4 jaar geleden

Enige gedachten over Hebreeën 13 vers 10-16

Nog eenmaal komt de schrijver van deze brief terug op het onderscheid tussen de joodse en de christelijke eredienst. Hij toont in de opmerkelijke woorden, die volgen, aan, dat de ware eredienst nu niet meer bij de Joden is, die een bevoorrechte dienst hadden; daartoe werd niemand buiten hen toegelaten, maar dat de ware aanbidding nu het voorrecht is van alle gelovigen. Zij hebben een Goddelijk altaar, waartoe zij alleen mochten naderen.

“Wij hebben een Altaar waarvan zij die in de tabernakel dienen, niet bevoegd zijn te eten. Want van de dieren waarvan het bloed als verzoening voor de zonde door de hogepriester het heiligdom werd binnengedragen, werden de lichamen buiten de legerplaats verbrand. Daarom heeft ook Jezus, om door Zijn eigen bloed het volk te heiligen, buiten de poort geleden. Laten wij dan naar Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige” (vs. 10-14).

Het grote en algenoegzame offer voor de zonde is gebracht. Jezus, die buiten de poort geleden heeft, is de hemel ingegaan. Hij heeft Zijn eigen bloed, dat ons reinigt van alle zonden, in het hemelse heiligdom gebracht. Daardoor heeft Hij Zijn volk geheiligd en het in staat gesteld in dit hemels heiligdom met alle vrijmoedigheid in te gaan. Een aardse eredienst, waarin men niet binnen het voorhangsel mag komen, en waar de weg tot het heiligdom afgesloten is, en men ​​in Gods tegenwoordigheid niet wordt toegelaten, kan daarom nu niet meer bestaan​​. De ware, door God gewilde en Hem aangename eredienst is binnen het voorhangsel, in het hemelse heiligdom, waar Jezus als onze Voorloper is ingegaan. De eredienst, die een aardse heerlijkheid had, die volgens de eerste beginselen van de wereld was ingericht, en die haar plaats in deze wereld had, was voorbijgegaan. De dienst in geest en waarheid was daarvoor in de plaats gekomen. Allen die in Christus geloven, zijn priesters van God en gaan daarin, waar geen priester van de oude bedeling toegang had. Belangrijke waarheid! Door het bloed van Christus geheiligd,van de zonde en de wereld afgezonderd, heeft Gods volk een hemelse eredienst, hoewel zij nog steeds op aarde wandelt. Het kan God alleen dan welbehaaglijk dienen, als haar dienst in overeenstemming is met de plaats die het inneemt, en de betrekking waarin zij staat tot de Heer.

Maar Jezus, Die door God in de hemel is aangenomen, en daar met eer en heerlijkheid werd gekroond, is door de wereld verworpen. Hij heeft buiten de poort geleden. Waar dus de plaats van de christen is in het heiligdom, daar is die ook buiten de legerplaats. De wereld heeft Jezus verworpen, daarom moeten wij tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en zijn smaad dragen. Onder de legerplaats wordt hier verstaan het Joodse systeem, de dienst van ceremoniën en schaduwen. Dit was door God terzijde gesteld, omdat in en door Christus de werkelijkheid gekomen was. Indien evenwel de eredienst, door God zelf aan Israël gegeven, vervallen was, en genoemd wordt: “de eerste beginselen van de wereld”, zodat God in die eredienst geen welgevallen meer hebben kon, hoeveel te meer is dan elke eredienst, die niet door God gegeven is, maar die naar de wil van de mensen en naar de beginselen van de wereld ingericht is, in tegenspraak met de wil en de gedachte van de Heer. Ja, we kunnen gerust zeggen dat elke godsdienst, die bestaat in een stelsel, waar de wereld zich mee verenigen kan, en waar de eredienst is ingericht naar de gedachte van de mens en de vleselijke gezindheid van de mens, een ontkenning en terzijdestelling van het christendom is.

Als wij die godsdiensten verlaten, kan het niet anders of de smaad, die Jezus hier beneden gevonden heeft, wordt ons deel. Maar geen nood! Wij, christenen hebben hier geen blijvende stad, want wij zoeken de toekomende. Omdat hier beneden – evenals onze Heiland – smaad ons deel is, ontvangen wij, evenals Hij, eeuwige hemelse heerlijkheid. Met het oog op die heerlijkheid gaan wij vol vreugde onze weg, en loven en prijzen onze God, Die ons verloste uit de wereld en Die ons van onze zonden gereinigd en in het hemelse heiligdom toegang verleend heeft.

Daarom zegt Paulus: “Laten wij dan altijd door Hem een lofoffer brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden” (Hebr. 13:15). Wij zijn priesters, maar geestelijke priesters; wij brengen daarom geen wierook en mirre, maar geestelijke offeranden – offers van lof en dank. Als priesters in Gods heiligdom toegelaten, brengen wij daar God offeranden van lof. Maar die offers brengen we niet uit kracht van onze waardigheid, maar door Christus, in Wie wij aangenaam zijn gemaakt voor het aangezicht van de Heer. Hij maakt deze, zolang wij hier beneden wandelen en onze offers gebrekkig en zwak zijn, welbehaaglijk voor God, zodat zij als een welriekende reuk voor Zijn aangezicht opstijgen.

Er zijn echter nog andere offers – de offers van weldadigheid en mededeelzaamheid. “En vergeet de weldadigheid en mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welbehagen” (vs. 16). De zorg voor de armen en de ondersteuning van de dienaren van het Woord wordt door God een offer genoemd, waarin Hij een welbehagen heeft. Hoe toepasselijk in dit verband is de geschiedenis van de hoofdman Cornelius, wiens gebeden en aalmoezen waren opgestegen tot God als een liefelijke reuk, zodat de Heer hem de rijkste van alle geestelijke zegeningen deelachtig maakte. En hoe schoon zijn de woorden van de apostel Paulus aan de Filippenzen, die hem hun gaven tot zijn onderhoud gezonden hadden: “Ik heb volop nu ik van Epafróditus het door u gezondene ontvangen heb: een welriekende reuk, een aangenaam, aan God welbehaaglijk offer. Doch mijn God zal in al uw behoeften voorzien naar Zijn rijkdom en heerlijkheid in Christus Jezus” (Fil. 4:18-19).

Nadat Paulus de Hebreeën om hun voorbede had verzocht, in het bewustzijn dat hij als dienaar van Christus met een goed geweten had gewandeld, en daarom de zegen van de Heer over zijn arbeid verwachten kon, eindigt hij zijn brief met de volgende schone en belangrijke woorden:

“De God van de vrede, Die uit de doden terugbracht de grote Herder der schapen, onze Heer Jezus, door het bloed van het eeuwig verbond, volmake u in alle goed werk tot het doen van Zijn wil, terwijl Hij in u werke, wat voor Hem welbehaaglijk is door Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen” (vs. 20-21).

Uit «Beschouwingen over de Hebreeënbrief door H. C. Voorhoeve

© Bibelkurs.com

Geplaatst in: , ,
© Frisse Wateren, R. Mol