15 jaar geleden

Gaven van de Geest of dweperij? (3)

De charismaten beweren in het algemeen, dat het het zogenoemde “spreken in tongen” het onmiddellijke gevolg is van de zogenoemde “Geestesdoop” dat we in het voorgaande hoofdstuk hebben behandeld. Ook hier moeten we jammer genoeg meteen aan het begin al vaststellen, dat dit “spreken in tongen” van de charismaten niet wordt geleerd in de Heilige Schrift.

Een taalkundige verklaring

Onder de gaven die de verhoogde Christus Zijn gemeente heeft gegeven, worden ook “velerlei talen” of “spreken in talen” genoemd (1 Korinthe 12:10, 28, 30 enzovoorts). Het in het Grieks gebruikte woord voor “taal” glossa betekent in de eerste plaats “tong” in de vorm van een lichaamsdeel (Markus 7:33; Lukas 1:64 enzovoorts). Zoals we al zagen, wordt datzelfde woord glossa ook in Handelingen 2:3 voor de verdeelde tongen gebruikt, die zich op de discipelen zetten. Normaal gesproken is het niet moeilijk om te onderscheiden of in het Nieuwe Testament de tongen in de vorm van lichaamsdelen of van talen bedoeld wordt; dienovereenkomstig moet dan ook vertaald worden.

Wat verstaat men onder het zogenaamde “spreken in tongen”?

De Charismaten zijn helaas niet de enigen, die bepaalde duidelijke uitspraken in het Woord van God verkeerd begrijpen en verkeerd uitleggen. Ook de theologen weten sinds lange tijd niets beters te zeggen. Het hierna volgende uittreksel uit een moderne encyclopedie laat zien, hoe weinig uitspraken van het Woord van God begrepen worden, of anders gezegd, hoeveel men probeert het naast zich neer te leggen:

“Spreken in tongen” (glossolalie, van het Griekse glossa “tong”, “taal”), exstatisch spreken in een onverstaanbare, stamelende taal … De nieuwheidservaring van de eerste Christenen uitte zich vaak in een verandering van extatisch spreken in tongen (Handelingen 10:46; 19:6), dat tot de verschijningsvormen van de aan de gemeente gegeven geest der eindtijd gerekend werd (1 Korinthe 14:39). Paulus staat zeker zeer sceptisch tegenover het spreken in tongen en weegt het nadrukkelijk tegenover de ook voor buitenstaanders verstaanbare profetische taal af (1 Korinthe 13:1; 14:1-12).Bijzondere problemen geeft het Pinksterbericht (Handelingen 2:1-13). Een oudere versie van deze geschiedenis schijnt van een hoor-wonder te hebben gesproken: de omstanders verstaan immers het spreken in tongen in hun taal (vers 8). Lukas maakt daaruit een tongen-wonder: de apostelen spreken, als het ware vooruitlopend op de wereldwijde missie, in verschillende talen (vers 4)”.

Duidelijk voorzichtiger beoordeelt de “Lexicon zur Bibel” (Brockhaus-Verlag) het zogenoemde spreken in tongen, maar het geeft ook geen echte verklaring voor deze gave.

Toch zijn er ook stemmen geweest die zich niet lieten meeslepen door onkunde of vooringenomenheid met betrekking tot deze in het NT betuigde gave. Zoals bijvoorbeeld de bekende Bijbel-uitlegger J. A. Bengel (1687-1752), die over 1 Korinthe 14:4 in zijn bijbelwerk “Gnomon” schreef: In het algemeen kun je in dit hoofdstuk onder “tongen” verstaan “talen”. Dat dit de eenvoudige en heldere verklaring van de gave van het spreken in talen/tongen is, willen we nu aan de hand van teksten uit het Nieuwe Testament bewijzen.

Het getuigenis van het Nieuwe Testament

Na deze iets langere inleiding willen we tot onze eigenlijke bedoeling komen en onderzoeken, wat de afzonderlijke teksten uit het NT, waarin het spreken in tongen gevonden wordt, werkelijk verklaren.

Markus 16:17

“En hen die geloven, zullen deze tekenen volgen: in Mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven; in nieuwe talen zullen zij spreken; slangen zullen zij opnemen; en al zullen zij ook iets dodelijks drinken, het zal hun geenszins schaden; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden” (Markus 16:17-18). In dit gedeelte hebben we de “grote opdracht” van de opgestane Heer aan Zijn discipelen (vergelijk ook Mattheus 28:18-20). Hij riep hen op om aan de hele wereld het evangelie te prediken. Christus was immers in de wereld gekomen, om zondaren te redden. Daarom stierf Hij en werd Hij opgewekt (Romeinen 4:25). Allen, die geloven en gedoopt worden, zullen gered worden, maar wie niet gelooft, gaat voor eeuwig verloren.

De dan genoemde dingen, het uitdrijven van demonen (vergelijk Handelingen 16:18), het spreken in nieuwe talen (Handelingen 2:4), het opnemen van slangen (Handelingen 28:3-6), het opleggen van de handen (Handelingen 3:5; 5:12) enzovoorts, dit alles ging in het leven van de apostel daadwerkelijk in vervulling. Zij hadden als eerste geloofd en waren vervuld met de wens, zielen te winnen. Maar deze belofte geldt niet algemeen, zodat iedere Christen dit op zichzelf kan toepassen. Ze geldt in de eerste plaats voor hen, die de grote opdracht van de Heer vervulden. Als vandaag de dag een gelovige een slang op zou nemen, zou het hem niet zo vergaan als Paulus in Handelingen 28.

Bovendien is het belangrijk het onderscheid met het woord van de Heer aan het eind van Mattheüs-evangelie te zien. Daar spreekt Hij ervan, dat Hem alle macht in hemel en op aarde is gegeven en dat Hij bij ons wil zijn tot aan de voleinding van deze eeuw (Mattheus 28:18-20). In het evangelie naar Markus lezen we er echter niets van, dat de Heer door de tekenen zo lang zou werken. Zoals we zagen, gingen de voorspellingen van de Heer bij de apostelen haast letterlijk in vervulling – en wel alle, niet slechts een of twee! Daarom is het merkwaardig dat tegenwoordig alleen bepaalde dingen hiervan als bijzondere “gaven” worden voorgesteld.

Het gaat hier over tekenen, waarmee God aan het begin van het Christelijk tijdperk bevestigde, dat de verkondiging van het Evangelie in opdracht van Hem gebeurde. Zo had Hij eens Mozes door wonderen en tekenen voor de Farao als Zijn dienaar gelegitimeerd. De schrijver van de brief aan de Hebreeën herinnert zich deze tekenen omstreeks het jaar 60 met de woorden: “Hoe zullen wij ontkomen, als wij een zo groot heil veronachtzamen, dat eerst verkondigd is door de Heer en aan ons bevestigd is door hen die het gehoord hebben, terwijl God bovendien meegetuigde, zowel door tekenen als wonderen en velerlei krachten en uitdelingen van de Heilige Geest naar Zijn wil” (Hebreeën 2:3-4).

De “nieuwe talen”, die de Heer in Markus 16 vermeldt, zijn niet nieuw in de zin dat ze nog nooit tevoren gehoord zijn, of dat ze voor de toehoorders nieuw waren, maar het waren talen die nieuw waren voor de spreker. Het waren andere talen dan degene, die ze tot dan toe toe kenden. Dat komt ook tot uitdrukking in het Griekse woord voor “nieuw” (kainos). Het betekent iets nieuws, in zoverre het nog niet geweest is, of in tegenstelling tot het tot op heden van dit komt. In het Grieks is er nog een ander woord, neos, dat ook “nieuw” betekent, maar dan in de zin van “jong, fris, nog niet oud”. Dat wordt hier echter niet bedoeld.

Handelingen 2:4-13

Dat wordt in het volgende voorkomen van het woord “taal” bevestigd. Na de uitstorting van de Heilige Geest, dat we in hoofdstuk twee behandeld hebben, begonnen de discipelen in andere talen te spreken zoals de Geest hun gaf uit te spreken. Deze andere talen, die in de verzen 8-11 opgesomd worden, zijn immers toch de “nieuwe talen”, waarvan de Heer in Markus 16:17 gesproken had. De discipelen, die van huis uit Aramees en ook wel Grieks (Koine) spraken, spraken toen in de kracht van de Heilige Geest in ongeveer 16 talen en dialecten.

Vaak hoort men de opvatting: “De discipelen spraken in hun eigen taal, maar de toehoorders hoorden telkens hun taal.” Daarbij wordt op de verzen 6, 8 en 11 gewezen, waar sprake is van het horen. Allereerst staat er bij de verzen 6 en 11 uitdrukkelijk bij, dat zij in hun eigen taal hoorden spreken. Ten tweede hebben we in vers 4 gelezen, dat ze in andere talen spraken. Het was dus geen “hoor-wonder”, maar een echt “talen-wonder”.

Uit deze tekst worden twee dingen duidelijk: Allereerst, dat de nieuwe en andere talen daadwerkelijk op de aarde gesproken talen waren, maar verder voor de discipelen vreemde talen die ze niet geleerd en tot dan toe nog nooit gesproken hadden. Er is dus geen twijfel over mogelijk, dat we hier de ware oorsprong en het ware doel van de gave van het spreken in talen vinden.

Ten tweede wordt duidelijk dat deze gave van God door de Heilige Geest gegeven was, om “de grote daden van God”, dat betekent het werk van Christus en de zegenrijke gevolgen voor degenen, die geloven, te verkondigen. Het resultaat van deze wonderbaarlijke prediking vinden we in vers 41: “En er werden die dag ongeveer 3000 zielen toegevoegd”.

God gaf dus op bovennatuurlijke, geestelijke wijze ongeleerde mannen de vaardigheid om in talen te spreken die ze niet geleerd hadden.In deze talen verkondigden zij de grote daden van God, dat betekent: het evangelie.Ze werden door de aanwezigen, die ongelovig waren, verstaan, doordat ze in hun eigen talen predikten.

Wat de Heer in Markus 16:17 had aangekondigd, werd op de Pinksterdag al werkelijkheid. Daarbij werd ook de bedoeling van God, die Hij met de gave van het spreken in talen heeft, zeer duidelijk. Het is derhalve verkeerd en onverantwoord, deze tekst in Handelingen 2 als een eenmalige bijzonderheid op te vatten en alle volgende teksten anders te verklaren. Nee, juist deze tekst is de verklaring voor alle volgende.

Handelingen 10:46 en 19:6

Ook in het bericht van de redding van Cornelius en de zijnen wordt vermeld dat ze in talen spraken en God verhoogden. Cornelius was ongetwijfeld al een bekeerde en wedergeboren man, voordat Petrus tot hem kwam. Maar hem ontbrak nog de kennis van het volbrachte werk van Christus en daarmee het evangelie van het heil. In Efeze 1:13 staat duidelijk, dat diegene met de Heilige Geest verzegeld wordt, die dit “woord der waarheid, het evangelie van uw behoudenis” geloofd heeft. Tot dan toe waren heidenen niet in het genot van de door God voor Israel bestemde zegeningen gekomen.

Nu verkondigde Petrus, die zelf eerst in dit opzicht onderwezen moest worden (Handelingen 10:9-17), Cornelius en zijn huis, “dat een ieder die in Hem gelooft, vergeving van zonden ontvangt door Zijn Naam” (Handelingen 10:43). Cornelius en de anderen namen dit in geloof aan, en terstond viel de Heilige Geest op allen die het woord hoorden. Nu waren ook mensen uit de heidenvolken, de natien, “officieel” tot het Christelijk geloof en op het terrein van de zegen van God gekomen (de Samaritanen in Handelingen 8 waren weliswaar ook geen Joden in de strenge zin van het woord, net zo min als de kamerling). Als bewijs daarvan hoorde men ze nu in talen spreken en God verhogen. God betuigde daardoor, dat Joden en natien op gelijke wijze gezegend waren in Christus. Cornelius en de zijnen die het woord aangenomen hadden, ontvingen de Heilige Geest net zoals de Joden op de Pinksterdag. Dat bevestigt Petrus uitdrukkelijk in zijn bericht hiervan in hoofdstuk 11:15-16: “En toen ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, evenals ook op ons in het begin. En ik herinnerde mij het woord van de Heer, toen Hij zei: ‘Johannes doopte wel met water, maar gij zult met de Heilige Geest gedoopt worden'”. Het spreken in talen was dus geen noodzakelijk, begeleidend verschijnsel van de ontvangst van de Heilige Geest, anders hadden de Samaritanen (Handelingen 8) ook in talen moeten hebben gesproken. Nee, het was een teken, dat God de volken op gelijke wijze liet deelnemen aan de zegen als de Joden.

Op dergelijke wijze staat het met de ongeveer twaalf discipelen in Efeze (Handelingen 19:1-17). Alleen is hier niet Petrus of een andere van de twaalf van de door de Heer op aarde geroepen apostelen het werktuig van de genade, maar Paulus, de door de verheerlijkte Heer geroepen apostel der volken. De verkondiger van het evangelie van de heerlijkheid was niet minder dan de overige apostelen, maar stond op dezelfde bodem als zij.

De discipelen in Handelingen 19 hadden de Heilige Geest nog niet ontvangen, omdat ze sowieso nog niet wisten, dat Hij gekomen was! Zij kenden alleen de prediking van Johannes de doper en waren met zijn doop gedoopt. Een Christen is echter alleen diegene, die de Heilige Geest bezit, waardoor hij een lid van het lichaam van Christus is. Deze gelovigen echter – want dat waren ze -bevonden zich zogezegd nog op Oudtestamentische bodem. Dat ze geloofd hadden, betekent niet dat ze Christenen waren. Ook Johannes de Doper was geen Christen, net zo min als David, Abraham, Noach enz. Zij waren opnieuw geboren, maar dat alleen maakt nog niet het Christen-zijn uit! Een Christen is niet alleen opnieuw, dat betekent uit de Geest geboren, maar hij bezit ook de Heilige Geest (vergelijk Johannes 3:3, 5; Efeze 1:13; Romeinen 8:9b).Nu werd Paulus het werktuig om deze wedergeborenen in de positie van Christen te brengen. Toen Paulus hen de handen oplegde, kwam de Heilige Geest op hen en ze spraken in talen en profeteerden, net zoals het in het huis van Cornelius was gebeurd.

Uit deze gebeurtenissen zien wij, dat zowel Joden als heidenen, ongelovigen en reeds gelovigen door het geloof in het nu verkondigde evangelie van Jezus de Heilige Geest ontvingen. Het uiterlijke teken van het spreken in talen bewees dat zij allen op dezelfde bodem stonden, als degenen die nu tot het lichaam van Christus op aarde, tot Zijn vergadering behoorden.

Niet een ieder die de Heilige Geest ontving, sprak ook in talen! Bij de Samaritanen, bij de kamerling en bij de gevangenisbewaarder in Filippi wordt zoiets dergelijks niet vermeld. Na het geïnspireerde bericht uit de Handelingen van de apostelen zijn de genoemde teksten de enige, zeer duidelijke gevallen, waarin in talen werd gesproken.Het is derhalve heel onbedachtzaam, dat bijna alle uitleggers in de Handelingen tussen de gebeurtenissen in hoofdstuk 2 en die in hoofdstuk 10 en 19 een onderscheid maken. Er wordt door nauwelijks een uitlegger bestreden dat in hoofdstuk 2 werkelijk in niet geleerde vreemde talen werd gesproken; maar in hoofdstuk 10 en 19 zou datzelfde woord (glossa) plotseling een “extatisch spreken tot verheerlijking van God” (A.C. Gaebelein), of een “spreken in tongen in geestesvervoering” (W. Barclay) zijn! Wij hebben geen grond te betwijfelen dat het in alle drie gevallen ging om een door de Geest bewerkt spreken in vreemde talen.

1 Korinthe 12-14

In 1 Korinthe 12 tot 14 – maar vooral in hoofdstuk 14 – wordt zeer uitvoerig over de gave van het spreken in talen geschreven. De gemeente in Korinthe bestond hoofdzakelijk uit bekeerde heidenen en de apostel kon hen betuigen dat zij in Christus in alles rijk gemaakt waren, in alle woord en in alle kennis, zodat het hen aan geen enkele genadegave ontbrak (1 Korinthe 1:5-7). Maar hoewel zij zo rijk door God waren gezegend, waren ze geestelijk in een armzalige toestand. Zij waren in groepen uiteengevallen (hoofdstuk 1:11-13; 3:3-4), zij duldden buitenechtelijk geslachtsverkeer (hoofdstuk 5:1-2; 6:13-17), zij sleepten elkaar voor de rechtbank (hoofdstuk 6:1-7); en nog veel andere dingen wordt door de apostel in deze brief bestraffend aangehaald.

Vanaf hoofdstuk 12 onderwijst hij hun dan over de taken van de leden van het lichaam van Christus. Daar somt hij in de verzen 8-10 verschillende gaven op. Het is merkwaardig dat in beide gevallen de genadegave van het spreken in talen en de uitleg van de talen helemaal aan het einde van de opsomming staan. Het spreken in vreemde talen was niet zo”n hoge gave, zoals het spreken van het woord van wijsheid, of zoals de apostelen die als grondleggers van de gemeente op de eerste plaats staan. Het spreken in talen was een tekengave zoals de genezing van zieken. Er was geen grote kennis van de gedachten van God nodig, om het uit te oefenen. Ze was ook niet tot opbouw van de gelovigen gegeven, maar als teken voor ongelovigen die deze vreemde talen verstonden.

Het is vervolgens opvallend en belangrijk dat Paulus in 1 Korinthe 12:29-30 de vraag stelt: “Zijn allen apostelen? Zijn allen profeten? Zijn allen leraars? Hebben allen krachten? Hebben allen genadegaven van genezing? Spreken allen in talen? Zijn allen uitleggers?” Op elk van deze vragen moet het antwoord luiden: Neen! Paulus heeft in dit hoofdstuk aangetoond dat niet alle leden dezelfde taak en gave hebben. Daarom is het niet schriftuurlijk, als tegenwoordig wordt gezegd dat men de gave van het zogenoemde “spreken in tongen” kan of zelfs moet bezitten!

De gave van de uitlegging van een taal heeft nog een verklaring nodig (1 Korinthe 12:10,30). Men zou tegen de verklaring van het spreken in talen kunnen inbrengen: Wanneer het alleen gaat om vreemde talen die de spreker niet heeft geleerd, maar door Gods Geest spreken kan, dan zou de uitlegging toch alleen maar een vertaler – of tolk-bezigheid zijn. Dit kan echter door iedere taalkundige geleerd en uitgeoefend worden. Daarvoor is geen genadegave nodig. Hierbij wordt over het hoofd gezien dat het spreken in talen plus de uitlegging hetzelfde is als profeteren (daarover meer in hoofdstuk 4, in een van de volgende nummers). De boodschap die in de vreemde talen wordt verkondigd, moet niet alleen vertaald, maar ook uitgelegd worden. Het woord van God was immers nog niet voleindigd, zodat toentertijd nog nieuwe waarheden geopenbaard werden. Als dat in een vreemde taal gebeurde, dat houdt in door het spreken in talen, moest het zowel vertaald als uitgelegd worden. Daartoe diende de genadegave van de uitlegging van de talen.

In 1 Korinthe 13:1 schrijft Paulus: “Als ik in de talen van de mensen en van de engelen spreek, maar ik heb geen liefde, dan ben ik een klinkend metaal of schetterende cimbaal geworden”. Zoals we gezien hebben, zijn de talen, waarin de gelovigen spraken, menselijke, vreemde talen. Maar wat bedoelt Paulus met de “talen… van de engelen”? We kunnen hieruit niet afleiden dat hij zelf in zulke talen gesproken zou hebben! Paulus had de gewoonte zichzelf als voorbeeld te stellen als hij wat wilde uitleggen (vergelijk 1 Korinthe 4:6; Romeinen 7:7-25). Hier in 1 Korinthe 13 voegt hij in vers 2 toe: “En als ik profetie heb, en ik weet alle verborgenheden en alle kennis, en als ik alle geloof heb…”. In vers 9 zegt hij dan echter: “Want ons kennen is onvolkomen en ons profeteren is onvolkomen”. Paulus neemt hier dus ondubbelzinnig een hypothetisch geval aan, waarmee hij de Korinthiers wil uitleggen wat gebrek aan liefde betekent. Daarom kan uit zijn woorden in geen geval afgeleid worden dat hij of anderen werkelijk in talen van de engelen sprak, of zelfs dat het “spreken in tongen” hetzelfde betekent als “talen van engelen” of “tongen van engelen”. Als wij erkennen dat Paulus niet alle geheimenissen en alle kennis en alle geloof bezat, maar hier het niet gebeurde geval aanneemt, dan is ook de eerste zin een dergelijke hypothese. Op de vraag, wat deze talen van engelen zijn, kunnen we hier niet verder ingaan. Duidelijk is toch, dat ook deze geest-essenties over de talen als communicatiemiddel moeten beschikken (verg. Jesaja 6:3; Zacharia 3:4; Judas:9).

In 1 Korinthe 14 gaat Paulus dan in bijzonderheden op het spreken in talen in. Uit dit hoofdstuk krijgen we de indruk, dat de Korinthiers over de genadegaven die God hun had gegeven, zo opgetogen waren als kinderen over nieuw speelgoed. Bijzonder sterk trad dit bij het spreken in talen naar voren. De apostel moest hen daarom ernstig terechtwijzen. Dit hoofdstuk is dus geen onderwijzing in het “spreken in tongen”, maar een ernstige vermaning de genadegaven die God aan Zijn gemeente gegeven heeft, op de juiste manier te gebruiken.

Zoals we gezien hebben, was de gave van het spreken in vreemde talen door God als teken voor de ongelovigen gegeven. Mensen die de “grote daden van God” in hun eigen taal hoorden, moesten daardoor overtuigd en tot bekering gebracht worden. Dat wordt in 1 Korinthe 14:22 bevestigd: “Zo zijn dan de talen tot een teken, niet voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen”.In plaats van bijvoorbeeld naar de haven van Korinthe te gaan om daar de zeelieden uit alle delen van de wereld door gebruik van de gave van het spreken in talen het evangelie te brengen, genoten de Korinthiers in hun samenkomsten van deze spectaculaire gave. Maar hier werden ze door niemand verstaan. Daarom wijst Paulus hen terecht. Heel hoofdstuk 14 gaat over de samenkomsten van de gemeente in Korinthe, zoals uit de verzen 4, 5, 12, 19 en 23-35 ondubbelzinnig naar voren komt (1 Kor. 14:4,5,12,19,23-25).

Zo is het te begrijpen, dat degene die in een bijeenkomst in een taal spreekt, niet tot mensen, maar tot God spreekt. Niemand verstaat het immers, hoewel hij een door God gegeven genadegave uitoefent en misschien zelfs in de Geest geheimenissen uitspreekt, dat houdt in dingen die tot die tijd nog niet geopenbaard waren (1 Korinthe 14:2). De geheimenissen in het Nieuwe Testament zijn altijd dingen, die tot die tijd niet bekend, maar dan geopenbaard zijn, echter alleen door de geestelijk gezinde Christenen worden verstaan (verg. 1 Korinthe 15:51; Efeze 3:3-5).

Wie in een samenkomst van gelovigen in een taal sprak, bouwde alleen zichzelf op. Maar is dat het doel van het spreken in een samenkomst? Paulus gebiedt daarom, dat iemand het gezegde ook moet uitleggen, zodat de gemeente opbouw ontvangt (1 Kor. 14:4,5,6,9 en 13). Evenzo is het met het bidden en met het prijzen in een taal die niemand verstaat (vers 14-17).

Een verder argument van de apostel is de verwijzing naar de indruk die het spreken in talen op ongelovigen en onkundigen maakt. Als ze deze taal niet verstaan, zullen ze dan niet zeggen dat de gemeente wartaal spreekt (vers 23)? Tenslotte geeft de apostel een instructie die ook vandaag nog geldt. De brief aan de Korinthiers is immers gericht aan de “gemeente van God, die te Korinthe is, … met allen, in elke plaats, die de naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen” (1 Korinthe 1:2). Deze instructie luidt: “Laten uw vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet vergund te spreken, maar onderworpen te zijn, zoals ook de wet zegt. En als zij iets willen leren, laten zij thuis hun eigen mannen vragen; want het is schandelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente” (vers 34-35). Hoe gemakkelijk zetten vele Christelijke gemeenschappen zich over dit woord heen! Juist als het gaat om het zogenoemde “spreken in tongen”, spelen vrouwen vaak een dominerende rol. Dit feit alleen al moet iedere ernstige Christen tot nadenken stemmen. “Geliefden, gelooft niet iedere geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn” (1 Johannes 4:1).

De apostel staat de Korinthiers in hun samenkomsten het spreken in talen weliswaar toe – het is immers een genadegave van God – maar alleen onder twee voorwaarden: Ten eerste mogen er slechts twee of hoogstens drie achter elkaar spreken, en ten tweede moet er een uitlegger zijn. Als deze ontbreekt, mag er niet hardop in talen worden gesproken (vers 27-28).

We hebben nu een kort overzicht gegeven over de mededelingen van de Heilige Schrift over de genadegave van het spreken in talen. Het is een door God gegeven gave, die zoals de genadegaven van genezing, tot Zijn verheerlijking en tot een teken voor de mensen moest dienen.

Bestaat het spreken in talen tegenwoordig nog steeds?

Een duidelijke en ondubbelzinnige aanwijzing, dat er op een later tijdstip geen tekengaven zoals het spreken in talen en de genadegave van genezing meer zouden zijn, vinden we in het Nieuwe Testament niet. Maar anderzijds staat er ook nergens geschreven, dat ze tot aan het einde van het Christelijke tijdperk behouden zouden blijven! Menigeen zal misschien zeggen: “Dat is geen argument!” Als antwoord hierop voeren wij een tekst aan, waarin de Heilige Geest uitdrukkelijk zegt dat bepaalde gaven zullen voorduren. “En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, sommigen als profeten, sommigen als evangelisten, sommigen als herders en leraars, om de heiligen te volmaken, voor het werk van de bediening, voor de opbouw van het lichaam van Christus; totdat wij allen zullen gekomen zijn tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van de volwassenheid van de volheid van Christus” (Efeze 4:11-13).

De Heer Jezus ziet Zijn gemeente hier voor Zich als Zijn lichaam, en wel vanaf het ogenblik dat de apostelen en profeten van het Nieuwe Testament in het begin daartoe de grondslag legden (Efeze 2:20; 3:5), tot aan het punt waarop het de maat van de volwassenheid van de volheid van Christus bereikt zal hebben. Dit is het doel van de dienst van de gaven. Maar zal dat hier op aarde wel bereikt worden? Zal er hier ooit een eenheid van het geloof en een eenheid van de kennis van de Zoon van God bij alle Christenen zijn?

Iedere lezer kan voor zichzelf wel het antwoord vinden, als hij de tegenwoordige toestand van het Christendom overdenkt. Maar wanneer, misschien al spoedig, de gemeente verheerlijkt zal zijn, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks met haar Hoofd in de hemel verenigd zal zijn, dan is Zijn doel bereikt! Tot aan dat ogenblik doet de Heer moeite als Heiland van Zijn lichaam door de Heilige Geest, door Zijn Woord, maar ook door de gaven van de evangelisten, herders en leraars voor de opbouw van Zijn lichaam, en wel zolang, “tot we allen zijn aangekomen …”. Geen woord over talen en genezingen! Deze tekengaven waren niet voor de opbouw van het lichaam gegeven, maar als teken van de macht en het werken van God. Ieder, die vandaag de grote daden van God en Zijn heilswerken wil leren kennen, kan het voleindigde Woord van God opslaan. Hij zal daarin alles vinden wat noodzakelijk is voor de behoudenis van zijn ziel en voor een godsvruchtige wandel.

Er zijn bovendien nog enkele zeer sterke argumenten die bewijzen dat de tekengaven van het spreken in tongen en van de genezingen hun plaats alleen in de eerste tijd van de gemeente van God hadden.

a) Als de schrijver in de reeds aangehaalde tekst in Hebreeën 2:4 – dus in het begin van het zestigste jaar van de eerste eeuw na Christus – over tekenen, wonderen, velerlei wonderwerken en uitdelingen van de Heilige Geest spreekt, doet hij dat in de verledentijdsvorm: “… terwijl God bovendien meegetuigde …” Dat laat de conclusie toe, dat deze buitengewone dingen, waartoe immers ook het spreken in talen behoorde, toen al tot het verleden behoorden.

b) Deze gedachte wordt bevestigd in 1 Korinthe 13:8-10: “De liefde vergaat nooit; maar hetzij profetieën, zij zullen hun einde hebben (in andere vertalingen: zij zullen weggedaan worden), hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal afgedaan hebben (in andere vertalingen weer: zij zal weggedaan worden). Want ons kennen is onvolkomen en ons profeteren is onvolkomen, maar wanneer het volmaakte gekomen is, zal wat onvolkomen is, teniet gedaan worden”.

De Goddelijke liefde blijft eeuwig, want zij is Gods wezen. Maar er komt een ogenblik, waarin er geen profetie (of voorspelling) en geen kennis, waarnaar men zoekt, meer nodig is; namelijk dan, wanneer het volkomene met de wederkomst van de Heer om de Zijnen thuis te halen, zal zijn gekomen. Dan zal er geen onvolkomen werk meer zijn, het zal weggedaan worden. Maar in tegenstelling tot dat, staat er van talen dat ze zullen ophouden. Profetie, kennis, alles wat onvolkomen is, zal bij de wederkomst van de Heer weggedaan worden. Maar de talen zullen ophouden. Nog een aanwijzing dus, dat de talen op een ander, dat houdt in op een vroeger tijdstip, zouden ophouden dan kennis en profetie, die bij het opnemen van de bruid weggedaan worden.

c) Nog eens zij de parallel vermeld, die er bestaat tussen de wonderwerken die Mozes voor de uittocht van Israel uit Egypte deed, en de tekenen die de Heer in Markus 16 de Zijnen aankondigde, welke alle hun vervulling vonden in de eerste tijd van het Christendom en in de Handelingen van de apostelen beschreven worden. De tekenen en wonderen in verbinding met de uittocht van het volk Israel uit Egypte duurden ook niet voort. Evenals in Hebreeen 2:4 wordt in Deuteronomium 26:8 terugblikkend gezegd: “En de Heere voerde ons uit Egypte, door een sterke hand, en door een uitgestrekte arm, en door grote schrik, en door tekenen, en door wonderen”. Profetisch gezien is de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypte een beeld van het begin van de Christelijke kerk [= gemeente, vertaler] op de aarde. Het is kenmerkend, dat de parallel doorgaat tot in zulke details.

d) In de geschriften van de kerkvaders van de eerste drie a vier eeuwen bevinden zich geen aanwijzingen, dat het spreken in talen de eerste tientallen jaren van het Christendom overleefd had. Alleen Eusebius (circa 260-339) doet een uitspraak over het “spreken in talen”, en wel in zijn beschrijving over de bezigheden van dwaalleraar Montanus, die beweerde de beloofde Parakleet (zaakwaarnemer) te zijn. Daarmee wordt de waarheid van de uitspraak in 1 Korinthe 13:8 door de kerkgeschiedenis op het duidelijkst bevestigd.

Tenslotte een ernstige vraag aan ons hart en geweten. De Christenen zijn onderling verscheurd en gesplitst. De eenheid van de Geest is algemeen niet bewaard gebleven. Dat is een diep verootmoedigende zaak. Als God vandaag de dag nog door deze wonderwerken, ook van het spreken in talen, zou “meegetuigen”, waar en in welke groep van Christenen zou Hij dat doen? Is er een groep van gelovigen dat van zichzelf kan beweren, dat zij hun eerste liefde bewaard, het Woord van God gehouden en de Naam van de Heer niet verloochend hebben (Openbaring 2 en 3)? Het hoogste, wat de Heer in de zendbrief aan Filadelfia erkent, is kleine kracht. Als tegenwoordig daadwerkelijk deze door God bewerkte tekenen nog voor zouden komen, zou dan niet geestelijke hoogmoed het gevolg zijn?

In werkelijkheid is het zo dat de kringen, waarin het spreken in “tongen” als bijzondere werking van de Geest verstaan en nagestreeft wordt, het er voortdurend over hebben, dat anderen het aan iets wezenlijks in het geloofs- en gemeenschapsleven ontbreekt. Maar wat tegenwoordig in sterke mate ontbreekt, is geestelijke nuchterheid, bezonnenheid en een vasthouden aan het Woord van God.

Wordt vervolgd D.V.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW