3 weken geleden

Falen in het leven van een gelovige (1)

Pasted Graphic.tiff

 Stanley Bruce Anstey; © SoundWords, online in het Duits sinds: 05.10.2021, geactualiseerd: 06.10.2021.

Inhoud

> Inleiding

> Reddende en herstellende genade
> Twee manieren waarop iemand zich van God afkeert.
> Twee verbindingen die de gelovige heeft met God

> Hoe kan falen worden voorkomen?

> Het behouden van een goede gemoedstoestand
> De hogepriesterlijke bediening van de Heer Jezus

> Wat is de oorzaak van het falen?

> 1. Iemand wijkt af in het hart
> 2. Opgeven van de afzondering
> 3. De weigering om over zichzelf te oordelen

> Het voorbeeld van Petrus en zijn falen

> 1. Hoogmoed en zelfvertrouwen
> 2. weigering om een berisping te aanvaarden
> 3. De interesse verliezen
> 4. Strijden
> 5. De afzondering opgeven
> 6. Liegen.
> 7. Het verloochenen van de Heer met eden en vervloekingen

> Leven in het “vreemde land”

Inleiding

Ik zou vanmiddag willen spreken over het thema falen en herstel. Ik zou ook iets willen zeggen over het priesterschap en de voorspraak (middelaarschap) van Christus, die een essentieel onderdeel van ons thema vormen. In het bijzonder wil ik ingaan op de oorzaak van het falen en hoe God in Zijn genade een christen herstelt die gefaald heeft. Ik ben er zeker van dat dit onderwerp iedereen op een of andere manier raakt. Het feit dat er vandaag de dag christenen zijn die met de Heer willen wandelen, is het bewijs dat God getrouw is en dat Christus voor ons pleit als onze Hogepriester en Voorspraak. Wanneer ik dit onderwerp met u bespreek, is dat niet zonder persoonlijk dankbaar te zijn voor Gods genade en barmhartigheid.

Reddende en herstellende genade

Allereerst moeten wij begrijpen dat de redding, de bewaring en het herstel van onze zielen allemaal werken van Gods genade zijn. Wij kunnen onszelf niet redden, want de Bijbel zegt: “Want uit genade bent u behouden, door [het] geloof; en dat niet uit u, het is de gave van God; niet op grond van werken, opdat niemand roemt” (Ef 2:8, 9). Wij kunnen onszelf ook niet redden, want het Woord zegt ook: “Hem nu Die machtig is u te bewaren zonder dat u struikelt, en u onberispelijk voor Zijn heerlijkheid te stellen met vreugdegejuich” (Judas :24). Bovendien, als we falen, kunnen we onszelf niet herstellen. Psalm 23 vers 3 zegt: “Hij verkwikt mijn ziel.” Eenvoudig gezegd: de redding van onze ziel is het werk van Christus als onze Verlosser; de bewaring van onze ziel is het werk van Christus als onze Hogepriester; en het herstel van onze ziel is het werk van Christus als onze Middelaar (Voorspraak). Wij hebben werkelijk alles aan de Heer te danken, vanwege Zijn genade en barmhartigheid.

Twee manieren waarop iemand zich van God afkeert

Nu we met dit onderwerp beginnen, is het ook belangrijk te begrijpen dat er twee soorten van ‘afkeren’ van God zijn; de ene is afdwalen [falen] en de andere is afvalligheid [afvallen van het geloof]. We willen die twee niet door elkaar halen. Beide zijn slecht, maar afvalligheid is oneindig veel erger.

Afdwalen gebeurt wanneer een gelovige uit de gemeenschap met de Heer geraakt en zich niet meer bewust is van de aanwezigheid van de Heer en wanneer hij een weg van zonde inslaat. Hij verliest niet de behoudenis van zijn ziel van de eeuwige straf van zijn zonden en hij verliest niet de aanwezigheid van de Heer, want de Heer begeeft noch verlaat de Zijnen (Hebr. 13:5). Maar hij verliest het bewustzijn van de aanwezigheid van de Heer en kan zich in zijn ziel heel ver van de Heer verwijderd voelen. Het begint allemaal wanneer een gelovige een zonde in zijn leven duldt en niet veroordeelt. Vaak gaat het om een kleine zonde die hij niet heeft veroordeeld (het hoeft geen ernstige zonde te zijn); en als gevolg daarvan wordt de gemeenschap verbroken en volgt een weg van falen.

• Afval is een andere vorm van je afkeren van God. Iemand die afvallig wordt, herroept een belijdenis die hij eens heeft afgelegd en verlaat het christelijk geloof. Alleen een pure belijder (iemand die niet gered is) kan dit doen. Voor zo iemand is er geen herstel (Hebr. 6:4-8; 10:26-31)!

Deze twee vormen van afkeren worden in Mattheüs 26 geïllustreerd bij twee van de discipelen van de Heer – Petrus en Judas. Petrus faalde en werd door de barmhartigheid van God hersteld (Luk. 24:34; Joh. 21:15-19). Judas viel van het geloof af en eindigde in een verloren eeuwigheid (Ps. 109:7; Hand. 1:25).

Iemand die faalt wordt opgeroepen om tot de Heer terug te keren (Jer. 3:12); iemand die van het geloof is afgevallen wordt niet opgeroepen om terug te keren, want er is geen terugkeer! De Bijbel zegt: “Een mens die van de weg van het verstand afdwaalt, zal in gezelschap van gestorvenen rusten” (Spr. 21:16). Het is “onmogelijk” om “hem te vernieuwen tot bekering” (Hebr. 6:4,6). Nadat Petrus was afgeweken, keerde hij tot de Heer terug en werd hersteld (Luk 22:32). Ook Judas week af, maar hij keerde nooit terug naar de Heer. Bij Petrus was er bekering (Luk. 22:61,62), maar bij Judas was er alleen berouw (Matth. 27:3).

Soms wordt gezegd dat een christen die gefaald heeft, “afgevallen” is. Nu willen wij niemand “schuldig verklaren om een woord” (Jes. 29:21), maar het woord “afvallen” in de Schrift verwijst naar het afvallen van het geloof (Hebr. 6:6; 2 Thess. 2:3), niet naar het afvallen of falen van een christen. Laten we 2 Petrus 3 vers 17 lezen:

• 2 Petrus 3 vers 17: “U dan, geliefden, nu u dit tevoren weet, weest op uw hoede dat u niet, door de dwaling van de zedelozen meegesleept, afvalt van uw eigen standvastigheid.“

Hieruit blijkt dat, hoewel een ware christen geen afvallige kan zijn, hij toch kan worden “meegesleept” met de stroom van afvalligheid en bepaalde leerstellingen en praktijken kan laten varen! De “zedelozen” in dit vers zijn de afvalligen die eerder in de brief werden beschreven. Petrus waarschuwt de gelovigen, dat zij kunnen worden meegesleurd in de stroom van dwalingen van de afvalligen als zij niet op “hun hoede”, niet waakzaam zijn. Het meegesleept worden zou hen niet tot afvalligen maken, maar zij zouden op een dwaalspoor raken. Petrus wist waar hij het over had, toen hij dit zei. Hij sprak uit ervaring. Hij was zelf in slecht gezelschap terechtgekomen en werd meegesleept door de boze wegen van deze mensen; toen hij vervolgens werd ondervraagd over zijn relatie met de Heer Jezus, verloochende hij Hem.

Een ware christen kan weliswaar niet “afvallen, maar hij kan wel “vallen” uit zijn standvastigheid in zijn toewijding aan de Heer (2 Petr. 3:17), en hij kan “van de genade vervallen” (Gal. 5:4). Maar dit betekent niet dat hij er mee breekt.

Twee verbindingen die de gelovige met God heeft

De christen heeft twee verbindingen met God:

• De ene is relatie, en niets kan sterker zijn. Geen mens, geen duivel, geen zonde kan die relatie verbreken, want de christen is er eeuwig in geborgen. Wanneer wij de Heer kennen als onze Verlosser, bevinden wij ons in een positie voor God die in de brieven van Paulus wordt beschreven met de term “in Christus.” Niemand die in deze positie voor God staat, kan ooit veroordeeld worden (Rom. 8:1). Het is een positie waarin hij door God wordt aanvaard, en het is in deze zelfde positie dat Christus Zelf voor God staat. Eenvoudig gezegd, “in Christus” te zijn, is de plaats van Christus innemen voor God. Al de gunst van God die op Christus rust, zoals Hij nu verhoogd is in heerlijkheid, rust op de gelovige! Zoals ik al zei, niets kan deze verbinding veranderen of aantasten.

• De andere verbinding die de christen met God heeft, is de gemeenschap; en niets is kwetsbaarder. Deze band wordt verbroken door de zonde. Zelfs de kleinste zonde verbreekt onze band van gemeenschap met de Heer. Als wij het dan niet oordelen en het aan de Heer belijden, begint een weg van mislukking – ook al is het aanvankelijk een heel kleine afwijking. Een dergelijke weg leidt ons ver van God af, want het is niet te zeggen hoe ver een christen kan afwijken als hij eenmaal de weg van de falen heeft bewandeld. Een gelovige kan elke denkbare zonde begaan, want hij heeft dezelfde gevallen natuur als de ongelovige. En het ernstige is, dat er niet veel nodig is om de gemeenschap met de Heer te verbreken. De Bijbel zegt: “Het bedenken [of de gedachte] van dwaasheid is zonde” (Spr. 24:9). Dit betekent dat zelfs één dwaze gedachte die verbinding kan verbreken, en dan bevinden we ons op een glibberige helling naar beneden!

“In Christus” zijn is dus iets heel anders dan “in gemeenschap” zijn. De ene verbinding kan nooit verbroken worden; de andere daarentegen kan zeer gemakkelijk verbroken worden.

Hoe kan falen worden voorkomen?

Zorg voor een goede toestand van je ziel

Wij weten dat wij nooit ver van het gevaar van een misstap verwijderd zijn. Daarom moeten wij er altijd voor zorgen, dat onze ziel in een goede toestand verkeert. Dit betekent, dat wij in ons christelijk leven op geen enkel moment de dingen licht op moeten vatten. Paulus zei tegen Timotheüs dat boven alles twee dingen noodzakelijk zijn, wil hij een juiste zielsgesteldheid behouden door “de goede strijd te strijden.” Hij zei: “… terwijl je het geloof behoudt en een goed geweten, dat sommigen van zich hebben gestoten, waardoor zij aangaande het geloof schipbreuk hebben geleden” (1 Tim. 1:18,19).

  1. Ten eerste moeten we het “geloof” behouden. Dit verwijst naar de innerlijke energie van het vertrouwen van de ziel in God. Met andere woorden: Wij moeten ons geloof bewaren, dat wil zeggen vertrouwen op de Heer bij alles wat wij onderweg tegenkomen. Satan doet natuurlijk alles wat hij kan om ons vertrouwen in de Heer aan het wankelen te brengen; hij probeert altijd dat vertrouwen te vernietigen. Hij wacht vaak op een moeilijke en belastende omstandigheid in ons leven, zodat hij dan zijn “vurige pijlen” van twijfel kan afschieten. De duivel weet dat als hij erin slaagt twijfel te zaaien in onze harten over de goedheid van God, het niet lang zal duren voordat we een verkeerde stap zetten die ons op een dwaalspoor brengt.Zoals ik al eerder heb gezegd, moeten wij bijzonder op onze hoede zijn wanneer een moeilijke omstandigheid ons leven binnenkomt die wij niet kunnen begrijpen. Als wij niet oppassen, zullen wij Gods wegen met ons in twijfel trekken, en dit zal ertoe leiden dat wij een stap buiten Gods wil zetten. Wanneer zulke twijfels komen, moeten wij “het schild van het geloof opnemen,” dat de brandende pijlen van de boze kan doven (Ef. 6:16). Het geloof stelt ons in staat te zeggen: “Ja, Vader, zo is het een welhagen geweest voor U” (Matth. 11:26). Wij moeten dergelijke dingen aanvaarden uit de hand van een liefhebbende God; bij alles wat Hij in ons leven laat gebeuren, heeft Hij alleen ons welzijn voor ogen. Wij moeten in geloof opzien en zeggen: “Ik weet dat de Heer dit voor mijn bestwil heeft toegestaan, en ik zal het uit Zijn hand aanvaarden.” Dit is wat er bedoeld wordt, wanneer er staat dat wij “het geloof moeten behouden.” Dan kan de duivel niet binnenkomen en zijn werk doen om ons af te leiden.
  2. Ten tweede droeg Paulus Timotheüs op om “een goed geweten” te behouden. Als wij op de een of andere manier falen en een verkeerde stap zetten, moeten wij dat veroordelen en het aan de Heer belijden; daardoor bewaren wij een goed geweten. Dit is wat de broeders noemen “rekenschap geven aan God.” Als wij iets verkeerd hebben gedaan, willen wij niet wachten tot het einde van de week om onszelf te beproeven en het aan de Heer te belijden. Tegen die tijd zijn we misschien al ver van de weg afgedwaald. Dagelijks zelfoordeel, zelfs in de kleinste dingen, is absoluut noodzakelijk om ons te bewaren voor de gevaarlijke klippen van schipbreuk. Het is een levensbelangrijke zaak. De Bijbel zegt: “Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid” (1 Joh. 1:9).Als we onszelf niet oordelen, zetten we de deur open voor Satan. De weg die naar schipbreuk leidt, begint met elke zonde, hoe klein ook, ongeoordeeld te laten. Als we dat doen, hebben we een goed geweten kwijtgeraakt, en begint de neerwaartse glijbaan. William Kelly zei: “Geloof brengt God in ons leven, en een goed geweten oordeelt zichzelf en laat de zonde niet binnen.” Daarom is het goed om regelmatig een geestelijke inventaris op te maken van onze zielsgesteldheid. Het is een goede oefening om te bidden:

° Doorgrond mij: “Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, beproef mij en ken mijn gedachten. Zie of er bij mij een schadelijke weg is, en leid mij op de eeuwige weg!” (Ps. 139:23,24).
° Leer mij: “Leert U mij wat ik niet zie; als ik onrecht begaan heb, zal ik het niet meer doen” (Job 34:32).
° Bewaar mij: “Bewaar mij, HEERE, voor de handen van de goddelozen. Bescherm mij tegen mannen van geweld, die mijn voeten denken weg te stoten” (Ps. 140:5).

Het eerste vers (“Doorgrond mij”) drukt de wens uit dat de Heer elk verkeerd motief in ons hart, dat ons op een dwaalspoor brengt, aan het licht brengt. Het tweede vers (“Leer mij”) drukt de bereidheid uit om te beoordelen wat de Heer ons wil laten zien. En het derde vers (“Bewaar mij”) drukt uit wat wij voelen: Wij zijn afhankelijk van de Heer om ervoor bewaard te blijven, dat wij ons met boze mensen inlaten, waardoor wij Hem in ons leven onteren. Zo wordt afwijking voorkomen.

De hogepriesterlijke dienst van de Heer Jezus

Opdat de gelovige niet de weg van de zonde zou inslaan, heeft God in zijn genade het hogepriesterlijke ambt van onze Heer Jezus Christus ingesteld. Hij is thans een “grote Priester over het huis van God” (Hebr. 10:21). Door Zijn dood en opstanding heeft Hij ons “gerechtvaardigd” en ons met God “verzoend.” Maar nu leeft Hij in de hoge als onze Hogepriester, Die ons op een praktische wijze bewaart door Zijn krachtige voorspraak. Daarom zegt de Schrift, dat wij “behouden worden door Zijn leven” (Rom. 5:8-10). Romeinen 8 vers 34 zegt: “Christus <Jezus> is het Die gestorven is, ja nog meer, Die opgewekt is, Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons bidt.” Als onze Hogepriester kan de Heer “met onze zwakheden medelijden” en helpt Hij ons in tijden van verzoeking, zodat wij niet in zonde vallen (Hebr. 4:14-16).

Men zou zich kunnen afvragen: Als het de machtige voorspraak van Christus is die de gelovige op het rechte pad houdt, hoe komt het dan dat een gelovige faalt? Dat is een goede vraag. Robert F. Kingscote1 stelde deze vraag in een brief aan J.N. Darby. Zijn antwoord was zeer indrukwekkend. Hij zei, dat wij vallen omdat dat deel uitmaakt van de omgang van de Heer met ons in Zijn regeringswegen. De Heer wil dat wij verantwoordelijk met onze bewaring omgaan; en als wij dat niet doen, en onze zwakheid en Zijn genade vergeten, hebben wij het mogelijk nodig om te vallen, opdat wij juist die les leren die wij op onze knieën hadden kunnen leren. Darby zei dat er een punt kwam met Petrus, waarop de Heer ophield te vragen of hij bewaard mocht worden. Toen Petrus gezift werd, bad de Heer, dat zijn “geloof” niet zou ophouden, maar Hij bad niet dat Petrus niet zou falen (Luk. 22:31,32)!

In Zijn volmaakte wijsheid zag de Heer, dat Petrus de belangrijke les – namelijk dat hij afhankelijk was in zijn leven – nog niet had geleerd. Dus liet Hij Petrus vallen. Het resultaat: Petrus leerde door de val wat hij aan de voeten van Jezus had moeten leren. In dit geval “bewaarde” de Heer Petrus niet van de val. Ik ben er zeker van, dat Hij het had gekund, maar dan zou Petrus deze noodzakelijke les niet geleerd hebben. Dit is zeer ernstig. Het betekent: in de wegen van de Heer met ons, kan er een tijd komen, dat Hij ophoudt om voorspraak te doen voor onze bewaring in een bepaalde zaak. Wij moeten er echter niet aan denken de Heer de schuld te geven, wanneer wij falen, want uiteindelijk zijn wij zelf verantwoordelijk voor onze daden.

Er zijn dus twee kanten aan ons behoud: de soevereine kant van God wordt getoond in Christus Die trouw priesterlijke voorbede voor ons doet. En er is ook de kant van de verantwoordelijkheid van de gelovige. Terwijl het aan de ene kant het werk van de Heer is om ons te behouden, wil Hij aan de andere kant echter ook dat ieder van ons verantwoordelijk met zijn behoud omgaat. We zijn alleen behouden als beide kanten worden uitgeoefend. Wij vinden dit in Hebreeën 7 vers 25: “Daarom kan Hij ook volledig behouden wie door Hem tot God naderen, daar Hij altijd leeft om voor hen tussenbeide te treden.” We hebben hier beide kanten in één vers. Er is de “voorspraak” van Christus (“om voor hen tussenbeide te treden”), maar er is ook onze verantwoordelijkheid (“wie door Hem tot God naderen”). Dat wil zeggen dat wij onze afhankelijkheid tot uitdrukking moeten brengen door in gebed tot de Heer te komen en Hem te vragen ons te bewaren. Als wij dit doen, zal Hij ons “volledig” behoeden voor elk praktisch gevaar op onze geloofsweg.

Wij zijn afhankelijke schepselen en wij moeten dit elke dag van ons leven tegenover de Heer tot uitdrukking brengen. Wij moeten bidden: “Bewaar mij, o God, want ik heb tot U mijn toevlucht genomen!” (Ps. 16:1). Zonder deze afhankelijkheid zullen wij zeker afdwalen en schipbreuk lijden in ons christelijk leven. Zij die dit inzien werpen zich op de Heer en worden bewaard. Degenen die dat niet doen en zelfverzekerd of onvoorzichtig zijn, moeten de les op de harde manier leren door te falen.

Wat is de oorzaak van het falen?

Drie essentiële punten doen zich voor bij elk afwijken van God (falen, vallen):

• Iemand wijkt af in het hart.
• Hij geeft de afzondering op.
• Hij weigert zichzelf te beoordelen.

1. Iemand wijkt af in het hart

Laten we naar Spreuken 14 gaan:

• Spreuken 14 vers 14: “Wie afkerig is van hart, zal van zijn wegen verzadigd worden, maar een goed iemand van zichzelf.”

Dit vers laat ons zien dat het afwijken begint in het hart – op de plaats van onze genegenheid. Het simpele feit is: een christen faalt en valt, omdat er iets mis is in zijn hart. Deze afwijking van het hart is altijd het gevolg van iets dat onze genegenheid voor Christus ondermijnt (of van Christus afleidt). Het menselijk hart kan niet in een vacuüm bestaan. Het moet een voorwerp hebben voor zijn genegenheid. Als dat voorwerp niet Christus is, zal het iets anders zijn. Wat ik hiermee wil zeggen is, dat een afwijken het gevolg is van het feit, dat onze genegenheid iets anders zoekt dan naar Christus, en dat zorgt ervoor dat onze genegenheid voor Hem verkoelt. Als we dat niet oordelen, dan zullen onze voeten een pad volgen dat van God af wijkt.

Een ander Schriftwoord, dat laat zien dat falen begint met een afname in liefde voor Christus is: Openbaring 2 vers 4:

Openbaring 2 vers 4: “Maar Ik heb tegen u, dat u uw eerste liefde hebt verlaten.”

In Openbaring 2 tot 3 hebben we de brieven van de Heer aan de zeven gemeenten. In deze boodschappen beschrijven zeven morele beelden de opeenvolgende stadia die de gemeente doorloopt in de tijd tussen de dagen van de apostelen en de komst van de Heer. Het is een triest verhaal en het gaat grotendeels bergafwaarts. De eerste stap in deze neerwaartse beweging was, dat zij hun “eerste liefde” hebben verlaten! De neerwaartse spiraal begon met het afnemen van de genegenheid in het hart.

Dit betekent: wij moeten er bijzonder op letten, dat wij te allen tijde over ons hart waken en niet toestaan dat onze genegenheid voor Christus wordt afgetrokken. Daarom zijn we gewaarschuwd:

Spreuken 4 vers 23: “Bescherm je hart boven alles wat te behoeden is, want daaruit zijn de uitingen van het leven.”

Voor dit doel heeft de christen een speciaal wapenrusting gekregen om zijn hart te beschermen. Het wordt “het borstharnas van de gerechtigheid” genoemd (Ef. 6:14). Een borstharnas bedekt, zoals we weten, de borstkas waar het hart is – de plaats van genegenheid. Het wordt het borstharnas van de gerechtigheid genoemd, omdat wij ervoor moeten waken ons hart uit te strekken naar iets, dat niet door gerechtigheid wordt gekenmerkt. We horen mensen zeggen, “Oh, ik hou gewoon van dat …” Ik weet dat het bij wijze van spreken is, maar we moeten voorzichtig zijn met wat we onszelf toestaan lief te hebben. Is het iets dat gekenmerkt wordt door gerechtigheid?

Het beangstigende van ons hart is dat het ongelooflijk misleidend is. Als de genegenheid begint te tanen, merken we het niet! Jeremia zegt:

Jeremia 17 vers 9: “Arglistig is het hart, boven alles, ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?”

Efraïm (de tien stammen in het noordelijk koninkrijk) illustreert dit. Zij waren de afgoden achterna gegaan – ja, zij hadden zich bij hen aangesloten (Hos. 4:17)! Het resultaat: “Ook heeft hij grijze haren gekregen, maar ook dat merkt hij niet” (Hos. 7:9). Grijs haar kan ook op verval duiden, op oud worden. Het verwijst in dit vers naar het feit, dat de toestand van Efraïms ziel verslechterd was, maar zij wisten het niet!

Simson is een ander voorbeeld. Delila had zijn hart gestolen en hij besefte niet eens dat hij daardoor net zo was geworden als alle andere mannen. Hij zei: “Ik zal net als de andere keren vrijkomen en hen van mij afschudden.” Maar verder staat er: “Hij wist namelijk niet dat de HEERE van hem geweken was” (Richt. 16:20).

De mensen die leefden in de tijd van Maleachi bevonden zich in een soortgelijke toestand. Toen de profeet hen op hun zonden en hun fouten wees, zeiden zij: “Waarmee hebben wij dit of dat gedaan? Ze wisten niet waar hij het over had. Ze hebben het echt niet gezien. Dit toont ons: wanneer de genegenheid van het hart op iets anders dan Christus is gericht, worden wij ongevoelig, afgestompt. Het is een feit: de zonde verblindt de ziel – en dat is inderdaad zeer ontnuchterend.

Laten we nu naar een ander vers gaan, en wel uit Job 15:

Job 15 vers 12: “Waarom voert je hart je zo mee, en waarom flikkeren je ogen?”

Job werd ervan beschuldigd te zijn afgeweken, wat niet het geval was. Maar de vragen van Elifaz, de Temaniet, zijn goed voor degene die afgedwaald is. Opnieuw zien we dat er iets mis is in het hart, waardoor iemand afdwaalt. Merk ook op dat Elifaz aan Job vroeg of er iets in zijn leven was, waarom “zijn ogen flikkerden.” Dit flikkeren betekent in de Schrift iets negeren en er aan voorbij gaan (verg. Hand. 17:30). Zijn vraag is heel goed voor ons. Is er iets dat we in ons leven verontschuldigen – iets waar we “naar knipogen,”2 iets dat we ten onrechte over het hoofd zien? Misschien heeft de Heer al tot ons gesproken over deze of gene zaak, maar hebben we er aan voorbij gekeken. En zie, dit is nu precies wat een negatief effect heeft op ons hart en ons koud doet worden!

Het kan iets heel eenvoudigs zijn. Misschien is het een tijdverdrijf of een sport – misschien een hobby of misschien ons werk. Het ABC van de duivel is: ALLES BETER DAN CHRISTUS3 Hij zal alles gebruiken wat hij kan om ons hart weg te trekken van de Heer. Zo werkt het: Wij kunnen geïnteresseerd zijn in iets dat er onschuldig uitziet, en naarmate wij er meer plezier aan beleven, begint het ons meer en meer te fascineren. We worden erdoor aangetrokken en besteden er meer en meer van onze tijd aan, totdat het de Heer verdringt in onze genegenheid – en we hebben het niet eens in de gaten!

Ik weet dat God ons alle dingen in overvloed heeft gegeven om ervan te genieten (1 Tim. 6:17), maar dat is niet waar ik het over heb; ik heb het over wanneer de grens wordt overschreden en we verliefd worden op iets. Natuurlijk, als iemand verliefd is op iets, zal hij dat nooit toegeven, om dezelfde reden als waarover wij gesproken hebben: omdat ons hart bedrieglijk is! Maar wat begint als een onschuldig kleinigheidje groeit in onze genegenheid tot het een afgod in ons leven wordt. Daarom sluit de apostel Johannes zijn brief af met de waarschuwing: “Pas op voor afgoden!” (1 Joh. 5:21). Een afgod is alles wat tussen ons hart en de Heer komt. Het verdringt de genegenheid voor Hem en zet ons in feite op een weg van falen en afwijken.

Hoe kan ik weten of mijn genegenheden afwijkend zijn?

Omdat het zo moeilijk is zoiets in ons hart op te sporen, laten we eens kijken naar enkele tekenen die ons helpen te weten of we een afgod in ons leven hebben of niet (Ezech. 14:3).

1. Het eerste teken dat erop wijst dat iemand een afgod {idool – vertaler} in zijn leven heeft, is dat hij er enthousiast over praat als het ter sprake komt in een gesprek. Je weet wat ik bedoel: De toonhoogte van zijn stem gaat een paar tandjes omhoog. En dit idool lijkt de hele tijd ter sprake te komen in gesprekken met hem! Waar je ook over praat, als het gesprek ook maar in de buurt komt van zijn favoriete onderwerp, zal hij er vroeg of laat over beginnen en het is moeilijk om hem daarvan af te brengen. Het oude gezegde “Alle wegen leiden naar Rome” is hier in zekere zin van toepassing – bij zo iemand komt alles op hetzelfde neer. Het is een duidelijk teken, dat dit ding zijn genegenheid heeft veroverd. De Bijbel zegt: “Uit de overvloed van het hart spreekt de mond” (Matth. 12:34). Aangezien het in zijn hart is, is het nooit ver van zijn gedachten, en zo komt het natuurlijk voortdurend ter sprake in een gesprek.

2. Een ander teken dat iets iemands genegenheid heeft veroverd, is dat het een buitensporige hoeveelheid tijd en geld begint op te slokken.

3. Een derde aanwijzing is, dat zo iemand deze zaak bepleit en verdedigt. Als iemand zich ertegen uitspreekt, kunnen ze snel de keerzijde ervan naar voren brengen – en het zo goedpraten.

Laten wij ons eerlijk afvragen: Is er iets in ons leven dat veel van onze aandacht opeist? Heeft het een plaats ingenomen in onze genegenheid en verdringt het Christus? Neemt het veel tijd en geld in beslag dat we anders zouden kunnen gebruiken? Verdedigen en verontschuldigen we het als iemand het erover heeft? Laten we in dit opzicht eerlijk zijn tegenover onszelf en de Heer vragen ons hart te doorzoeken en te zien of er een boze weg in ons is, zoals de psalmist deed: “Doorgrond mij, o God, … Zie of er bij mij een schadelijke weg is” (Ps. 139:23,24).

2. De afzondering opgeven

Een ander punt dat kenmerkend schijnt te zijn voor een ieder die zich op een weg van falen en afglijden bevindt: hij geeft de afzondering in zijn leven op. Iemand die afdwaalt is meestal onzorgvuldig met zijn betrekkingen, en dit leidt hem weg van de Heer. Laten we lezen uit Hosea 7:

Hosea 7:8-11:
8. Efraïm, met de volken vermengt het zich. Efraïm is een koek die niet omgekeerd is.
9. Vreemden verteren zijn kracht, maar zelf merkt hij dat niet. Ook heeft hij grijze haren gekregen, maar ook dat merkt hij niet.
10. Hoewel de trots van Israël tegen hem getuigde, hebben zij zich niet bekeerd tot de HEERE, hun God. In dit alles zochten zij Hem niet.
11. Efraïm is als een duif, onnozel, zonder verstand; Egypte roepen zij te hulp, naar Assyrië gaan zij!

Hier hebben we een klassiek voorbeeld van wat een gebrek aan afzondering van de wereld doet: Efraïm “met de volken vermengt het zich.” Wanneer de Schrift zegt “het volk,” verwijst zij gewoonlijk naar Israël. Maar als er staat “de volken” (het oorspronkelijke Hebreeuws gebruikt een heel ander woord in het meervoud), dan worden de heidense volken bedoeld. De profeet klaagt hier dat de tien stammen (die “Efraïm” worden genoemd) zich hebben vermengd met de heidense volken (“de volken”) die de HEERE niet kennen. Zij hielden zich niet afzijdig van de heidense volken en keerden hun hart af van de HEERE. Efraïm wordt vergeleken met een “koek die niet omgekeerd is,” omdat zij niet hadden toegestaan, dat het vuur van zelfoordeel grondig in hen werkte. Zij hadden geestelijke “kracht” verloren en waren er niet ontvankelijk voor. Er was geestelijk verval onder hen (“grijze haren”) en zij wisten het niet (Hos. 7:9). Zij weigerden zich te bekeren: “zij hebben zich niet bekeerd tot de HEERE“ (Hos. 7:10). Bovendien was hun hart beroofd en waren zij als een “onnozele duif zonder verstand” (Hos. 7:11). Dit alles is terug te voeren op het feit, dat zij de afzondering hadden opgegeven. Deuteronomium 7 zegt:

• Deuteronomium 7:1-4:
1. Wanneer de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, en Hij vele volken van voor uw ogen verdreven heeft, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zeven volken, die groter en machtiger zijn dan u,
2. en wanneer de HEERE, uw God, hen aan u overgegeven heeft en u ze verslaat, dan moet u hen volledig met de ban slaan; u mag geen verbond met hen sluiten en hun niet genadig zijn.
3. U mag geen huwelijksbanden met hen aangaan: uw dochters mag u niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.
4. Want zij zouden uw zonen van achter Mij laten afwijken, zodat zij andere goden gaan dienen en de toorn van de HEERE tegen u ontbrandt en Hij u al snel wegvaagt.

Gods volk werd heel duidelijk opgedragen zich afzijdig te houden van de heidense volken, omdat die hen zouden verderven en van de Heer zouden afkeren. Dit is precies wat Israël niet deed – zich afzonderen van de volken – en dit leidde tot hun ondergang. De Heer verlangt vandaag hetzelfde van ons christenen. Het is noodzakelijk dat wij gescheiden leven van de wereld, anders zullen wij erdoor bedorven worden en ons afkeren van de navolging van de Heer. Afzondering dient tot onze bewaring.

Het is belangrijk te begrijpen dat onze afzondering twee gebieden raakt: Er is de afzondering naar de Heer toe, en er is de afzondering van de wereld. Afzondering naar de Heer moet leiden tot afzondering van de dingen van de wereld. Wanneer ons hart zich tot de Heer keert, keert het zich op natuurlijke wijze af van de wereld. Een ware Christen zou zich niet willen inlaten met iets dat de Heer, naar Wie zijn hart uitgaat, zou mishagen! Deze twee aspecten van afzondering komen overal in de Schrift voor. Zo moest de nazireeër zich bijvoorbeeld “aan de HEERE”  wijden, maar hij moest zich ook “van wijn en sterke drank onthouden,” enzovoorts (Num. 6:2,3). Hetzelfde patroon wordt gezien in de kleding die de “deugdelijke vrouw” (Spr. 31:10,21) voor haar gezin maakte: zij heeft haar gezin met scharlaken gekleed4. Dit spreekt van een innerlijke afzondering voor God en een uiterlijke afzondering van de wereld. Het resultaat: zij hoefden niet bang te zijn voor “de sneeuw” – de koude elementen van de wereld – omdat hun kinderen daar goed tegen beschermd waren.

Het gevaar van wereldse gezindheid is, dat het de genegenheid van het hart voor de Heer en voor Zijn volk aantast. Dit houdt verband met ons eerste punt: namelijk dat men in het hart afwijkt. In 2 Korinthe 6 staat:

2 Korinthe 6 vers 11-14: “Onze mond heeft zich voor u ontsloten, Korinthiërs, ons hart staat wijd open. U hebt geen enge plaats in ons, maar u bent zelf enghartig5. Maar stelt ook u als een zelfde vergelding (ik spreek als tot kinderen) [uw hart] wijd open. Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk.”

Het punt van de apostel Paulus was dit: hij en de andere christelijke medewerkers met hem voelden een sterke genegenheid voor de Korinthiërs, maar de genegenheid van de Korinthiërs was aangetast. Paulus schreef dit toe aan het feit dat zij “met ongelovigen onder een ongelijk” waren – met andere woorden, met de wereld. Afnemende genegenheid voor de Heer en Zijn volk wordt gewoonlijk in verband gebracht met het opgeven van de afzondering van de wereld. Het is een duidelijk feit: datgene wat de genegenheid van het hart voor de Heer en Zijn volk beperkt, is de wereld. Wanneer iemand koud wordt in zijn ziel, gebeurt er tegelijkertijd iets anders: hij wordt ook koud tegenover zijn medebroeders en -zusters. De wereld heeft het in zich om de genegenheid van ons hart te beperken, zo eenvoudig is het.

Een ander gevolg van wereldse gezindheid: men wordt nalatig in de dingen van God. Zij die niet op het rechte pad zijn, zijn gewoonlijk nalatig in de dingen van de Heer – met andere woorden, zij lezen niet veel in hun Bijbel. God wil, dat wij ons hart op de dingen van God richten en er de zegen van ontvangen (Spr. 2:1-9; 22:17-21). Als we dat niet doen, vallen we in zonde! Rehabeam is hier een treffend voorbeeld van: “Hij deed wat slecht was, omdat hij zijn hart er niet op richtte om de HEERE te zoeken” (2 Kron. 12:14). Vrienden, ik wil zo duidelijk mogelijk tot jullie spreken. Als uw leven zo is, dat u door wereldse dingen wordt afgeleid en niet veel om de dingen van God geeft, zult u zeker schipbreuk lijden! Dat is een feit.

3. De weigering om zichzelf te oordelen

Het derde wat je ziet bij een Christen die gevallen is: hij weigert zichzelf te oordelen als hij gefaald heeft. Laten we Spreuken 24 vers 16 lezen:

Spreuken 24 vers 16: “… al valt een rechtvaardige zevenmaal, hij staat weer op,”

Dit vers laat zien: falen is niet zozeer vallen, maar blijven liggen! “De rechtvaardige” is niet iemand die nooit zondigt, maar iemand die een eerlijk hart heeft en zichzelf oordeelt wanneer hij gezondigd heeft. Hij belijdt het aan de Heer en staat weer op om te wandelen op de weg van het geloof (1 Joh. 1:9).

Het tegenovergestelde hiervan is te vallen en niet meer op te staan. Blijven liggen is weigeren op te staan en zichzelf te oordelen! De belangrijkste reden waarom mensen weigeren zichzelf te oordelen is: het bevalt hen waar ze in terecht zijn gekomen en willen er helemaal niet meer uitkomen. Dat is het moment waarop iemand ernstig afdwaalt. Als het lukt om hem juist te stoppen, als hij begint te vallen, zal hij weliswaar wankelen maar niet vallen. Maar als wij onszelf niet oordelen, is het niet in te schatten hoe ver wij van God zullen afdwalen.

Wat ik daarmee wil zeggen is, dat het echte gevaar van falen of vallen ligt in de onwil om de zonde te oordelen wanneer en waar zij gebeurt. Wat een gelovige op een weg van falen brengt, is niet zozeer het feit dat hij zondigt, hoe ernstig de zonde ook is; het is de weigering om de zonde te oordelen en ze aan de Heer te belijden. Darby zei dat het niet zozeer de zonde is die zo zorgwekkend is, maar de toestand die haar voortbracht. De ergste toestand om in te verkeren is een wil te hebben die weigert zichzelf te oordelen. Dat brengt ons ver weg van God.

Dus als iemand afdwaalt, zijn deze drie dingen waarschijnlijk de oorzaak. Om te voorkomen dat we in ons leven afglijden, moeten we ervoor zorgen, dat de volgende dingen niet binnensluipen:

  1. Wij moeten dagelijks door gebed onze afhankelijkheid van de Heer tot uitdrukking brengen en Hem vragen ons te bewaren door Zijn hogepriesterlijke zorg.
  2. Wij moeten ons ook oefenen in het levendig houden van de genegenheden van ons hart in de Heer en niet toelaten, dat iets onze aandacht te zeer in beslag neemt.
  3. Wij moeten ook ervoor zorgen in afzondering te wandelen en bereid zijn onszelf te oordelen en de Heer elke zonde te belijden waarvan wij ons bewust zijn – in gedachte, woord of daad.

Wordt DV vervolgd.

 

Eng. Originaltitel: “Backsliding and Restoration”- First E-Book Edition – Oktober 2018 – E-Book Version 1.5
Vertaling naar het Duits: Stephan Isenberg

NOTEN:
1. Kingscote schreef het boek ‘Christ as Seen in the Offerings.’ (noot van de redactie van SoundWords: Het boek is in het Duits uitgegeven door CSV onder de titel ‘Christus – wie Er in den Opfern gesehen wird’).
2. Verg. Ps. 35:19.
3. Noot van de Duitse vertaler: In het originele Engels staat er: ANYTHING BUT CHRIST (lett.: Alles Buiten Christus).
4. In de SV lezen we “dubbele klederen”. Vanwaar dit verschil? In de Hebreeuwse grondtekst vinden we het woordje “shanim”. Dat is het meervoud van “shani” en betekent “scharlaken”. Waarschijnlijk hebben de statenvertalers hier een andere vocalisatie willen lezen, nl. “shenayim” en dat zou je met “dubbel” kunnen vertalen. De HSV heeft voor een meer letterlijke lezing van de grondtekst gekozen. In de Kanttekeningen wordt “scharlaken” overigens als alternatief genoemd.
5. Eigenlijk ‘eng in uw ingewanden’, dit is in uw genegenheden.

 

* * *

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW