13 jaar geleden

Geslachtsgemeenschap alleen in het huwelijk? (4 slot)

De Schrift geeft ons voor ons leven aanwijzingen “hoe” en “waarom” te handelen. Het is belangrijk om ons daaraan ook te onderwerpen uit liefde tot God onze Vader en onze Heer Jezus. Maar ook voor het geheel – dus als gemeente van God in onze dagen – geeft de Bijbel ons aanwijzingen. Er bestaat ook een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor elkaar. God oordeelt hen die buiten zijn, en wij hebben de verantwoordelijkheid hen te beoordelen die binnen zijn. Ook als het gaat om geslachtsgemeenschap buiten het huwelijk. Liefde en heiligheid behoren daarbij in balans te zijn. De Schrift kan en wil ons daarbij helpen.

Geslachtsgemeenschap buiten het huwelijk

We hebben al gezien dat geslachtsgemeenschap binnen het huwelijk thuishoort. Maar wat als er geslachtsgemeenschap plaats vindt buiten het huwelijk? De Bijbel noemt dit “overspel”. We zullen enkele Schriftplaatsen uit het Oude en Nieuwe Testament die hierop betrekking hebben, wat nader bekijken en er – voor zover er verband is met ons onderwerp – een kort commentaar op geven.

• “Maar Ik zeg u [meervoud], dat ieder die een vrouw aanziet om haar te begeren, al overspel met haar gepleegd heeft in zijn hart” (Mattheüs 5:28).

Commentaar: Het zesde en zevende gebod (uit de bekende “tien geboden”) spreekt alleen over de uiterlijke hoofdelementen van het kwade, namelijk de geweldsdaad (“Gij zult niet doodslaan”) en de zedeloosheid (“Gij zult niet echtbreken”).
In dit gedeelte (Mattheüs 5:27-32) gaat het over overspel en echtscheiding. De Heer Jezus laat hier duidelijk zien dat het seksuele verlangen naar een andere vrouw – dat gebeurt in het hart en is nog niet in de praktijk gebracht – overspel is. Toch is in het hart al overspel met haar gepleegd. We moeten wel begrijpen dat het hier gaat om een andere vrouw dan met wie men niet gehuwd is.

• “Maar Ik zeg u [meervoud], dat ieder die zijn vrouw verstoot anders dan uit oorzaak van hoererij maakt dat zij overspel pleegt; en wie een verstotene trouwt, pleegt overspel” (Mattheüs 5:32).

Commentaar: Het gaat hier om twee dingen.
– Het eerste is: het verstoten van je vrouw kan alleen als zij overspel gepleegd heeft, dat wil zeggen dat zij gemeenschap heeft gehad met een andere man. Ook weer een bewijs dat geslachtsgemeenschap alleen “binnen” het huwelijk thuis hoort. Vanwege de moeilijke omstandigheden waarin een vrouw in die tijd bij verstoting anders dan uit hoererij zou geraken, “moest” zij wel een nieuw huwelijk beginnen. Dit betekende voor haar overspel. Misschien moest zij zich wel als hoer een bestaan verwerven, zoals vandaag helaas ook zoveel gebeurt. Uitgangspunt hierbij is wel, dat voor God haar eerste huwelijk nog steeds bestaat!
De Heer Jezus zegt hier dan dat de man hiervoor verantwoordelijk is. Hij maakt dat zij dit doet.
– Het tweede is: Het huwen met een verstotene is volgens de Heer overspel. Ook hier is het uitgangspunt dat voor God haar eerste huwelijk nog steeds bestaat.

• 1 Korinthe 5:1: “Men hoort algemeen van hoererij onder u, en zo’n hoererij als zelfs onder de volken niet bestaat, dat iemand de vrouw van zijn vader heeft”.

Commentaar: Dit betekent dat wanneer iemand met zijn moeder geslachtsgemeenschap heeft, zoals hier bij de Korinthiërs, dit “hoererij” wordt genoemd door de Heilige Geest, de “Inspirator” van de Bijbel. Aangezien je niet met je eigen moeder getrouwd kunt zijn, vindt dit dus “buiten” het huwelijk plaats.
Ook zien we hier dat het ook onder de Christenen van Korinthe zó erg was, als je zelfs niet onder de volkeren (heidenen) vond. Ook vandaag vinden we op dit terrein de verschrikkelijkste zonden onder de Christenen. Dit gedeelte uit 1 Korinthe 5 is daarom voor ons vandaag niet minder leerzaam en uitermate beslissend wat betreft onze persoonlijke en gemeenschappelijke houding en verantwoordelijkheid in deze dingen (hierover later meer).

• “Ontvlucht de hoererij! Elke zonde die een mens doet, gaat buiten het lichaam om, maar wie hoereert, zondigt tegen zijn eigen lichaam” (1 Korinthe 6:18).

Commentaar: Hoererij wordt door God als zonde gekenmerkt. Daarom is er ook hier sprake van “ontvluchten”.

• “Maar laat vanwege de hoererijen ieder zijn eigen vrouw hebben en laat ieder vrouw haar eigen man hebben” (1 Korinthe 7:2).

Commentaar: Wederom een bewijs dat volgens de normen van God geslachtsgemeenschap “binnen” het huwelijk thuis hoort. Zó heeft Hij dit bedoeld!

Tucht in de gemeente

“Men hoort algemeen van hoererij onder u, en zo’n hoererij als zelfs onder de volken niet [bestaat], dat iemand [de] vrouw van zijn vader heeft. En u bent opgeblazen, en hebt niet veeleer getreurd, opdat hij die deze daad begaan heeft, uit uw midden werd weggedaan? Want ik, naar het lichaam afwezig maar naar de geest aanwezig, heb reeds, alsof ik aanwezig was, hem geoordeeld die dit zo bedreven heeft, in de naam van Heer Jezus (als u en mijn geest vergaderd zijn met de kracht van onze Heer Jezus) zo iemand aan de satan over te geven tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden wordt in de dag van de Heer . Uw roemen is niet goed. Weet u niet, dat een beetje zuurdeeg het hele deeg doorzuurt? Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat een nieuw deeg bent; u bent immers ongezuurd. Want ook ons pascha, Christus, is geslacht. Laten wij daarom feestvieren, niet met oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met ongezuurde [broden] van oprechtheid en waarheid. Ik heb u in de brief geschreven, dat u geen omgang moet hebben met hoereerders; niet in het algemeen met de hoereerders van deze wereld, of de hebzuchtigen en rovers, of afgodendienaars, want dan zou u wel de wereld moeten uitgaan. Maar nu heb ik u geschreven, dat als iemand die broeder genoemd wordt, een hoereerder is, of een hebzuchtige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of rover, u met [hem] geen omgang moet hebben, dat u met zo iemand zelfs niet moet eten. Want wat heb ik hen die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u niet hen die binnen zijn? Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. “Doet de boze uit uw midden weg” (1 Korinthe 5:1-13).

In het eerste artikel van deze serie zijn al enkele van deze verzen al aangehaald en we gaan er hier nog even verder op in. Omdat deze verzen in onze dagen nauwelijks meer worden gekend en toegepast, mogen we wel extra acht geven op de betekenis en de praktische consequenties ervan.
Zoals we al gezien hebben, wordt hoererij in de Bijbel als zonde be- en veroordeeld. Dat behoren wij dus ook te doen. En niet alleen in zijn algemeenheid maar zeker ook wanneer we er in onze omgeving mee in aanraking komen, in de persoonlijke sfeer maar ook in de gemeentelijke sfeer. Maar we moeten dat niet alleen “beoordelen” als kwaad maar het ook “wegdoen”. Persoonlijk en gemeenschappelijk. Kwaad moet geoordeeld worden omdat God niet met zonde in verbinding gebracht kan worden. De Bijbel zegt: “Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien …” (Habakuk 1:13). En: “God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis” (zie 1 Johannes 1:5).

Heiligheid
“Weest heilig, want Ik ben heilig”. Hij die ons riep is heilig en daarom verlangt Hij ook dat wij heilig zijn in onze handel en wandel. Het wandelen in de “begeerten van vroeger” behoort tot de verleden tijd. God verwacht dus praktische heiligheid bij ons. En dat kan, omdat wij als kinderen van God een nieuwe natuur hebben (wedergeboren zijn uit God), worden wij kinderen van de gehoorzaamheid genoemd zie (1 Petrus 1:14-16). Zij die niet wedergeboren zijn behoren bij die andere klasse van de mensheid, namelijk de ongehoorzamen. Dat willen en kunnen zij niet zien, omdat zij in het duister zijn. Zij zijn slaven van de zonde, zoals wij ook vroeger. Nu zijn we bevrijd door Hem, onze Heer en Heiland. Hij heeft ons ingevoerd in een relatie van gehoorzaamheid aan God en Zijn Woord. Daar zijn wij nu aan “gebonden”. We zijn nu slaven de Heer Jezus, we zijn “wettelijk” aan Hem verbonden en onderworpen en vinden ons geluk en blijdschap in het gehoorzamen van Hem. “De wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood” (Romeinen 5:2). En daar past geen hoererij in. Dat staat er lijnrecht tegenover. In onze dagen doet men haast niet anders dan juist die dingen die door God als zonde en ongehoorzaamheid worden gezien, goed te praten en ze te doen en zich erin verlustigen. Met name seks in haar meest perverse vormen – en het liefst buiten het huwelijk – wordt openlijk geproclameerd en breeduit gemeten en getoond. Vaak ook onder het mom van “voorlichting”, zelfs door zogenaamde Christelijke organisaties.

Twee naturen
Toch moeten we niet denken dat wij als Christenen, die kinderen van de gehoorzaamheid geworden zijn, daarvan verschoond blijven. Daarmee bedoel ik dat ook Christenen in de val van de zogenaamde “vrijheid” kunnen lopen, die geen echte vrijheid is maar gebondenheid aan satan, de heer en meester van het vlees. Ik zeg “kunnen” maar dat betekent niet “moeten”. Dat wil ik proberen uit te leggen.
Een Christen heeft “twee” naturen. Het vlees, dat de werkelijkheid van de oude natuur vertegenwoordigt en de Geest die de werkelijkheid van de nieuwe natuur bewijst. Als wij zondigen, is er sprake van het vlees en als we de Heer volgen en dienen, de broeders en zusters liefhebben zien we de werkzaamheid van de nieuwe natuur. Ik kan er dus niets aan doen als ik zondig? Jazeker! Wij zijn namelijk niet meer onder de heerschappij van de satan, die het vlees als zijn terrein “terroriseert” en onder controle heeft, maar wij zijn verlost van deze slavernij van de zonde door de Heer Jezus. Wij behoren nu aan die ‘Ander’ (zie Romeinen 7:4), die uit de doden is opgestaan, Jezus Christus, en zijn bevrijd van de wetmatigheid om te zondigen. Alleen door de Heilige Geest kunnen we de “vleselijke lusten” nalaten en vruchten voor Hem voortbrengen, die lijnrecht tegenover het vlees staan. Daarvoor is een wandel door de Geest nodig. “Wandelt door de Geest, en u zult de begeerte van het vlees geenszins volbrengen” (Galaten 5:16). Zo blijkt, dat we geen zonen meer zijn van de ongehoorzaamheid die vruchten van de duisternis voortbrengen, maar van de gehoorzaamheid die vrucht van het licht voortbrengen (Efeze 5:9). De wil van onze Heer is onze vreugde en daar willen we al onze energie in steken. Het gehoorzamen van de Heer is nu onze vreugde geworden. Dit alles uit liefde en tot eer van Hem.

Ook het Oude Testament verwerpt hoererij als zonde en laat zien “dat” en “hoe” er mee gehandeld moet worden.
“Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; gij zult uw naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen” (Leviticus 19:17). In deze tekst vinden we ook een duidelijke aanwijzing dat de zonde geoordeeld moet worden, het “naarstiglijk berispen” en het “niet verdragen” wijst daarheen. De zonde kun je en mag je niet verdragen, omdat God ook de zonde niet door de vingers ziet noch zien kan. Daarvoor kwam zelfs Zijn eigen Zoon om het loon van de zonde te ontvangen. Hij droeg onze zonden in Zijn lichaam op het kruis. Zo heeft Hij God, die heilig en rechtvaardig is, volkomen genoegdoening geschonken. Al de offers uit het Oude Testament wezen naar het ene volmaakte offer van de Heer Jezus. “Want het is onmogelijk dat bloed van stieren en bokken zonden wegneemt” (Hebreeën 10:4), en “Maar Hij, nadat Hij één slachtoffer voor [de] zonden geofferd heeft (Hebreeën 10:12). Dit laat zien dat alleen het offer van de Heer Jezus zonden kon wegnemen.
Wat de tekst uit Leviticus betreft: Ook laat het zien dat het niet haat jegens de broeder of zuster mag zijn, wanneer er berispt wordt. Dit zou ook helemaal verkeerd zijn. Nee, juist de liefde tot de broeder en zuster moet ons er toe brengen. Wel moeten we het verkeerde in hem of haar niet verdragen. Dat laten we ook merken door berisping, ook al doet dat misschien pijn bij de betreffende. Als wij zonden verdoezelen is dat geen bewijs van liefde, maar van onverschilligheid jegens de rechten van God. Juist als we liefhebben met de liefde van God in ons hart, zijn wij in staat om ook het verkeerde op een geestelijke wijze te beoordelen en indien nodig veroordelen. Dit is niet meer van deze tijd, zegt u? Toch wel. Het is zelfs zo dat: “De wonden van de liefhebber zijn getrouw; maar de kussingen van de hater zijn af te bidden” (Spreuken 27:6).

We hebben dus al iets gezien in deze beide teksten “dat” en “hoe” er gehandeld moet worden als er sprake van zonde is. En hoererij is zonde in het oog van God.
De volgende teksten laten zien dat God ook in het Oude Testament “hoererij”, “ongeoorloofde betrekkingen”, “seksuele uitspattingen” en “overspel” verwerpt. En als God dat verwerpt, moeten wij het dan goedpraten? Nee, absoluut niet. Uit liefde en bewondering voor Hem beamen wij Zijn visie hierop. Dat alleen kan ons bewaren voor dwaling en verontreiniging en zal ons bewaren in gemeenschap met Hem. De zonde moet juist worden weggedaan. Het Oude Testament en het Nieuwe Testament spreken over tucht en ook over het wegdoen van het (en de) boze.
– Leviticus 19:29: als het gaat om “hoererij”.
– Deuteronomium 22:22-30: als het gaat om “ongeoorloofde betrekkingen”. Het “vreemdgaan” wordt hier (vers 22) duidelijk verworpen en geoordeeld. Dit wordt in de Bijbel overspel genoemd. In vers 23-24 vinden we een meisje die “maagd” is, die ondertrouwd is aan een man en die niet geprotesteerd heeft, dus gewillig gemeenschap heeft gehad met een andere man. Zij met de man die haar “vernederd” heeft – ja, zo noemt de Schrift dat – moeten beiden sterven door steniging. Dit meisje wordt hier beschreven als zijnde de “vrouw van zijn naaste”. Dit was dus overspel, want er was hier sprake van “vrijwillige” geslachtsgemeenschap met iemand die als “vrouw van zijn naaste” voorgesteld werd. Het jonge meisje hier wordt beoordeeld alsof zij reeds getrouwd was.
In vers 25 daarentegen is er weer een ondertrouwd jong meisje. Zij echter werd verkracht – het was namelijk geen vrijwillige geslachtsgemeenschap, want zij riep om hulp. Zij gaat daarom ook vrijuit.
In vers 30 vinden we iets dat veel lijkt op het gedeelte waarmee we onder het kopje “Tucht in de gemeente” zijn begonnen. “Men hoort algemeen van hoererij onder u, en zo’n hoererij als zelfs onder de volken niet [bestaat], dat iemand [de] vrouw van zijn vader heeft. En u bent opgeblazen, en hebt niet veeleer getreurd, opdat hij die deze daad begaan heeft, uit uw midden werd weggedaan? … Doet de boze uit uw midden weg” (1 Korinthe 5:1-2,13).
Hoe actueel zijn toch deze dingen. Hoe duidelijk geeft de Schrift aan dat er gehandeld dient te worden en het boze moet worden weggedaan. Dat geldt nu ook nog.

Tucht in de gemeente

Het is niet mijn bedoeling om een uitgebreide toelichting te geven over tucht, maar het is wel van groot belang te zien, dat er hier sprake is van gemeentelijke tucht, één van de minstens drie vormen van tucht die de Schrift noemt. We noemen dan de broederlijke tucht (1), de vaderlijke tucht (2) en de gemeentelijke tucht (3). In het kader van ons onderwerp spreken we hier alleen over de gemeentelijke tucht, dat een “gezamenlijke” verantwoordelijkheid is.

Evenals het boze uit het midden van het volk moest worden weggedaan, zo moet dat ook vandaag gebeuren uit het midden van de gemeente. Wanneer zonde getolereerd wordt, dan is er sprake van oud zuurdeeg dat het hele deeg doorzuurt. Het zal op het geheel zijn verderfelijke invloed hebben. Als we vandaag zien hoe er met deze dingen wordt omgegaan, zien we dat het Woord van God is losgelaten met alle gevolgen van dien. Wat er in de wereld gebeurt en wat daar wordt getolereerd en gepraktiseerd, vinden we dan ook terug onder de kinderen van God.
Zelfs in een gemeente als Korinthe, waar zoveel kennis was (1:5-7) was er een geval van hoererij, zoals er zelfs in de heidense wereld niet bestond. We hebben hierboven al gezien dat het “boze moest worden weggedaan”. Iets wat in Deuteronomium 17-21 enkele malen wordt gezegd: “… zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen”. Misschien wisten zij niet hoe zij dat moesten doen. De Korinthiërs begrepen wel dat zij de boze door steniging – dus door lichamelijke dood – moesten wegdoen. Maar zij waren opgeblazen – dat is met kennis een groot gevaar – en betreurden zelfs niet deze gruwelijke hoererij. Verootmoediging ontbrak geheel. Daardoor kon God hen niet het licht geven, dat zij nodig hadden “hoe” zij dit kwaad uit hun midden moesten wegdoen. Hun hoogmoed stond hen in de weg en zo konden zij van het kwaad, dat in hun midden was, niet gereinigd worden. Zij droegen geen leed, en dat hadden ze wel kunnen weten. Waarom moesten ze dan bedroefd zijn? Omdat door deze daad de Heer oneer is aangedaan en de heiligheid van God niet werd gehandhaafd. Alleen droefheid over (openbare) zonde brengt ons in een hartentoestand, dat in staat is te handelen in overeenstemming met de gedachten van God. Daarbij moet de eer van God, Zijn heiligheid – de heiligheid is Uw huize sierlijk, HEERE …” (Psalm 93:5) -, maar zeker ook het herstel van de zondaar het doel zijn. Ik wil daarbij opmerken dat dit niet door enkele leden van de gemeente die daarvoor uitgekozen zijn of omdat zij rijk zijn – en er zijn nog veel meer mogelijke menselijke constructies te bedenken – gedaan moet worden, maar door het geheel. Niet volgens democratische beginselen, maar door het “geheel”, waardoor het geheel ook “geoefend” wordt. Er zijn nog veel meer dingen die van belang zijn maar in het kader van ons onderwerp laat ik het hierbij.

We besluiten met de opmerking dat we allereerst ons eigen hart behoren te beproeven – persoonlijke tucht, noem ik dat nu even – en ons in het licht van God moeten stellen. We zouden daarbij veel kunnen leren van David, die op het terrein waarover wij in deze artikelen gesproken hebben – denk maar aan Bathseba – zeker een ruime ervaring had. Laten we het dan ook met David zeggen: “Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg” (Psalm 139:23-24).

(Slot)

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW