7 maanden geleden

Gedachten over het dienen van God (01)

Bijbelgedeelte: Numeri 1-3

In het vierde boek van Mozes (Numeri) begint de beschrijving van de omzwervingen van het volk Israël pas vanaf hoofdstuk 10 vers 11. In de eerste hoofdstukken vinden we voorbereidende instructies voor de reis. In de eerste hoofdstukken vinden we voorbereidende instructies voor de reis. De dienst van de Levieten neemt hier een prominente plaats in. Een overzicht van deze hoofdstukken toont ons belangrijke voorwaarden en kenmerken van een dienst die God welgevallig is.

In hoofdstuk 1 worden de mensen geteld en opgenomen in de geboorteregisters. Met de nieuwe geboorte ontvangt de christen zijn plaats onder het volk van God. Alleen zij die zijn ingeschreven in het geboorteregister, in het boek van het nieuwe leven, zijn in staat om God welgevallig te dienen (verg. 1 Thess. 1:9).

In hoofdstuk 2 ordent God het kamp van Israël rondom het heiligdom. Christus, van Wie veel details van het heiligdom een voorbeeld zijn, moet hét Middelpunt zijn van alle dienstbaarheid. Waardering voor het huis van God, de vergadering (gemeente), is ook een voorwaarde voor een goede dienst.

Juda legerde zich rond zonsopgang. De Heer Jezus, de Leidsman uit het land van Juda (Match. 2:6), zal terugkomen. Deze gebeurtenis is de motivatie, de inhoud en het doel van de bediening. “Handel totdat Ik kom.”

In hoofdstuk 3 worden de Levieten tot de dienst geroepen. Dat deze stam werd uitgekozen voor de dienst was geen verdienste, maar soevereine genade van God (verg. Gen. 49:5-7). Zo is de roeping van elke dienaar ook vandaag nog een daad van Gods genade (verg. Ef. 3:8). Zijn we ons hier voldoende van bewust?

De Levieten werden voor God geheiligd in plaats van de eerstgeborenen. “Zij behoren Mij toe,” zegt God (Num. 3:13,41). Hun heiliging herinnert dus aan het ontzien van de eerstgeborenen en daarmee aan de verlossing uit Egypte. Als verlosten moesten ze hun naam Levi (“aanhankelijkheid”) in ere houden en de Heer volledig toebehoren en dienen. Ook wij behoren onszelf niet langer toe. We zijn gekocht voor een prijs en moeten nu onze God verheerlijken door een leven, dat aan Hem is gewijd (1 Kor. 6:19,20).

De Gersonieten, Kahathieten en Merarieten kregen elk een andere dienst. Waaruit deze dienst bestond werd alleen door God bepaald; ze konden het niet zelf kiezen. Ondanks de verschillen in dienst kon er geen afgunst opkomen, zolang ze maar keken naar Degene die hen de opdracht had gegeven en naar hun eigen dienst en niet naar de taken van de anderen. De parallel hiermee vinden we in 1 Korinthe 12.

De dienst van de Gersonieten (gordijnen) spreekt van afzondering, de dienst van de Merarieten (planken) spreekt van de eenheid van het lichaam, “goed samengevoegd en verbonden,” (Ef. 4:16) en de dienst van de Kahathieten (heilig vaatwerk) leidt tot de “kennis van de Zoon van God” (Ef. 4:13). Deze resultaten moeten ook komen door de bediening van de gaven zoals we vinden in Efeze 4.

Van de 22.000 opgeroepen Levieten waren er slechts 8580 geschikt voor de dienst (verg. Num. 3:39; 4:46-49). Elke gelovige heeft een taak van de Heer gekregen, in die zin is iedereen een “Leviet.” Maar ben ik persoonlijk ook bereid om dienst te doen?

 

Marco Leßmann; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 08.02.2018.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW