heiland. Hemelse zegeningen zijn niet ‘te koop’ maar worden ons ‘om niet’ aangeboden door de genade van God. Omdat het hemels van karakter en oorsprong is, is de allerarmste sloeber – als ik mij zo eens mag uitdrukken – net zo rijk als de rijkste christen van deze wereld. De zegeningen in de hemelse gewesten kunnen ook niet aan waarde inboeten. Integendeel, hoe meer we onze tijd en energie daarin beleggen, hoe rijker we ons weten in Hem …

Lezen: Efeze 6:10-22.

Eigenlijk zouden we – om de strijd te begrijpen waarin het in dit gedeelte gaat – de gehele brief moeten lezen. Het is daarom zeer raadzaam dat eerst te doen. In het begin van deze brief vinden we al de geweldige zegeningen in de hemelse gewesten. In Efeze 6 vinden we de strijd die gepaard gaat met in bezit nemen en het genieten hiervan. Hoe meer we wandelen in overeenstemming met deze heerlijke raadsbesluiten van God met betrekking tot Christus en Zijn gemeente, des te meer zullen we de tegenstand van satan ondervinden. Maar om ons geheugen en vooral ons hart weer ‘op te frissen’ kijken we toch kort naar die hemelse zegeningen in hoofdstuk 1.

Geestelijke zegeningen

Om te beginnen gaat de apostel terug naar de oorsprong en bron van alle zegeningen, namelijk naar God de Vader van onze Heer Jezus Christus. “Gezegend zij de God de Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten in Christus” (vers 3). Daarmee is de toon gezet! De hemelse zegeningen – en wel alle – zijn reeds nu ons bezit, en wel in Christus, want er staat: “gezegend heeft”. De uitdrukking hier “in de hemelse gewesten” laat duidelijk zien dat het hier niet om aardse zegeningen gaat, maar om hemelse. Dat zijn geen stoffelijke dingen, maar hemelse, niet-stoffelijke dingen. Bij het volk Israël gaat het om aardse, stoffelijke dingen. Deze zegeningen waren nauw verbonden aan de gehoorzaamheid van het volk. Om dit aan te tonen hier enkele verzen uit Deuteronomium 28: “En het zal geschieden, indien gij de stem van de HEERE, uw God, vlijtig zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u heden gebied, zo zal de HEERE, uw God, u hoog zetten boven alle volken der aarde. En al deze zegeningen zullen over u komen, en u ten deel vallen, wanneer gij de stem van de HEERE, uw God, zult gehoorzaam zijn. Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn in het veld. Gezegend zal zijn de vrucht van uw buik, en de vrucht van uw land, en de vrucht van uw beesten, de worp van uw koeien, en de kudden van uw kleinvee … De HEERE zal u opendoen Zijn goede schat, de hemel, om aan uw land regen te geven te zijner tijd, en om te zegenen al het werk uwer hand; …” (vers 1-4 en vers 12). En uit Leviticus: “Indien gij in Mijn inzettingen wandelen, en Mijn geboden houden, en die doen zult; Zo zal Ik u regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte des velds zal zijn vrucht geven” (vers 3-4). Wanneer u deze hoofdstukken verder leest, zult u hetzelfde aantreffen. Het waren dus aardse, stoffelijke zegeningen. Nu wil ik graag vooraf zeggen, dat u deze zegeningen niet moet vergeten en zeker niet minachten. Dat gevaar bestaat wel. Er zijn christenen die zich bijna uitsluitend met deze zegeningen bezig houden, en ervaren de goedheid en zorg en trouw van God hierin. Houdt dit zo!!! Ga daar vooral in door zou ik tot hen willen zeggen. De Heer zorgt inderdaad voor de Zijnen en weet wat wij nodig hebben aan stoffelijke, aardse dingen. “Loof de HEERE mijn ziel en vergeet geen van Zijn weldaden” (Psalm 103:2) is hierop zeker van toepassing. Maar ook in die Psalm gaat de lof allereerst uit naar de HEERE, naar Zijn heilige Naam (vers 1). Welnu, dat is ook het geval met de hemelse zegeningen die bestemd zijn voor de gemeente (Efeze 1:3). Eerst gaat de lof uit naar God de Vader. En wat we ons goed moeten realiseren, is dat in onze tijd het niet meer Jood en Griek is, maar er is sprake van één gemeente, waarvan Christus Jezus het Hoofd is. Daar is het niet meer Jood of Griek maar Jood en Griek. Dat vinden we overigens ook in Efeze 2 (zie vers 11-22).

Overigens ook in het brengen van offers vandaag zien we het verschil tussen ‘geestelijk’ en ‘stoffelijk’. We worden namelijk niet opgeroepen om een letterlijk offerdier te slachten, maar we worden als een ‘geestelijk’ huis dat bestaat uit ‘levende’ stenen opgeroepen om “geestelijke offeranden te offeren, die aangenaam zijn door Jezus Christus” (1 Petrus 2:5). Er bestaat terdege een offerdienst vandaag maar niet als de ceremoniële offerdienst van het oude verbond. Dat bestaat niet meer!

Maar tot hen die zich bijna uitsluitend bezig houden met ‘aardse zegeningen’ zou ik ook willen vragen om de aandacht eens te gaan richten op de geestelijke zegeningen die we in Christus ontvangen hebben. Zij zijn eeuwig van karakter en gaan alleen daarom al ver boven de aardse zegeningen uit. Het zijn zelfs de hoogste zegeningen omdat zij hemels van oorsprong, van doel en van karakter zijn! Mijn verlangen is dat u door deze overdenking wordt aangespoord om na te denken over uw positie in Christus en over de ‘geestelijke’ zegeningen in de hemelse gewesten. We moeten vooral niet denken dat dit voor ons praktisch leven als christen in deze tijd geen waarde heeft. De overdenking van deze eerste verzen uit hoofdstuk 1 zal ons dat ook bevestigen.

Een hemels lied met drie coupletten

Terug naar Efeze 1. Zoals een broeder ooit schreef, vormen vers 3-14 een ‘geestelijk lied’ dat uit drie coupletten bestaat. Zoals gezegd, het loflied begint met de Bron van al onze zegeningen. Het komt regelrecht uit het hart van God, onze Vader. Is het ontbreken van een lied in ons hart ook niet vaak te herleiden tot het ontbreken van kennis in ons hart van onze ‘nieuwe positie’ in Christus? “Daarom, als iemand in Christus is – een nieuwe schepping; het oude is voorbij gegaan, zie het is alles nieuw geworden. En alles is uit God, die ons met Zichzelf verzoend heeft door Christus …” (2 Korinthe 5:17-18). De geweldige voorrechten en zegeningen hieraan verbonden zijn zo groot, dat we bij wijze van spreken de eeuwigheid nodig hebben om erachter te komen hoe groot en hoe diep het allemaal is. De kennis van de rijkdommen die we in Christus bezitten, maakt ons tot ware aanbidders. De Vader zoekt in de eerste plaats geen evangelisten, herders of leraars, maar Hij zoekt ‘ware aanbidders’. Dat kunnen we zijn door Hem, onze God en Vader te aanbidden in “geest en waarheid” (zie Johannes 4:22-26). Het is goed hierbij te bedenken Wie is het is, die dit (in Johannes 4) uitsprak, namelijk onze Heer en Heiland.

Zoals dus iemand eens opmerkte, vormen vers 3-14 een geestelijk lied met drie coupletten. Hier volgen datgene wat ik van deze broeder overneem:

  1. Het eerste couplet (vers 3-6) gaat terug tot het verre verleden (in den beginne) en het onderwerp is: God de Vader. Het eindigt met de woorden: “tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade”;
  2. het tweede couplet (vers 7-12) heeft betrekking op de tegenwoordige tijd en het onderwerp is: God de Zoon. Het eindigt met de woorden: “tot lof van Zijn heerlijkheid”;
  3. het derde couplet (vers 13-14) wijst op de toekomst en het onderwerp is: God, de Heilige Geest. Het eindigt met de woorden: “tot lof van Zijn heerlijkheid”.

Deze drie coupletten zijn met elkaar verbonden door wat van de Heer Jezus gezegd wordt: “de Geliefde” (vers 6), “in Christus” (vers 12) en “in hem” (vers 14).

Is dit geen prachtig lied?! Laten we dit lied leren kennen. Dat betekent dat we er over moeten nadenken. Ik raad u aan om dat vaak te doen. Dan leert u steeds beter dit lied kennen. Uit ervaring weet ik dat het leren kennen van een lied allereerst de bereidheid vereist om te gaan oefenen. Vervolgens dat die bereidheid omgezet wordt in het praktisch oefenen, dat wel energie en tijd kost. Maar ik weet ook wanneer je een lied bestudeert en de tekst op je laat inwerken, het je geestelijk eigendom gaat worden. Het lied komt voortdurend weer op in je hart. Zo kan het ons ook vergaan met dit prachtige lied uit het woord van God! Dat mogen we wel wensen en bidden of de Heer ons daarin – in het bezig zijn met dit geestelijke lied waar we het hier over hebben – leiden en zegenen wil. Dan zal Hij ons ook zeker zegenen want daartoe schonk Hij het ons ook. Daarom wordt het ook geestelijke “zegening” genoemd. Wanneer dit lied ons eigen wordt, zullen we ook de zegening niet alleen kennen maar ook ervaren. Nu wil ik u als afsluiting van deze zeer korte overdenking over deze verzen nog samenvattend wijzen op de afzonderlijke onderdelen in die geestelijke zegening in de hemelse gewesten. Zij zijn alle namelijk zeer de moeite waard om afzonderlijk te overdenken en zullen altijd onze harten doen overstromen van dank en aanbidding voor Hem die dit alles bedacht.

  1. Uitverkiezing (vers 4).
  2. Zoonschap (vers 5).
  3. Begenadigd (of aangenaam gemaakt) in de Geliefde (vers 5).
  4. Verlossing en vergeving (vers 7).
  5. Verborgenheid van Zijn wil (vers 9).
  6. Hoofdschap van Christus (vers 10)
  7. Erfgenamen van Christus (vers 11).
  8. Verzegeling met de Heilige Geest (vers 13).
  9. Onderpand van onze erfenis (vers 14).

Onze geestelijke wapenrusting – kracht van de Heer

Nu gaan we naar Efeze 6. Na deze korte blik op dit 9-voudig hemelse repertoir zullen we ongetwijfeld al meer inzien dat het zeer de moeite waard is om de geestelijke strijd te voeren om ons het genieten van dit prachtige lied niet te laten ontnemen. Dit hemels concert is zeer de moeite waard om te verdedigen tegen de vijand van onze zielen. We kunnen onze geestelijke strijd vergelijken met de strijd die het volk Israël moest voeren tegen hun vijanden. Deze vijanden wilde hen beletten om het hun door God beloofde land praktisch in bezit te nemen en hun zo ook beletten om van de vruchten van dit land te genieten. Een land dat vloeide van melk en honig. Een “goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en bergen ontspringen; een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen, en van honing” (Deuteronomium 8:7-8). Zoals het volk Israël strijden moest om het in bezit te krijgen en om ervan te kunnen genieten, zo moeten ook wij als christenen strijden tegen satan, tegen de listen van de duivel. Maar gelukkig begint God ons hier eerst Zijn macht voor te stellen, zodat we niet bij voorbaat al moedeloos zouden worden bij de aanblik van de macht van de vijand. God wil ons als het ware laten zien wat we lezen in Romeinen 8:31: “Wat zullen wij dan hierop zeggen? Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?” Wij mogen en moeten ons sterken in Zijn kracht, ja in Hemzelf, in de Heer (vers 10). Hoe meer we onze eigen zwakheid beseffen, hoe meer we de noodzaak van Zijn kracht in kunnen zien. Ik zeg kunnen, want van nature zien we graag op aantallen. Hoe meer soldaten, hoe veiliger we ons voelen en we putten moed uit het aantal.

Laten we nog eens een blik werpen op het Oude testament. De Schriften zijn ons immers gegeven ook als bron van inspiratie gegeven om moed en hoop daaruit te putten. “Want alles wat te voren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat wij door de volharding en door de vertroosting van de Schriften hoop zouden hebben” (Romeinen 15:4).

We gaan naar het gedeelte in 2 Kronieken 20. Daar vinden we koning Josafat die in aanraking kwam met de kinderen van Moab en van Ammon en nog meer andere vijanden. Deze trokken als een “grote menigte” tegen Josafat ten strijde, ongetwijfeld als gevolg van Josafat’s misstap. Angst greep deze koning aan. Maar hij “stelde zijn aangezicht om de HEERE te zoeken; en hij riep een vasten uit in gans Juda” (vers 3). Daar kunnen we een goed voorbeeld in vinden. De Heer zoeken! En ook samen met onze medebrusters in het geloof. Niet om de Heer te vertellen hoe sterk wij wel zijn of hoe slim wij wel zijn om de vijand te ontwijken. Nee, om van de Heer ‘hulp’ te vragen. Josafat bidt vervolgens in het huis van de Heer. Het is een kostbaar gebed en zeer leerzaam. Hij erkent eerst voor de HEERE God – want zó kende hij Hem – dat alleen in Zijn hand kracht en sterkte is. Daarvan was deze koning zich terdege bewust. Wij ook? Hij bidt: “O, HEERE, God van onze vaderen, zijt Gij niet die God in de hemel? Ja, gij zijt de Heerser over alle koninkrijken der heidenen; en in uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand zich tegen U stellen kan” (vers 6). Ook herinnert hij zich in zijn gebed dat de God het land aan Israël – aan het zaad van Abraham, Uw liefhebber – gegeven heeft. Ook ons is de geestelijke zegening in de hemelse gewesten als bezit gegeven (Efeze 1:3). Als de vijand op ons afkomt zouden wij er ook goed aan doen om – evenals Josafat hier – uit onze benauwheid tot Hem te gaan roepen in het vertrouwen dat Hij hoort en verlost (zie vers 9). Dan meldt Josafat in niet mis te verstane woorden wie de vijand is (vers 10). Ook – en daar wil ik vooral op wijzen – beseft Josafat dat er in hen “geen kracht is tegen deze grote menigte” (vers 12). Dat is goed om te beseffen. Heeft Paulus niet ook moeten horen van de Heer Zelf dat “Zijn kracht in zwakheid wordt volbracht” en kreeg hij daarbij niet de verzekering “Mijn genade is u genoeg”? (2 Korinthe 12:9). Dat geldt voor ons zeker niet minder!

Dat geldt voor ons allen, jong en oud. “En gans Juda stond voor het aangezicht des HEEREN, ook hun kinderen, hun vrouwen en hun zonen” (vers 13). Josafat en het volk zagen het niet zitten. Ze waren totaal machteloos tegen die grote meningte. Dát nu zeggen zij ook tegen de HEERE. “Geen kracht … wij weten niet, wat wij doen zullen …”! Wat een erkenning van eigen zwakheid. Maar ook: wat een voorbeeld voor ons. Dan komt ook het antwoord van God. “… Alzo zegt de HEERE tot u: Vreest gij niet, en wordt niet ontzet vanwege deze grote menigte; want de strijd is niet uwe, maar Gods. Trekt morgen tot hem af; ziet, zij komen op bij de opgang van Ziz; en gij zult hen vinden in het einde van het dal, voor aan de woestijn van Jeruël. Gij zult in deze strijd niet te strijden hebben; stelt uzelf, staat en ziet het heil des HEERE met u, o Juda en Jeruzalem! Vreest niet, en ontzet u niet, gaat morgen uit, hun tegemoet, want de HEERE zal met u wezen” (vers 15-17). Wat een bemoediging! Ze worden nauwkeurig voorgelicht hoe het een en ander zal plaatsvinden en ook waar, wat en wanneer zij iets doen moeten. Ze behoeven geen angst te hebben want de HEERE zou immers met hen zijn. Wat een belofte! In antwoord daarop boog Josafat zich ter aarde en het gehele volk viel neer voor het aangezicht van de HEERE om Hem te aanbidden. Daaruit blijkt hun geloof en vertrouwen op de HEERE. Hoe groot die menigte ook is – de HEERE ontkent dat ook helemaal niet maar bevestigt dat zelfs. Maar de HEERE zou met hen zijn. Dat maakt alles anders. Dat geldt voor ons vandaag ook nog net zo. Als we dit erkennen zullen we ons ook voor de Heer neerbuigen en Hem aanbidden. Josafat vestigt bij het volk de aandacht erop, dat zij in de HEERE moesten geloven, dan zouden zij ook bevestigd worden. Met anderen woorden dan zouden zij merken dat de HEERE waar zou maken wat Hij beloofd heeft. Ook dat geldt voor ons even zo goed! De overwinning werd ingeleid en begeleid door een loflied: “Looft de HEERE, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid!” (vers 21). Zij streden niet maar zongen een loflied. Dat was als het ware hún wapenrusting. Ook in Efeze 6 vinden we het gebed als een deel van de wapenrusting (vers 18).

“Maar onze ogen zijn op u” (vers 12). Dat was het wat uitkomst bood. Híj was het tot wie ook Josafat en het volk zich richtte. Híj was ook de enige die kracht kon geven. Dat is nu natuurlijk nog net zo. Daarom zegt de apostel: “Overigens, broeders, sterkt u in [de] Heer en in de kracht van Zijn sterkte”. Wie bezit er zoveel macht als onze God en Vader, Die Zijn eigen Zoon uit de doden opwekte en daarmee ook Zijn uitnemende grote kracht toonde. Maar ook wij kunnen deze uitnemende grote kracht kennen. Dat kan door “verlichte ogen van ons hart” (zie Efeze 1:18-19). Niet door pure kennis maar door de zien met het hart, dat wil zeggen door met Hem in gemeenschap te wandelen en oog en hart op Hem alleen te richten en niet te vertrouwen op eigen kracht. Een vers uit Spreuken 3 kan ons misschien daarbij helpen. “Vertrouw op de HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet” (vers 5). We verlaten nu 2 Kronieken 20.

Nog enkele andere verzen uit het Oude Testament laten ons zien dat alleen de nabijheid en de kracht van de HEERE de enige waarborg is voor bewaring en overwinning. Gideon mocht horen: “Omdat Ik met u zal zijn, zo zult gij de Midianieten slaan als een enig man” (Richteren 6:16). En Jonathan zei: “… want bij de HEERE is geen verhindering om te verlossen door velen of door weinigen” (1 Samuël 14:6). Beide mannen waren zwak en weinig in getal. Dat is voor de Heer geen verhindering! Ja, zonder de HEERE konden deze mannen niets doen. De Heer Jezus heeft het ook tegen ons gezegd: “Zonder Mij kunt gij niets doen” (Johannes 15:5). Dat is iets wat wij nooit mogen vergeten. Als wij ons dat bewust zijn, zullen we in staat zijn Zijn kracht ‘in’ en ‘door’ ons te laten werken. Van David lezen we: “doch David sterkte zich in de HEERE, zijn God” (1 Samuël 30:6). Dat ook wij ons zó sterken in de Heer.

Hele wapenrusting ‘aandoen’

We gaan opnieuw terug naar Efeze 6. Het is een heerlijke gewaarwording, dat we juist door het bewustzijn van onze eigen zwakheid sterk kunnen zijn in Hem. We hoeven dus niet te wanhopen. Hij wil ons helpen om ons te laten genieten van Zijn zegeningen in de hemelse gewesten. Daar heeft Hij voorzieningen voor getroffen en ons een wapenrusting aangeboden. Die moeten we echter zelf wel aantrekken. “Doet de hele wapenrusting van God aan, …” (vers 11a). En wel de “hele” wapenrusting van God. Als wij één onderdeel niet aan hebben, weet satan ons direct juist op dat terrein te vinden en ons dáár aan te vallen. Niet onze wapenrusting, nee die van God. Een deel van onze eigen wapenrusting zou kunnen zijn “ons verstand”. Hierboven hebben we al gezien uit Spreuken 3:5 wat we daarmee aan moeten, namelijk daar niet op steunen. Dat loopt altijd verkeerd af als we dat wel doen. Nee, we moeten ons geestelijk verstand – wat we gekregen hebben (zie o.a. 1 Johannes 5:20a; 1 Korinthe 2:10-16) gebruiken. Dat richt ons op Hem. Maar waarom moeten wij dat dan aandoen? “… opdat gij kunt standhouden tegen de listen van de duivel” (vers 11b). God wil dat wij standhouden. En dat kan alleen als wij de wapenuitrusting van God aan hebben. We hebben niet zozeer met de macht van de duivel te doen maar met zijn listen. Zijn macht en zijn listen zijn overwonnen door de Heer Jezus. Zijn dood heeft de macht van de vijand gebroken en de Heer Jezus heeft satan overwonnen (Hebreeën 2:14). Daarom kunnen we ook de duivel weerstaan (Jakobus 4:7). Maar satan heeft heel veel listen in voorraad en we kunnen alleen standhouden door middel van de wapenrusting van God. Soms denken we daar te gemakkelijk over en onderschatten we satan.

Hoe listig was satan niet in het paradijs. Hij kwam bij Eva door middel van de slang, het meest listige dier van het veld (Genesis 3:1). We weten dat hij nog steeds listig is. Hoeveel verwoestend werk heeft hij al die 6000 jaar verricht? De slang (satan) verleidde Eva door haar sluwheid, meldt de apostel Paulus (2 Korinthe 11:3). In hetzelfde hoofdstuk maakt hij gewag van bedrieglijke arbeiders die zich voordoen als apostelen van Christus. Ook vandaag zijn er zulke bedrieglijke arbeiders die zich het gezag van Christus aanmatigen en hun dienst verbinden met de naam van Christus. In werkelijkheid bedriegen zij de gelovigen. We moeten ons daarover niet verwonderen, zeker niet in onze dagen die gekenmerkt worden door ‘geestelijk bedrog’. Daaronder bevinden zich mensen die niet Christus maar zichzelf dienen. Door vleierij en lofspraak verleiden zij de harten van de argelozen (Romeinen 16:18). Hun list bestaat hierin dat zij de gelovigen vleien, dat zeggen wat prettig ligt in het gehoor. Zij passen ook hun leringen voortdurend aan. Daardoor worden zij ‘populair’ en worden op handen gedragen. Het gevolg is vaak dat zij ‘over het paard getild worden’ en de gevolgen zijn voor deze personen destraseus alsmede voor hen die hen blijven volgen. Daarvan hebben we in onze dagen voorbeelden te over. Hoeveel tweedracht en aanstoot verwekken zulke mensen. Het is dus niet alleen iets wat in de tijd van de apostel voorkwam.

Hoe we ons moeten opstellen ten opzichte van zulke personen vinden we ook duidelijk in Romeinen 16, namelijk “geef acht op hen die tweedracht en aanstoot verwekken tegen de leer die gij geleerd hebt en onttrekt u aan hen” (vers 17). Dan worden we rein ten opzichte van het kwade en keert de vrede terug in ons hart alsmede ten opzichte van elkaar (vers 19). Laten we daarom acht geven en waakzaam zijn!

Zoals gezegd moeten we ons daarover niet verwonderen. “En geen wonder; want de satan zelf doet zich voor als een engel van het licht. Het is dus niets bijzonders, als ook zijn dienaars zich voordoen als dienaars van de gerechtigheid; hun einde zal zijn naar hun werken” (zie: 2 Korinthe 11:13-15). Als het om de verhoudingen onder de brusters gaat – en dat is immers in alle tijden actueel – en er vergeving moet plaats vinden moeten we bedacht zijn dat de satan op ons geen voordeel behaalt. Hij wil graag verdeeldheid en twist en wrok onder het volk van God veroorzaken en in stand houden. De gedachten van satan moeten ook ons bekend zijn (2 Korinthe 2:8-11). Het is van het grootste belang dat we het woord van God kennen, het onderzoeken. Als we net als de Bereeërs handelen wanneer leringen op ons afkomen, hebben we één onderdeel van de wapenrusting in handen, namelijk de helm van het heil. Leest u zelf maar na. Hoe kunnen we ons dus wapenen tegen de ‘listen’ van satan? Onder andere door de helm van het heil. Bij de bespreking van de verschillende onderdelen van de wapenrusting hopen we hier verder op in te gaan.

Iemand schreef: <<Een list is iets dat eerlijk en onschuldig lijkt en toch de ziel aflokt van het pad van de gehoorzaamheid. Hoe vaak probeert de duivel in deze tijd van verwarring hen die de waarheid bezitten, tot zijpaden te verleiden die in het begin zo weinig afwijken van de juiste koers dat het pietluttig lijkt te zijn om er bezwaar tegen te maken. Er is één eenvoudige vraag die wij allen onszelf kunnen stellen, waardoor iedere list ontdekt zal worden: “Als ik deze koers volg, waar zal mij dat heen leiden?”>>

Onzichtbare machten aan het front

“Onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse gewesten” (vers 12).

Het is ook belangrijk om te zien dat het niet om mensen gaat maar om overheden en machten. Satan gebruikt deze als zijn instrumenten. In de hemelse gewesten zijn overheden en machten die onder de vlag van satan opereren. Zij staan in dienst van satan. Het zijn de “geestelijke machten van de boosheid”. We strijden dus niet tegen de “Kanaänieten” zoals Israël weleer, maar tegen geestelijke machten. Onze strijd is een geestelijke strijd tegen onzichtbare machten. Een strijd die plaats vindt in de hemelse gewesten, niet op aarde. En dáár zijn boze geesten. Dat is geen bangmakerij. Dat zijn reële feiten. Dit past ook niet in het denkschema van deze wereld die door de duisternis wordt beheerst. En satan is de vorst van de duisternis, hij is de overste van deze wereld, van deze duisternis. Maar een kind van God is uit de duisternis geroepen en getrokken en overgeplaatst in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde (vergelijk Kolosse 1:12-13; 1 Petrus 2:9). Zijn we ons wel voldoende bewust van het feit dat daar ook boze geesten zijn? God zelf bericht ons daarover al in het Oude Testament. God Zelf neemt deze feiten wel serieus! We lezen bijvoorbeeld in 2 Kronieken 18:18-22:

“18 Verder zei hij: Daarom hoort het woord des HEEREN: Ik zag de HEERE, zittende op Zijn troon, en al het hemelse heir, staande aan Zijn rechter[hand] en Zijn linkerhand. 19 En de HEERE zeide: Wie zal Achab, den koning van Israël, overreden, dat hij optrekke, en valle te Ramoth in Gilead? Daarna zei Hij: Deze zegt aldus, en die zegt alzo. 20 Toen kwam een geest voort, en stond voor het aangezicht des HEEREN, en zei: Ik zal hem overreden. En de HEERE zeide tot hem: Waarmede? 21 En Hij zei: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zeide: Gij zult overreden, en zult ook vermogen; ga uit, en doe alzo. 22 Nu dan, zie, de HEERE heeft een leugengeest in de mond van deze uw profeten gegeven, en de HEERE heeft kwaad over u gesproken”.

Ook zien we in Job 1 vers 6 het volgende: “Er was nu een dag, toen de kinderen Gods kwamen, om zich voor de HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam”.

We zien dus duidelijk dat satan ook in de hemel is. God Zelf bevestigt dit in voorgaande verzen. De Heer Jezus zegt in Lukas 10:18: “Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen”. In Openbaring 12 vers 9 zien we, wat de Heer Jezus in de geest zag, namelijk dat satan uit de hemel geworpen wordt. Dit is niet de plaats waar God woont. Daar is geen toegang voor satan en zijn trawanten. Waar woont God dan? “In een ontoegankelijk licht” (1 Timotheüs 6:16). De apostel Paulus werd opgetrokken tot in de derde hemel, het paradijs (2 Korinthe 12:2-4). Ook daar kan de satan niet komen, want dan zouden onze geliefden die ontslapen zijn nog geen rust hebben en last hebben van satan. Nee, zij zijn met Christus daar en dat is ‘verreweg het beste’. Maar de hemelse gewesten is een terrein waar satan wel komen kan en waar hij heden nog verblijft. Daarom is dat terrein – de hemelse gewesten – ook verontreinigd, dat is duidelijk. Daarom moest de Heer Jezus ook dáárvoor Zijn kostbaar bloed storten. Dat behoort tot “alle dingen” uit Kolosse 1. “Want het behaagde de gehele Volheid in Hem te wonen en door Hem alle dingen tot Zichzelf te verzoenen, na vrede gemaakt te hebben door het bloed van Zijn kruis, door Hem, hetzij de dingen die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn” (vers 20). De ‘hemelen’ duiden hier de ‘hemelse gewesten’ aan. Onze positie nu is ook in de hemelse gewesten.

De geschiedenis van satan vinden we ook in de Schrift. Iemand beschreef het als volgt:

<<De geschiedenis van de satan, zoals die in de Schrift wordt meegedeeld, is als volgt. De satan was een vorst onder de engelen, volmaakt in schoonheid en volkomen in al zijn wegen. Hij verhief zich op zijn schoonheid, stond tegen de Heer op en werd daarom uit de tegenwoordigheid van God verdreven (zie Ezechiël 28). Van dat ogenblik af is hij de verklaarde vijand van God, een verderver, een leugenaar, een mensenmoordenaar. Als vorst van deze wereld voert hij, onder de toelating van de Heer, de mensen aan in hun strijd tegen God. Bovendien is hij de aanklager van de gelovigen. Na de opneming van de gemeente in de heerlijkheid wordt hij uit de hemel op de aarde geworpen. Hij laat door de antichrist aan alle dienst van God een einde maken. Hij doet de goddeloosheid van de volken ten toppunt stijgen en verleidt hen tot openlijke afval van God. Bij de verschijning van de Heer op aarde wordt hij voor duizend jaar gebonden, om daarna een kleine tijd te worden losgelaten. Die korte periode gebruikt hij voor zijn laatste euveldaad: hij stelt zich aan het hoofd van de volken en trekt tegen Christus en de heilige stad ten strijde. Daarna echter wordt hij voor eeuwig geworpen in de poel van vuur en zwavel, om daar dag en nacht tot in alle eeuwigheid te worden gepijnigd.>>

Ik laat het aan u zelf over om de schriftplaatsen, op grond waarvan dit stukje geschiedenis is beschreven, op te zoeken. Het is zeker de moeite waard om dat te doen.

Wat doen die boze geesten? In ieder geval alles wat satan gebiedt. Dat is dus niets goeds maar boos. Satan wil niet dat de kinderen van God genieten van de dingen die God hen schonk. Daartoe behoren de geestelijke zegeningen in de hemel. Alleen in gemeenschap met onze God en Vader en met onze Heer Jezus Christus kunnen we genieten van Zijn zegeningen. Om dat te verhinderen bedenkt satan allerlei listige plannen. Daarvoor heeft hij zijn ‘manschappen’, dit zijn de boze geesten. Vaak gooit satan de leugen in de strijd. Begrijpelijk, want hij is zelf de “vader van de leugen” (Johannes 8:44). Dat zien we ook in 2 Kronieken 18. Wel moeten we opmerken dat het altijd alleen mogelijk is onder de toelating van God. Ook klaagt satan ons aan bij God (zie: Job 9:11; Zacharia 3:1; Openbaring 12:10). Dat doet hij om ons eerst ongelukkig te maken en moedeloos om ons vervolgens zo onder zijn controle te krijgen. Gelukkig hebben wij onze Hemelse Advocaat, die voor ons tussenbeide treedt (Romeinen 8:34). We zouden anders diep ongelukkig worden, als dat niet zo was.

Overigens is het ook zo dat de gemeente de veelvoudige wijsheid van God bekend maakt in de hemelse gewesten (Efeze 3:10). Ook zien de engelen als bewoners van de hemelse gewesten de scheppingsorde van God bevestigt door de vrouw als zij het hoofd bedekt heeft. Deze bedekking is het teken van de macht (de man) waaronder zij staat (1 Korinthe 11:8-11).

Opnemen, weerstand bieden en stand houden

Weer terug naar Efeze 6. “Neemt daarom de hele wapenrusting van God op om weerstand te kunnen bieden in de boze dag, en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden” (vers 13-14).

We hebben dus een geestelijke strijd te strijden. Daarom heeft God voorzien in een geestelijke wapenrusting. Deze moet opgenomen worden, zo herhaalt God ons en voegt het doel eraan toe. Het doel is:

  • weerstand te kunnen bieden;
  • stand te houden.

Het woordje “daarom” verbindt dit vers met de vorige verzen, waar we al naar gekeken hebben. De machten van de duisternis kunnen we niet in eigen kracht weerstaan. Daarvan moeten we goed doordrongen zijn. Maar we hebben een Bron van kracht – God-Zelf. En in vers 14-18 vinden we beschreven op welke wijze we die kracht kunnen aanwenden, namelijk door de wapenrusting die we aan hebben en opgenomen hebben. Het woordje “neemt … op” geeft aan dat we de wapenrusting niet alleen aan moeten hebben om er mee te ‘showen’ maar we moeten het ook gebruiken. Het doel is “weerstand te kunnen bieden in de boze dag”. Dat is nu vandaag. Maar er zijn tijden waarin de satan zijn aanvallen met speciale doelen op ons richt en zulke tijden kunnen we ook “boze dag” noemen. Op ons persoonlijk maar ook op ons als gemeente van Christus. Als we de wapenrusting “aan hebben” en “opgenomen hebben”, is de overwinning verzekerd want het is de wapenrusting van God. “Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?” en “Maar in dit alles zijn we meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad” (Romeinen 8:31,37).

Wanneer we overwonnen hebben moeten we ook nog standhouden. “Houd vast wat gij hebt” (Openbaring 2:24-25) is ook hier van toepassing. Om stand te houden, kunnen we de wapenrusting niet uitdoen. Dat is een reëel gevaar voor ons. Na een overwinning zijn we snel geneigd om te vergeten, dat we een ‘voortdurende’ strijd hebben. Satan zal geen moment onbenut laten om ons van God af te trekken. De geestelijke machten in de hemelse gewesten kennen ook geen vakantie. Satan laat hen ook niet met rust. Er is altijd werk aan de winkel voor hen. Daarom moeten wij ook ‘standhouden’.

Wordt D.V. vervolgd.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM