2 weken geleden

Genade en regering

 

… of: Hoe God met ons handelt

Schriftgedeelten: Genesis 3; 4; 6; 28-45; Numeri 20; Deuteronomium 34; 2 Samuël 12:20; 15:30.

Inleiding

Misschien hebben sommige lezers nog niet veel aandacht besteed aan het thema van dit handelen; het is buitengewoon belangrijk. De moeilijkheden die zich voordoen bij het interpreteren van sommige geschriften en het uitleggen van veel van de wegen van Gods voorzienigheid zijn, in de meeste gevallen, te wijten aan het feit dat het verschil tussen de raadsbesluiten van genade en de regeringswegen van God niet begrepen wordt. In afhankelijkheid van het onderwijs van de Heilige Geest, zou ik willen proberen om enkele essentiële Schriftplaatsen uit te leggen, waarin ons het verschil tussen genade en regering1 wordt voorgesteld.

De genade- en regeringswegen van God met …

Adam

De eerste lessen in dit verband zijn te vinden in Genesis 3. Daar worden genade en regering voor de eerste keer geopenbaard. Aan de ene kant blijkt dat de mens een zondaar is – een verdorven, schuldige, naakte zondaar. Maar aan de andere kant wordt ons ook de genade van God voor ogen gesteld, die de verdorvenheid geneest, die schuld verzoent en de naaktheid bedekt. Hij doet dit alles op Zijn eigen manier. Hij brengt de slang tot zwijgen en veroordeelt haar tot eeuwige schande. Hij legt het fundament voor Zijn eigen eeuwige heerlijkheid en stelt de zondaar leven en gerechtigheid voor – alles door het Zaad van de vrouw.

Nou, dat was genade – onbeperkte vrije, onvoorwaardelijke en een volkomen genade, de genade van God. God gaf Zijn Zoon, Die als het “Zaad van de vrouw” voor de redding van de mens “verbrijzeld” werd, Die geslacht werd om zo voor de zondaar het kleed van goddelijke gerechtigheid te verwerven. Ik herhaal, dat was genade in haar onmiskenbare wezen. Maar anderzijds moeten we er zorgvuldig op letten, dat in direct verband met deze eerste grote ontvouwing van genade ook de eerste ernstige daad van Gods regering wordt genoemd. De genade bekleedde de mens – de regering dreef hem uit Eden. “En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw kleren van huiden en kleedde hen daarmee” (Gen. 3:21). Hier hebben we pure genade voor ons. Maar daarna lezen we: “Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog, om de weg naar de boom des levens te bewaken” (Gen. 3:24). Dit besluit is een ernstige en verootmoedigende openbaring van de regering van God. De klederen van huid waren de lieflijke uitdrukking van genade. Het vlammende zwaard was het ernstige teken van de regering. Adam was het voorwerp van beide. Toen hij keek naar de kleding van huiden die hij droeg, kon hij de goddelijke genade zien – hoe God hem een kledingstuk had bereid om zijn naaktheid te bedekken. Toen hij het zwaard zag, werd hij daarentegen herinnerd aan de niet aflatende regering van God.

We kunnen de “kleding van huiden” en het “zwaard” beschouwen als de vroegste uitdrukkingen van de “genade” en de “regering” van God. Natuurlijk zullen we deze dingen in een andere vorm vinden als we doorgaan met het verkennen van het geïnspireerde Woord. Genade zal steeds helderder stralen, de regering zal in diepere ernst verschijnen. Bovendien zullen zowel genade als de regering van God steeds duidelijker naar voren komen, naarmate ze in verbinding met de geschiedenis van het volk van God (in welke bedeling dan ook) zich doet gelden. Ondanks alles is het heel interessant, dat deze grote waarheden door de beelden van “kleding van huiden” en “zwaard” al zo vroeg duidelijk worden onderscheiden.

Misschien vraagt een lezer: Maar waarom dreef God dan nog de mens uit Eden als Hij hem van te voren al vergeven had? Deze vraag kan gesteld worden met betrekking tot bijna alle gebeurtenissen die het Woord van God ons meedeelt. In de hele geschiedenis van de volken vinden we deze verbinding van genade en regering. Genade vergeeft, maar de raderen van de regering blijven in al hun vreselijke majesteit rollen. Adam verkreeg volmaakte vergeving, maar zijn zonde resulteerde in de gevolgen ervan. De schuld van zijn geweten werd weggedaan, maar niet het zweet van zijn gezicht. Hij ging begenadigd en bekleed uit Eden weg, maar hij liep tussen doornen en distels. In zijn hart kon hij genieten van de kostbare vruchten van de genade, terwijl hij uiterlijk de ernstige en onherroepelijke wegen van de regering van God erkennen moest.

Zo was het met Adam, zo is het sindsdien altijd geweest, en zo is het vandaag ook nog. Elke lezer moet ernaar streven om in het licht van de Heilige Schrift een duidelijk begrip van het onderwerp te krijgen. Het is de moeite waard, dat we in gebed er onze aandacht aan schenken. Te vaak gebeurt het, dat genade en regering verwisseld worden. Als een noodzakelijk gevolg hiervan wordt de genade van haar schoonheid en de regering van zijn plechtig ernstige waardigheid beroofd. De zondaar die, op grond van vrije genade, de volle en onbeperkte vergeving van zijn zonden kan genieten, neemt dit feit maar weinig aan in geloof, omdat zijn hart zich bezighoudt met Gods strenge regeringswegen. Aan de andere kant vertonen zij, die zich in de genade van God verblijden, een beangstigende onverschilligheid met het oog op de ernst van Zijn regering.

Beide zijden zijn zo duidelijk mogelijk te onderscheiden; en dit onderscheid wordt in Genesis 3 even duidelijk als in elk ander deel van het geïnspireerde Woord gehandhaafd. Stonden de doornen en distels, waaronder Adam zich na zijn verdrijving uit Eden bevond, op gespannen voet met de volle vergeving, die de genade van God hem zojuist verzekerd had?

In geen geval! Zijn hart had zich in de heldere stralen van de belofte van genade verheugd. Hij had kleren van huiden aan die hem de genade bereid had, voordat hij in een vervloekte en zuchtende schepping gezonden werd om daar te werken onder de rechtvaardige regering van God en zich af te matten. De regering van God dreef de mens uit Eden, maar pas nadat de genade van God hem vergeven en bekleed had. De regering zond hem naar een wereld vol duisternis. Tevoren was hem echter door genade het licht van de belofte gegeven, dat hem in de duisternis troosten kon. Adam kon het strenge oordeel van God alleen in die mate verdragen, zoals hij ook de rijke voorzorg van genade ervoer.

Tot zover de geschiedenis van Adam, voor zover het ons onderwerp verklaart. Laten we ons nu met de ark en de vloed in de dagen van Noach bezig houden, die net als de kleren van huiden en het vlammende zwaard de genade en de regering van God treffend tot uitdrukking brengen.

Kaïn en Abel

De geschiedenis van Kaïn en zijn nakomelingen toont in niets ontziende openhartigheid hoe de mens in zijn gevallen toestand voortschrijdt. Daarentegen ontvouwt zich in de lijn van Abel de geestelijke vooruitgang van hen die geroepen zijn om temidden van de omgeving waarin God’s regering Adam geplaatst had, een leven van geloof te leiden. Degenen die de weg van Kaïn gingen vielen heel snel dieper en dieper, totdat de maat van hun schuld uiteindelijk zo vol was, dat hen het zware oordeel van de regering van God treffen moest. Daarentegen nam de geschiedenis van de afstammelingen van Abel (of Seth) door de genade van God een positief verloop. Ze werden veilig door het oordeel heen naar een vernieuwde aarde gedragen.

Noach

Het is nu interessant om te zien, dat de uitverkoren familie van Noach vóór het oordeel in de ark, het vat van de genade, in veiligheid gebracht werd. Noach was veilig in de ark, net zoals Adam met de huiden bekleed was. Op deze wijze werd hij een getuige van de onbeperkte genade van God. Hij kon in alle rust naar Gods regeringstroon kijken, van waaruit het vreselijke oordeel over een vervuilde wereld stroomde. In Zijn genade redde God Noach voordat Hij de aarde in Zijn regering in de vloedgolven van oordeel dompelde. Dus ook hier hebben we genade en regering. De eerste redt, de laatste oordeelt; maar God openbaart Zich in beide. Elk deel van de ark droeg de liefelijke stempel van genade; elke golf van de vloed was een bewijs van de ernst van de regering.

Jakob

Ik wil nu nog uit Genesis een gebeurtenis van diepgaande praktische betekenis aanhalen, waarin we het verband tussen genade en regering op een zeer ernstige en indrukwekkende wijze kunnen zien. Ik bedoel het geval van de aartsvader Jakob. De hele leerzame geschiedenis van deze man bevat veel illustraties over ons onderwerp. Ik wil me alleen beperken tot het voorval waarin Jacob zijn vader bedriegt om zijn broer uit het eerstgeboorterecht te verdringen. Al lang voordat Jakob geboren werd, had de soevereine genade van God hem voorrang gegeven, die hem geen mens ooit zou kunnen ontroven. Maar hij was er niet mee tevreden om op de tijd en de weg van God te wachten, maar ging met deze aangelegenheid zelf aan het regelen. Wat was het resultaat? Geheel zijn latere leven geeft daarop een waarschuwend antwoord. Ver weg van het huis van zijn vader; twintig jaar harde dienstbaarheid; zijn loon veranderde tien keer; hij mocht zijn moeder niet meer zien; hij leefde in constante angst om door zijn beledigde broer te worden vermoord; zijn familie werd schande toegebracht; angst voor zijn leven vanwege het voorval in Sichem; bedrogen door zijn tien zonen; diepe smart vanwege de vermeende dood van zijn lievelingszoon Jozef; vanwege de hongersnood de dood voor ogen; en tenslotte overviel de dood hem in een vreemd land.

Wat een les voor ons! Jakob was een voorwerp van genade – een soevereine, onveranderlijke en eeuwige genade. Dat staat zonder twijfel vast. Maar hij was ook een voorwerp van de regering van God. Laten we altijd onthouden, dat genade zich nooit mengt met Gods regeringswegen! Hun uitvoering kan niet worden gestopt. Het zou gemakkelijker zijn om de oceanen met een veer, of een wervelstorm met een spinnenweb te stoppen, dan door een of andere kracht, zij het menselijk, bovennatuurlijk of ondergronds, de krachtige regering van God tot stilstand te brengen (verg. Ezech. 1).

Dit alles is heel ernstig. Genade vergeeft – ja, het vergeeft vrij, volledig en eeuwig. Maar wat een mens zaait, zal hij ook oogsten. Een heer kan zijn knecht uitzenden om zijn akker met tarwe te bezaaien; en door onwetendheid, domheid of grove onoplettendheid verspreidt hij wat schadelijk onkruid. Zijn Heer hoort van deze fout en vergeeft hem in zijn genade – vergeeft hem vrij en volledig. Wat nu? Zal deze vergeving de vrucht van het veld veranderen? Natuurlijk niet. Op het tijdstip van de oogst zal de bediende geen gouden aren vinden, alleen het nutteloze onkruid. Laat deze aanblik twijfelen aan de genade van zijn Heer? In geen geval! Zoals de genade van de Heer de aard van de uitgestrooide vrucht niet veranderde, zo doet deze ook aan de genade en vergeving van de Heer geen afbreuk. Deze dingen hebben niets met elkaar te maken en moeten daarom duidelijk onderscheiden worden. Zelfs wanneer uit het onkruid nog een stof kan worden gewonnen, die veel waardevoller is dan tarwe, zou dat bovenstaand principe niet aantasten. Altijd zou nog gelden: “Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten” (Gal. 6:7).

Dit zwakke voorbeeld illustreert het verschil tussen genade en regering. De passage die zojuist is geciteerd uit Galaten 6 beschrijft het grote beginsel van de regering in korte maar omvattende woorden – een beginsel van zeer diepe en praktische betekenis, een beginsel met de grootst mogelijke toepassingen: “Want wat een mens zaait”. Het speelt geen rol wie deze mens is; hij zal oogsten wat hij zaait. Genade vergeeft, ja, ze kan zelfs gelukkiger dan ooit tevoren maken. Maar als iemand in het voorjaar onkruid zaait, zal hij in de zomer geen tarwe oogsten. Dat is duidelijk en van grote praktische betekenis. Zowel de heilige Schrift als ook de ervaring bevestigen en illustreren dit goddelijke beginsel.

Mozes

Neem het geval van Mozes! Bij de wateren van Meriba sprak hij gedachteloos met zijn lippen (Num. 20). Wat was het resultaat? In Zijn regeringswegen verbood God hem om het beloofde land binnen te gaan. Merk echter op, dat terwijl de regering van God Mozes niet in Kanaän liet wonen, de genade van God hem naar de Pisga leidde (Deut. 34). Van daaruit mocht hij het hele land zien – niet alleen de grenzen, zoals het feitelijk door Israël werd ingenomen, maar ook volgens de goddelijke belofte. En wat gebeurde er toen? God begroef Zijn geliefde dienaar! Wat een genade komt hier aan het licht! Wanneer we geschokt zijn over het ernstige vonnis van de regering in Meriba, zullen we overweldigd worden door de onvergelijkelijke genade op de top van Pisga. De regering van God hield Mozes uit Kanaän. De genade van God bereidde een graf voor hem in de vlakten van Moab. Was er ooit zo’n begrafenis? Kunnen we niet zeggen dat de genade die het graf van Mozes heeft gemaakt, alleen nog door het graf van Christus overtroffen wordt? Ja, God is in staat om een ​​graf te graven of een rok van huiden te maken. De genade die van deze wonderbaarlijke daden uitstraalt, wordt door de tegenstelling tot de ernstige wijze van regeren alleen maar groter.

David

Laten we nu naar David kijken “in het geval van Uria de Hetiet”. Ook hier vinden we weer een treffende ontvouwing van genade en regering. Onder de verblindende macht van de lust viel David van zijn hoge en heilige roeping in de diepe en afschuwelijke afgrond van moreel verderf. Daar werd zijn geweten geraakt en veroordeeld. Uit zijn gebroken hart kwam de belijdenis: “Ik heb gezondigd tegen de HEERE”. Wat was het gevolg? Een onmiddellijk en ondubbelzinnig antwoord vanuit de onvoorwaardelijke genade waarin God Zijn welbehagen vindt: “De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen” (2 Sam. 12:13). Dat was absolute genade. De zonde van David was daarmee volledig vergeven. Daaraan is geen twijfel mogelijk. Maar waar David hier na zijn schuldbelijdenis de stem van genade mocht horen, stelde het de regering van God niet buiten werking. Nauwelijks had de genade zijn schuld uitgewist, toen het zwaard van de regering uit zijn schede ging om het noodzakelijke oordeel uit te oefenen. Dat is zeer ernstig. David ontving volledige vergeving, maar Absalom kwam tegen hem in opstand. “Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten”. Het kan een mens vergeven worden wanneer hij onkruid zaait, maar de oogst zal daardoor niet verbeteren. Het eerste is genade, het tweede regering. Beiden worden op hun eigen terrein uitgeoefend en spreken elkaar nooit tegen. Zowel de stralen van genade als de ernstige waardigheid van de regering zijn naar hun aard van goddelijke oorsprong. Als een voorwerp van genade mocht David het huis van God binnengaan (2 Sam. 12:20), voordat hij onder de regering van God de ruige heuvel van de Olijfberg moest beklimmen (2 Sam. 15:30). Ja, we kunnen er zeker van zijn dat het hart van David de genade van God nooit dieper gevoeld heeft dan in de tijd dat Hij Zijn rechtvaardige regering moest ervaren.

Genade neemt de gevolgen van zonde niet weg

Ik heb genoeg gezegd om dit onderwerp voor de lezer te openen, en hij kan zich er gemakkelijk persoonlijk verder mee bezighouden. De Heilige Schrift staat er vol van, en het menselijk leven spreekt ook elke dag dezelfde taal. Hoe vaak zien we dat mensen ten volle genieten van de genade van God, zich bewust zijn van de vergeving van hun zonden en wandelen in een ononderbroken gemeenschap met God, terwijl ze tegelijkertijd de gevolgen van vroegere dwaasheden en losbandigheid in hun lichaam of hun bezittingen dragen moeten. Ook daarin openbaren zich genade en regering. Dit is van grote praktische betekenis. Als we dit beginsel naleven, zal het ons van groot nut zijn, niet alleen in de studie van de Schrift, maar ook in ons eigen leven.

Tot slot wil ik nog graag een punt noemen, dat vaak ten onrechte als een openbaring van genade wordt afgeschilderd, terwijl zij ondubbelzinnig een principe van de regering van God is: “Toen de HEERE bij hem voorbijkwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw, Die goedertierenheid blijft bewijzen aan duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft, maar Die de schuldige zeker niet voor onschuldig houdt en de ongerechtigheid van de vaders vergeldt aan de kinderen en kleinkinderen, tot in het derde en vierde geslacht” (Ex. 34:6,7). 

Als wij dit gedeelte als een openbaring van God beschouwen, zoals het ons in het Evangelie wordt voorgesteld, zouden we maar zeer weinig van het karakter van het Evangelie begrijpen. De taal van het Evangelie is: “dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenend was, terwijl Hij hun overtredingen hun niet toerekende” (2 Kor. 5:19). “De ongerechtigheid vergelden” en “niet toerekenen” zijn toch wel twee totaal verschillende dingen. Het eerste komt overeen met de regering, het tweede met de genade van God. Het is dezelfde God, maar Hij openbaart Zich op verschillende manieren.

NOOT VERTALER
1. Bij “regering” moeten we in dit artikel denken aan de regeringswegen van God.

C.H. Mackintosh

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol