10 jaar geleden

Gewapende christenen (1)

Ziet u het al voor u. Zwaar bewapende christenen banen zich al schietend een weg door deze wereld. Ze richten hun wapens op iedereen die in hun ogen als vijanden doorgaan. Moslims, Hindoes, Boeddhisten, Joden en zelfs ook bepaalde soorten christenen krijgen de loop van hun christelijk geweer onder de neus geduwd. Handen omhoog of ik schiet … Wel, gelukkig is dat niet zo, al hebben bepaalde christenen in de voorbijgegane eeuwen de bijbel wel als zodanig voor ‘hun karretje’ gespannen onder de mom van vroomheid. Ook in onze dagen wordt het christendom hiervoor wel eens misbruikt. Maar dit is zeker niet de gedachte van God. De Heer Jezus Christus heeft dit voorbeeld ook niet gegeven. Integendeel! Hij kwam om vrede aan te brengen tussen een heilig en rechtvaardig God en een verloren mensengeslacht. Daartoe werd Hij geboren als Mens. Hij is God Zelf geopenbaard in het vlees, om vrede te maken door het bloed van Zijn kruis. Als de mens dit zal aannemen, dit geloven, dan heeft hij of zij vrede met God! Nee, dit soort schietende – zogenaamde – christendom hoort alleen bij deze wereld en bij satan die de politieke leider van de wereld is. Het koninkrijk van Christus komt nog. Dan zal Hij in rechtvaardigheid regeren als de enige werkelijke rechtvaardige Heerser … maar hoe hebben zij die de Heer Jezus toebehoren te staan in deze wereld? Moeten zij ook wapens dragen? …

Enkele gedachten over wapens en wapenuitrusting

Elke christen dient ‘zwaar bewapend’ te zijn. Dat is iets wat nu misschien voor sommigen wel erg tegenstrijdig klinkt in onze wereld van vandaag. Toch spreekt de Bijbel over “wapens, wapenuitrusting” voor een christen. En wel over offensieve en defensieve wapens. Ook dient hij een goed soldaat van Jezus Christus te zijn (2 Timotheüs 2:3).

Allereerst is het goed om te beseffen dat:

  1. Het de ‘wapenuitrusting van God’ (Efeze 6:11,13) is;
  2. dat het wapens zijn die alleen bij God passen. De verschillende namen die de bijbel hieraan geeft, maken dit ook duidelijk. Zie Romeinen 13:12: “wapens van het licht” en 2 Korinthe 6:7: “wapens van de gerechtigheid”. Dat past niet bij de duivel, bij satan, maar alleen bij God. In 2 Korinthe 6 worden onder andere gerechtigheid en wetteloosheid en licht en duisternis ook tegenover elkaar geplaatst (vers 14).Het zijn heel andere wapens en heeft een geheel andere toepassing dan de ‘aanschouwelijke’ wapens van deze wereld. Het zijn ‘geestelijke’ wapens.

Deze wapens cq wapenuitrusting moeten we zelf aandoen. Dit is onze verantwoordelijkheid. Er komt niet iemand bij ons langs die ons deze geestelijke uitrusting zal aanbieden of aantrekken.

In de rechter- en in de linkerhand

“Maar als medearbeiders vermanen wij [u] ook, dat u de genade van God niet vergeefs ontvangt; (… zie, nu is het [de] dag van [de] behoudenis), daar wij in geen enkel opzicht enig struikelblok vormen, opdat de bediening niet gelasterd wordt, maar in alles ons aanbevelen als dienaars van God, in veel volharding, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, in slagen, in gevangenissen …. in [de] Heilige Geest, in ongeveinsde liefde, in [het] woord van [de] waarheid, in [de] kracht van God, door de wapens van de gerechtigheid in rechter- en linkerhand; …” (2 Korinthe 6:1,3-7).

Waaruit bestaan die wapens dan? Onder andere uit gerechtigheid! En wel in de rechter- en in de linkerhand. Dus niet ergens op zolder. Als dan de vijand onverwachts komt, zijn we te laat. Er is geen tijd om dan nog vlug de wapens te pakken die daar al enkele jaren liggen. Ze zijn niet onderhouden, er is niet mee geoefend en er kan niet goed mee worden omgaan. Nee, als christenen moeten we de wapenrusting aan hebben en de wapens in de aanslag hebben. Zodra de vijand verschijnt, kunnen we de wapens hanteren, zowel met rechts als met links.

Wij ontvangen de genade van God niet ‘tevergeefs’. Dat is zeker niet de bedoeling van God. Hij wil ons in alle moeilijkheden ter zijde staan en heeft ons wapens gegeven van ‘gerechtigheid’. Het gaat hier om praktische gerechtigheid. Het in de praktijk toepassen van datgene wat recht is voor God. Daarvoor hebben we de Heilige Geest nodig; daarvoor is ook nodig dat we het woord van de waarheid kennen en gebruiken. Dan zoeken we ook wat recht is voor God en zullen dat in ongeveinsde liefde toepassen onder de krachtige leiding van de Heilige Geest. Zo zullen wij geen struikelblok vormen voor hen die met ons in aanraking komen. In verzoekingen zijn we voldoende toegerust, in noden zoeken – en vinden – we uitreddingen en vertroostingen bij Hem. “Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt”, zegt immers de psalmist (Psalm 94:19). Dit vinden we in het woord van God. Als we deze wapens van de gerechtigheid zó hanteren, ontvangen we kracht van God om ondanks alles staande te blijven en zullen ook kunnen volharden.

Als we aan onze handen denken – linker- en rechterhand – dan kunnen we ook denken aan ons gebed. We vouwen beide handen. We geven ons aan God over in alle moeiten en laten alles aan Hem over. We vertrouwen ons aan Hem toe. Ook als we geslagen worden, hoe moeilijk ons dat ook toeschijnt. En dat is ook moeilijk. Dat moeten we zeker niet onderschatten. Maar de genade van God is tot ‘alles’ in staat. Zelfs de gekende en ongekende mogelijkheden – die voor onszelf wat ons vlees betreft ‘onmogelijkheden’ zijn – liggen door de genade van God binnen ons bereik. Door ons gebed en door het woord kan de Heer ons leren, – inzicht geven – wat recht is en tot Zijn eer is. Dan weten we de wapens te hanteren die we zo nodig hebben.

Twee dingen zijn voor ons als Christenen daarbij van groot belang volgens 1 Petrus 4:7:

  1. Dat we nuchter en
  2. waakzaam zijn tot gebed;

Natuurlijk moeten we ook nuchter zijn om te kunnen bidden. Het gebed is immers ook een deel van de wapenrusting (Efeze 6:18).

Zo kunnen we deze wapens in beide handen vasthouden. Als we dan al die dingen in 2 Korinthe 6 lezen, moeten we niet denken dat dit alleen van toepassing was voor de apostel Paulus en voor de christenen uit Korinthe. Zoals het hele Woord van God gelden de woorden uit dat hoofdstuk ook voor ons vandaag.

Wapens van het licht

“De nacht is ver gevorderd en de dag is nabij. Laten wij dan de werken van de duisternis afleggen de wapens van het licht aandoen. Laten wij, als op [de] dag, welvoeglijk wandelen, niet in zwelgpartijen en dronkenschappen, niet in ontuchtigheden en uitspattingen, niet in twist en jaloersheid; maar doet de Heer Jezus Christus aan, en wijdt geen zorg aan het vlees om [aan] begeerten [te voldoen]” (Romeinen 13:12-14).

We moeten er eerst nog op wijzen dat de behoudenis nu nog dichterbij is dan toen wij tot geloof kwamen (Romeinen 13:11). De behoudenis hier wordt gezien als iets toekomstigs. Hier gaat het echter wel om de behoudenis van ons lichaam. Dat staat vlak voor de deur. Dat betekent dat de Heer Jezus spoedig komt die ons lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van Zijn heerlijkheid (zie Filippi 3:20-21). Als christenen zullen wij een opstandingslichaam krijgen bij de opstanding bij de opname van de gemeente, waartoe wij door de genade van God behoren. Dit lichaam dat ons nu nog zoveel problemen bezorgen kan, zal dan gelijkvormig zijn aan het lichaam van Zijn heerlijkheid. Bij velen telt het lichaam niet, tenminste als ze sterven, immers is dan alles toch voorbij, zo zegt of denkt men. Maar voor God telt ons lichaam wel. Hij heeft het Zelf geschapen! Daarom (onder andere) alleen al laat een Christen zijn lichaam niet cremeren! Maar dat is hier niet ons onderwerp, dus gaan we daar nu niet verder op in. Maar als ons lichaam behouden is, dan is onze behoudenis volkomen. In Romeinen 8:23-26 kunnen we daarover meer lezen.

Omdat dit dichtbij is, de nacht ver gevorderd is en de dag nabij is, moeten wij iets afleggen en iets aandoen. Daarover later.

De nacht is ver gevorderd: Met nacht wordt hier de nacht van deze wereld bedoeld. Dat is de geestelijke duisternis waarin deze wereld ronddoolt, waarin zij zwelgt en vastzit. Deze geestelijke duisternis is veroorzaakt door de zonde. De wereld ligt daarin vastgekluisterd en is in de macht van de overste van deze wereld, de satan. Maar de dag van de Heer Jezus is dicht nabij. Zijn dag zal komen wanneer Hij als koning in Zijn duizend jaren durende rijk zal regeren; Hij zal dan heersen en alle knie zal zich voor Hem zal buigen. Deze dag wordt gekenmerkt door ‘oordeel’. Hij zal deze wereld rechtvaardig oordelen. Maar zolang deze “Zon der gerechtigheid” – zoals de Heer Jezus Christus in Maléachi 4:2 wordt genoemd – nog niet is opgegaan, duurt de nacht van de wereld nog voort. We lezen daar:

  1. “Want ziet, die dag komt, brandende als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in brand zetten, zegt de HEERE der heerscharen, Die hun noch wortel, noch tak laten zal”.
  2. U daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan …”.

Dit is dus nog toekomst. Nu echter moeten wij als wedergeboren christenen ‘wakker’ zijn. Onze ogen open doen en open houden.Wij kennen de tijd. Degenen die in de duisternis zijn niet. Dat houdt ook in dat we de verantwoordelijkheid hebben om ons verre te houden van elke vorm van duisternis. De werken van de duisternis zijn zo afschuwelijk dat de apostel Paulus ons zelfs vermaant om ze zelfs niet te noemen (Efeze 5:12). Dit gebeurt vandaag wel in de media, radio, krant, t.v. en internet en heel uitgebreid. Een duidelijk aanprijzen van de duisternis en haar werken vindt men daar. Met het licht houdt men zich niet bezig. Is in hun ogen niet zo boeiend. Klopt ook. Het hoort ook helemaal niet bij de mens die nog in de duisternis leeft. Daar passen alleen werken van de duisternis bij. Maar bij hen die uit de duisternis getrokken zijn en overgeplaatst zijn in het licht, is dat juist wel heel boeiend. Het heeft zijn of haar hart, omdat Christus daarin is. Hij is het Voorwerp van hun hart geworden.

Wel kunnen we gelukkig ook melden, dat er ook christenen zijn die op een bijbels verantwoorde manier gebruik maken van de media en internet. Zij beseffen dat wel ‘in’ de wereld zijn maar er niet ‘van’. Zij laten de ‘boodschap van het kruis’ klinken in de duisternis. Daar mogen we wel heel erg blij mee zijn en hiervoor bidden. Bidden, dat zij die op deze wijze het woord van de waarheid en het evangelie getrouw en in overeenstemming met het Woord van God verbreiden, om op die wijze mensen die in de duisternis zijn nog te bereiken en zondaars daardoor tot de Heer Jezus komen; alsmede worden gelovigen daardoor opgebouwd en vermaand, vertroost en bemoedigd.

Wakker worden

Overigens … als het zo is dat u, dit dit leest, een Christen bent, en behoort tot hen die slapen, wordt dan nu wakker. De apostel Paulus – geïnspireerd door de Heilige Geest – zei het zo: “Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten” (Efeze 5:14). Schrikken we daar niet van? Laten we ons eens afvragen of dat misschien ook op ons van toepassing is. Ondanks alle kennis van de bijbel, ondanks al mijn goede werken en mijn ijver moet de Heer misschien tegen mij zeggen: “Ontwaak, jij die slaapt”. Je bent dan niet anders dan de doden. Zo ziet God dat volgens deze tekst. Schrikken we daar niet van?

Als je slaapt is er geen leven merkbaar. Er is geen onderscheid met vele zogenaamde christenen om je heen die ook slapen, maar natuurlijk ook niet met hen die tot de wereld behoren, die zonder God leven.

“Wordt wakker!” Sta op van ‘tussenuit’ die doden zodat het weer zichtbaar wordt, dat je opnieuw geboren bent, dat je leven uit God bezit. Laat je niet langer bedriegen door de sluwheid van mensen, ook al doen zij zich voor als leraars onder het volk van God. Deze leraars zorgen er alleen maar voor dat je “heen en weer bewogen” wordt en “ronddrijft door elke wind van de leer” (zie Efeze 4:14-15). Zij zorgen voor “onzekerheid” en “onrust” onder het mom van dat je de dingen in onze tijd niet zeker kunt weten. Helaas, zij zijn het spoor geheel kwijt. Opmerkelijk is tevens dat juist deze leraars er ook niet tegen kunnen, als ze door anderen gewezen worden op hun “vrede-verstorend” (zie Romeinen 16:17) werk onder de gelovigen. Zij willen ongestoord en ongehinderd hun leringen kunnen spuien en verwijten zelfs hen die hun leringen tegenspreken en aan de kaak stellen – broeders in Christus die door oprechte liefde van Christus bewogen worden en hen willen helpen – “Bediening van Achterdocht” (BVA) te beoefenen. Is dit niet intens verdrietig? Wordt het niet tijd dat juist deze leraars zich eens gaan bezinnen en gaan kijken waarmee zíj bezig zijn en wat zíj allemaal al niet stuk gemaakt hebben? Hebben deze leraars misschien niet zelf een “Bediening van Verleiding” (BVV)? Dit is intens verdrietig en tot oneer van de Heer!

Daarom is het goed en noodzakelijk om je aan zulke leraars te onttrekken om de waarheid vast te kunnen houden in liefde (zie Efeze 4:16). Dat bevordert je innerlijke rust én de vrede onder de brusters. Dan komt er groei naar Hem toe, Die het hoofd is van de gemeente. Nu hoop ik dat u mij goed begrijpt. Het is mogelijk dat we in slaap zijn gesust door leringen die niet volgens de Schrift zijn, die ons alleen maar aansluiting geven met deze wereld. Een wereld die binnengedrongen is in het christendom en haar verleidt. Vormen en uitingen die in de wereld gangbaar zijn, worden overgenomen en hebben een zeer belangrijke plaats verworven in de gemeente van Christus met alle gevolgen van dien. Het gezag wat alleen de Heer toekomt, ligt nu bij een beperkt aantal brusters, waarmee men totaal voorbij gaat aan het ‘gezag’ en de ‘vrije’ werking van de Heilige Geest die Zelf bepalen wil wie Hij in de gemeente gebruiken wil. Daar gaat het om. De Geest van God wijst er in Handelingen 20 al op, dat er wrede wolven binnen zullen komen die de kudde niet sparen. Dat was toen al zo, laat staan in onze tijd. Wordt vandaag de kudde niet opgejaagd en uit elkaar gedreven door mannen die verdraaide dingen spreken? Kijkt u maar eens om u heen en misschien bent u zelf wel ‘slachtoffer’. Als dat zo is, hebt u hulp nodig. De Goede Herder staat al lang klaar. Hij wil u helpen. Ook zijn er gelukkig nog herders in onze tijd die u willen helpen, die u niet als ‘prooi’ zien maar als een broeder en zuster in nood. Bidt of u met hen in aanraking mag komen. Blijf niet ‘doormodderen’. Zoek contact met medebrusters. Bezoek de onderlinge bijeenkomst van de gemeente. Als u daar geen mogelijkheid in ziet … zoek dan naar de plaats waar de Heer Jezus alleen in het midden – niet aan de zijlijn – erkend wordt. Daar geldt alleen het gezag van Hem en niet ‘kerkelijke’ wetten of ‘evangelische’ misleidingen; ook geen dictatuur van populaire broeders. BB’s (= Belangrijke Brusters) – tenminste brusters die zichzelf als belangrijk opwerpen of laten opwerpen – worden daar niet gekend omdat wij allen als kinderen van God even belangrijk zijn in Zijn ogen. Het gaat er in de eerste plaats niet om of wij orthodox of evangelisch zijn, maar of wij onze Heer en Heiland willen erkennen als enig gezag in ons leven en in het midden van de gelovigen, in Zijn gemeente. Ook vandaag heeft de Heer Jezus een geweldige belofte voor ons – naast de vele andere persoonlijke en gemeenschappelijke beloften – die wij mogen geloven evenals overigens de andere waarheden uit het Woord van God. Deze belofte is: “Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden”. Bent u daar wel ‘wakker’ over? Hebt u daar wel eens wakker van gelegen? Of slaapt u in dit opzicht nog steeds? Hebt u daar wel eens over nagedacht? Zou het ook niet zo zijn, dat dáár, waar de Heer Jezus alleen gezag wordt toegekend, er óók orde en vrede is? Dat kan immers niet anders omdat Hijzelf in het Middelpunt staat! Waarom wordt dit door ons zo vaak miskend en gaan we er zo gemakkelijk aan voorbij? Laten wij wakker worden en blijven!

Nu herinner ik nog eens aan het reeds aangehaalde vers: “Weest nuchter en waakzaam tot gebed” (1 Petrus 4:7). Dus: Ontwaken en nuchterheid en waakzaamheid zijn vervolgens de ingrediënten voor ons gebed. Wat is het toch belangrijk dat we het Woord van God ernstig nemen en laten we niet zo snel denken: ‘dit is op mij niet van toepassing’. Wij zouden ons ook kunnen vergissen. Zegt de verslaafde ook niet dat hij het allemaal goed op de rit heeft en dat hij beter functioneert als hij de drugs en alcohol gebruikt? Hij is niet nuchter meer en kan de dingen niet meer goed beoordelen zoals ze in werkelijkheid zijn. Daarom is nuchterheid ook in onze tijd van essentieel belang. En wel om goed te kunnen beoordelen wat er zoal op ons afkomt, ook en juist op het christelijke erf. Als we ontwaakt zijn, zal Christus over ons lichten (Efeze 4:14). Zijn licht zal over ons schijnen en … in onze harten schijnen opdat wij Hem beter leren kennen. Ook zullen we inzicht ontvangen als wij ons naar Hem uitstrekken en Hem willen gehoorzamen als Hij ons iets laat zien uit Zijn heilig Woord. Zegt de Heer Jezus Zelf niet: “Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft”? Onze gehoorzaamheid is het bewijs voor onze liefde tot Hem. Het gevolg is gemeenschap met de Vader en met onze Heer en Heiland (zie Johannes 14:21-23).

De “verlichte ogen van ons hart” stellen ons in staat om – onder andere – de hoop van onze roeping te leren kennen en de rijkdom van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen (zie Efeze 1:18). “In Uw licht zien wij het licht” (Psalm 36:10). Dat vinden we alleen bij de Bron … en de Heer Jezus is de Bron. En wat vindt u van de volgende teksten: “De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen” (Psalm 19:9), en “De HEERE is mijn Licht” (Psalm 27:1). Kortom: Een en al LICHT kan en zal ons deel zijn als wij “wandelen in het licht” (Efeze 5:8b), want “wij zijn licht in de Heer” (Efeze 5:8a).

Afleggen

Als wij wandelen als christenen laten wij dan als op de dag wandelen. Om dit te bereiken zijn er dingen die wij moeten “afleggen” en “aandoen”. We hebben al gezien dat wij licht zijn in de Heer en daar hoort bij dat we in het licht wandelen en dat we de werken van de duisternis afleggen. Niet deze bestuderen en ontleden , en vervolgens er over discussiëren, maar ze gewoon afleggen. Een christen die opnieuw geboren is wandelt “welvoeglijk”. Werken van de duisternis passen niet bij hem. Duisternis past niet bij het licht. Een kind van God is overgebracht van het licht in de duisternis, gered uit de macht van de duisternis (zie Kolosse 1:13) en behoort nu tot een ander Koninkrijk. Toch gaat het afleggen van de werken van de duisternis niet zomaar. Satan geeft zijn prooi niet zomaar prijs. Gelukkig kan de christen beschikken over de “wapens van het licht”. Hij moet die dan wel aandoen en hanteren. Dat wil zeggen dat hij dan wandelt in het licht met de Heer Jezus. Dan is er het inzicht van de Heer Jezus aanwezig om de listen van satan te doorzien. “Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend”, zegt de bijbel (2 Korinthe 2:11). Wij bevinden ons op het terrein van de satan, de wereld. We hebben ook nog altijd te maken met de geestelijke machten van de boosheid, met de wereldbeheersers van de duisternis (zie Efeze 6:12). Gelukkig is er de kracht en de bescherming van Hem aanwezig om de vijand te weerstaan. Dit zijn de wapens van het licht.

Aandoen

Wat of wie moeten wij aandoen? Onze Heer Jezus Christus! Dat is onze verantwoordelijkheid. Met Hem moeten we ‘bekleed’ zijn, zodat wij als op de dag wandelen als het licht schijnt. Het licht is voor ons de Heer Jezus Zelf. Als Hij in en door ons schijnen kan, is er geen plaats meer voor ‘zwelgpartijen’ zoals we die vandaag zoveel tegenkomen. Geen dronkenschappen maar nuchterheid, geen ontuchtigheden en uitspattingen of zotte praat of lichtzinnige taal, maar veeleer dankzegging en lofzangen. Geen twist en geen jaloersheid maar eensgezindheid en nederigheid (vergelijk Romeinen 13:13-14 met Efeze 5:4,19-21). Alle dingen die strijd voeren tegen onze ziel – de vleselijke begeerten (1 Petrus 2:11) – moeten wijken en daarvoor in de plaats komen dingen die bij het licht passen. De vrucht van het licht komt dan tevoorschijn, namelijk goedheid en gerechtigheid en waarheid (Efeze 5:10). Aan het vlees en haar werken wordt geen zorg meer besteed. Dat alles is het resultaat als we onze Heer Jezus Christus aandoen, dat wil zeggen als wij ons alleen met Hem in onze gedachten bezig houden, als wij als het ware ‘in Zijn trant’ spreken en Hem vervolgens tonen in onze handel en wandel. Het betekent ‘in Zijn voetsporen’ gaan (vergelijk 1 Petrus 2:21), want daartoe heeft Hij ons een Voorbeeld nagelaten. Dan zijn we een ‘leesbare brief van Christus’ (2 korinthe 3:3), die opgesteld is door de Heilige Geest. Misschien krijgt u ook wel eens een brief waarvan u moet zeggen, dat het eigenlijk haast niet goed te lezen valt vanwege het onduidelijke schrift. Het kan dan zomaar zijn, dat we daardoor een verkeerd beeld krijgen omdat we het niet goed lezen kunnen en we zelfs verkeerde woorden er in lezen die er niet staan. Zo moet het met ons niet zijn. Helaas … is het soms niet zo bij ons? Wat dan te doen? Onze Heer Jezus Christus aandoen!!! Zorgen dat we weer ‘leesbaar’ worden, zodat ‘blijkt’ dat wij een brief van Hem zijn. Ons oog en hart weer opnieuw op Hem richten, waarvan geschreven staat: “Hij, ‘Die geen zonde heeft gedaan en geen bedrog werd in Zijn mond gevonden’, die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem die rechtvaardig oordeelt; die Zelf onze zonden in Zijn lichaam heeft gedragen op het hout, opdat wij, voor de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid leven” (1 Petrus 2:22-24). Dan kunnen we opnieuw de wapens van de gerechtigheid en de wapens van het licht hanteren en wordt praktisch zichtbaar dat wij die tot Christus gedoopt zijn, Hem hebben aangedaan (Galaten 3:27-28).

Het geheim van een goed soldaat

Voordat we overgaan naar de geestelijke wapenuitrusting in Efeze 6 nog een belangrijk gegeven. Daarvoor gaan we naar 1 Samuël 17. David was de jongste zoon van Isaï. Hij weidde de schapen van zijn vader bij Bethlehem. We kennen hem vooral van Psalm 23 . “De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken” (Psalm 23:1), wie kent dat niet? Daar hebben we gelijk al iets heel belangrijks van het geheim van een goed soldaat, namelijk vertrouwen, geloof in de Heer. “Niets zal mij ontbreken”. Dat had hij geleerd aan de “grazige weiden” en aan de “stille wateren” waar de Heere hem leidde. Van Hem zong hij. David was nog jong toen zijn vader hem naar zijn broers stuurde met de boodschap om te kijken hoe het met zijn drie broers ging, die Saul in de oorlog met de Filistijnen dienden. Voordat hij op pad ging, liet hij zijn schapen niet zomaar in de steek maar gaf deze over aan de zorg van een hoeder. Toen hij bij het leger van Saul kwam – bij de wagenburcht – viel hij gelijk met zijn neus in de boter. Het leger trok uit ten strijde. Daar schrok David niet van terug. Hij had de opdracht om zijn broers op te zoeken en naar hun welstand te vragen. Dat deed hij dus en liep op het leger af en zocht zijn broers op. Terwijl hij met hen sprak komt Goliath op het toneel. Deze man was ruim 3 meter lang, had een koperen helm op zijn hoofd en had een gigantisch zwaar schubachtig pantser aan. Alle mannen van Israël vluchtten toen zij deze reus zagen en waren doodsbenauwd. Ze zeiden tegen elkaar: “Hebt gij die man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israël te honen; en het zal geschieden, dat de koning die man, die hem slaat, met grote rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal het huis van zijn vader vrijmaken in Israël” (vers 25). Hoe reageert David? Hij vraagt: “Wat zal men die man doen, die deze Filistijn slaat, en de smaad van Israël wendt?” David is niet echt bang, zo te zien. Deze ‘onbesneden’ man hoont “de slagorden van de levende God”, is zijn conclusie. Zo zag David dat (vers 26). Het waren niet de slagorden van Israël, zoals de mannen van Israël zeiden, maar van de levende God. Dat maakte dat David hevig verontwaardigd werd. Het ging erom dat de “levende God” gesmaad werd. Met Hem had David een innige band. David kreeg als antwoord op zijn vraag wat we al in vers 25 gezien hebben. Davids broer Eliab stoorde zich nogal aan David, werd kwaad en beschuldigde hem van een ongezonde nieuwsgierigheid. Hij meende David te kennen. Niet dus, zo weten we. David reageerde niet boos maar stelde slechts twee vragen, namelijk:

  1. Wat heb ik nu gedaan?
  2. Is er geen oorzaak? Anderen vertalen: Is het geen opdracht?

David wachtte blijkbaar het antwoord niet af en wendde zich van zijn broer af en vroeg opnieuw aan iemand anders hetzelfde waarop hij weer hetzelfde antwoord kreeg.

Het bleef niet onopgemerkt wat David had gevraagd en gezegd. Toen moest hij bij koning Saul komen en zei tegen hem dat niemand bang hoeft te worden vanwege deze Filistijn. “Uw knecht”, zo sprak David, “zal met deze Filistijn strijden”. Nou, dat is nogal wat. Iedereen stond te sidderen op zijn benen als deze reus met zijn grote woorden tegen God en het volk tevoorschijn kwam. En koning Saul bekijkt de dingen ook vanuit menselijke logika. Luister David, jij kunt niet met deze Filistijn vechten. Jij bent nog jong en deze reus is soldaat van zijn jeugd aan. En wat voor een’. Maar David was vastbesloten en wees Saul op zijn ervaringen met een leeuw en een beer. En weer wees David op het feit dat deze ‘onbesneden’ Filistijn de slagorden van de levende God gehoond heeft (vers 36). Dan komt het geheim van deze goede soldaat naar voren. “De HEERE zal mij redden” (vers 37). David vertrouwt niet op eigen kracht of kunnen. Hij vertrouwt op de Heer. Saul is allang blij dat er iemand is die het op durft te nemen tegen deze enorme reus. “Ga heen, en de HEERE zij met u!”, zegt hij dan. Dan wordt David naar de gewoonte van een soldaat gekleed. Het is de uitrusting van het vlees. “Saul kleedde David”, staat er. Volgens Saul moet je wel een goede wapenuitrusting hebben. Op zichzelf genomen wel begrijpelijk en goed. Maar … Saul keek naar het uiterlijk. Hij was bang voor Goliath en had een diep ontzag voor die “krijgsman van zijn jeugd af aan” (vers 33). Echter deze uitrusting paste niet bij David. Dit had hij nog nooit beproefd en legde het aan de kant. Hij kon er niet eens goed in lopen. Nee … David had een heel andere uitrusting. Deze bestond louter uit vertrouwen op God. Dat betekende niet dat hij zomaar op Goliath af kwam. Nee, David had als herder geleerd om te gaan met een slinger. Daarmee hield hij zijn schapen in bedwang. Deze slinger nam hij mee en zijn herdersstaf. Hij koos vijf gladde stenen uit de beek. David wist precies welke stenen hij daarvoor nodig had. Het moesten ‘gladde’ stenen zijn. Glad geschuurd door het stromende water. Deze stenen zijn als het ware beproefd door het water en daardoor geschikt geworden voor deze dappere jonge man. Dapper in het geloof. Niet roekeloos. Daarom zocht hij zijn stenen ook zorgvuldig uit. Zo waren zij geschikt voor het doel wat David voor ogen had. Ook onze beek – het Woord van God – heeft voor ons geschikte stenen om gebruikt te worden in de strijd tegen de vijand van onze ziel, de satan. En gelukkig is de beek van God vol water (Psalm 65:10). Hetgeen wij nodig hebben in onze strijd als soldaten van de Heer Jezus vinden wij in de beek van God, het Woord van God. Als wij het daar zorgvuldig zoeken, zullen wij zeker datgene vinden wat wij nodig hebben. David stak het in zijn herderstas. Niet zomaar los in de hand. Hij was er zuinig op en bewaarde het goed. Hebben wij ook een herderstas? Is die gevuld? En we kunnen er verzekerd van zijn dat dit niet de eerste keer was dat David stenen op zocht uit een beek. Nee, David wist dat het noodzakelijk was als herder om zijn slinger op orde te hebben. Dat betekende dat hij altijd stenen bij zich droeg. Zijn wij ook goed doordrongen van de noodzakelijkheid van het op orde hebben van onze wapenuitrusting?

De slinger had David in zijn hand. Ook wij moeten onze wapens in onze hand hebben. Dan kunnen we direct reageren en worden we niet het weerloze slachtofer van de vijand. Zo ging David op de Filistijn af.

Ja, en Goliath? Die ging ook op David af. Hij had een schilddrager die voor hem uitging en zijn schild voor hem droeg. Toen Goliath David zag, verachtte hij hem. Wat zag hij daar? Een jongeman, roodachtig met een knap uiterlijk. Hij werd boos en begon David te vervloeken bij zijn afgoden, waarop hij vertrouwde. “Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken?”, zo brieste hij. Daarna begon hij David uit te dagen en zei zo ongeveer het volgende: ‘Kom maar hierheen, dan zal ik jou als vlees aan de vogels en aan de dieren van het veld geven’. David was echter niet bang uitgevallen. Dat gaf de Heer hem! Hij sloeg niet op de vlucht. Hij weerstond de vijand. “Weerstaat echter de duivel en hij zal van u vluchten”, dat kende David. Maar David wist ook van: “Onderwerpt u dan aan God”, en: “nadert tot God en Hij zal tot u naderen”. David was nuchter en waakzaam toen zijn tegenpartij, de duivel op hem af kwam als een brullende leeuw om hem te verslinden. Hij weerstond hem, standvastig in het geloof. Dat was het geheim van David (zie Jakobus 4:6-8 en 1 Petrus 5:8).

David wist WIE er achter en naast hem stond. De HEERE! David zei tegen Goliath: “Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in de Naam van de HEERE der heerscharen, de God van de slagorden van Israël, Die gij gehoond hebt”. David was er zich terdege van bewust met welke wapens Goliath aankwam. Daar sloot hij zijn ogen niet voor. Maar David kwam in de Naam van de HEERE der heerscharen. Dat is van essentieel belang. Daar ging het om. Als wij weten dat wij in Zijn Naam iets doen of laten, mogen we erop rekenen dat Hij zal handelen. Dan weten we dat Hij aan onze zijde staat. Dan zal Hij het doen, net zoals Hij het gedaan heeft bij David. David wees er vervolgens deze geweldenaar – maar vooral ook de gehele vergadering van Israël – nog heel fijntjes op dat de HEERE niet verlost door zwaard noch door spies. Dat heeft de Heere niet nodig. Goliath had God gehoond. Israël keek alleen maar naar uiterlijk vertoon, naar de kracht van de mens, naar de logika van het verstand. David keek omhoog naar de HEERE op Wie hij vertrouwde. De HEERE had hem gered van de leeuw en de beer, dan zal Hij hem ook helpen tegen deze geweldenaar. Dat was het geheim van David. Zijn geloof. David hield het “schild van het geloof” (Efeze 6:16) stevig vast. In Psalm 7 zegt David: “Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt”. In Psalm 27 zegt hij: “De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wie zou ik vrezen? De HEERE is mijn levenskracht, voor wie zou ik vervaard zijn?” (vers 1). God was zijn Schild. En hoe staat het bij ons? Waaruit bestaat ons vertrouwen? Waaruit bestaat onze levenskracht? Is dat de Heer? Kennen we ook dat geheim van David?

Toen de Filistijn op David afkwam haastte David zich om de vijand te verslaan. Hij was er volledig van overtuigd dat de overwinning aan zijn kant zou zijn. Deze voor de het verstand onmogelijke en ongelijke strijd ging hij met vertrouwen op de Heer tegemoet. Hij haastte zich zelfs. Daaruit blijkt dat hij weinig of geen vrees had voor deze verschrikkelijke vijand. En als hij het al had, werd deze vrees volledig weggevaagd door zijn geloof. Zo mag het bij ons ook zijn. Wij kennen immers dezelfde God! Dan kunnen we ook instemmen met dit lied:

Ik bouw op U,

mijn schild en mijn Verlosser.

Niet eenzaam ga ik op de vijand aan.

Sterk in Uw kracht,

gerust in Uw bescherming.

Ik bouw op U en ga in Uwe Naam.

Sterk in Uw kracht,

gerust in Uw bescherming.

Ik bouw op U en ga in Uwe Naam.

David pakte een steen uit zijn tas, deed die in zijn slinger en wierp deze in de richting van de Filistijn. Deze was zwaar bewapend en had een behoorlijk degelijke wapenuitrusting aan waar geen doorkomen aan was. Maar tegen die gladde steen uit de beek was hij niet bestand. Deze steen kwam precies in zijn voorhoofd. Blijkbaar vond de steen toch dat kleine plekje, die onbeschermd was. Dat kan ook niet anders want deze steen kwam van God. God bestuurde de hand van David zo, dat die steen de Filistijn in het voorhoofd trof, zodat deze op de grond plofte. Misschien heeft de grond wel een beetje gedreund omdat die reus zo zwaar was. Toen die reus op de grond viel, nam David het zwaard van Goliath, en doodde hem daarmee. De reus werd door zijn eigen zwaard gedood. Ook de Heer Jezus heeft satan – die de macht over de dood had – door Zijn dood onttroond. Satan is de personificatie van de dood. We kunnen misschien wel zeggen dat de dood in eigen persoon, de satan, door de dood van de Heer Jezus verslagen is. Zo zijn zij die geloven verlost van de slavernij van satan, die uit vrees voor de dood hun hele leven door aan de slavernij van satan onderworpen waren (zie Hebreeën 2:14-15). Zoals Israël verlost werd van de macht van de Filistijn, zo zijn wij – die in de Heer Jezus geloven – verlost van satan. Wij zijn nu geen slaven meer van satan maar zijn het eigendom van de Heer Jezus Christus geworden door het offer van Zijn leven, door het storen van Zijn bloed. Wat een geweldige Heer en Heiland hebben wij toch!

Hoewel satan definitief principieel verslagen is op Golgotha, heeft hij nog veel invloed en macht op en in deze wereld. De bijbel noemt hem onder andere de overste van deze wereld (Johannes 16:11). Deze overste is geoordeeld. De voltrekking van dit oordeel is nog toekomstig, wanneer hij geworpen zal worden in de poel van vuur. Dat is de definitieve uitvoering van het vonnis (zie Mattheüs 25:41; Openbaring 20:10). Dat is dus nog toekomstig. Dat weet satan en daarom heeft hij haast. Hij gaat rond als een ‘briesende leeuw’ op zoek naar prooi (1 Petrus 5:8). Dat doet denken aan wat satan bijvoorbeeld vandaag doet met bijvoorbeeld de christenen in Noord-Korea, in India, in verschillende Arabische staten, namelijk hen vervolgen en/of doden. Maar satan doet zich ook voor als een “engel van het licht” (2 Korinthe 11:13-15). Daar is hij goed in, want dat was zijn oorspronkelijke staat (vergelijk o.a. Ezechiël 28:13-19). Dan lijkt het net alsof hij licht verspreid, maar dit is verleiding, het is surrogaat. Het is ‘kunstlicht’. Iemand schreef: Satan wijzigt zijn tactiek naar de omstandigheden. Inderdaad, hij is de grote misleider. Vooral onder de zogenaamde christenen openbaart hij zich vaak zo. Hoevelen zijn in het zogenaamde christelijke westen misleidt door zijn succesformules, zoals bijvoorbeeld: “Pas je aan aan deze tijd”, en “doe niet zo moeilijk”, en “heb begrip voor deze wereld” en “geef deze wereld de ruimte in jullie bijeenkomsten”, en “is de bijbel wel het Woord van God?”, en “er zijn meer wegen tot God”. Deze formules doen het vandaag goed onder vele christenen. Maar laat u niet misleiden. Het staat haaks op wat God in Zijn Woord beschrijft. En dit is niet een kwestie van ‘verschillend interpreteren’, maar een bewust negeren van het gezag van het Woord van God. Dit staat gelijk aan ‘ongehoorzaamheid aan God’, want dit is wel het gevolg als wij het Woord van God niet meer ernstig ter harte nemen. Daarvan was onder andere koning Saul, waarvan David de opvolger zou worden, ook een voorbeeld. Maar hoe staan wij hierin? Zijn wij ook niet gevoelig voor dit soort ‘dwaallichten’ die afkomstig zijn van satan, de overste van de macht van de lucht? (zie Efeze 2:2; 6:12).

Nu komen we aan bij de complete wapenuitrusting van een goed soldaat van Jezus Christus. Daarvoor gaan we naar Efeze 6, dat we al enkele keren hebben aangehaald.

Wordt D.V. vervolgd.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM