5 jaar geleden

Één Lichaam en één Geest (deel 1)

Het is Gods wil dat Zijn gemeente of vergadering één zal zijn, niet alleen in de Geest, maar ook in haar uiterlijke vorm, om één lichaam in elke plaats, en één lichaam in de gehele wereld te vertegenwoordigen (Joh. 11:52; 17:11,21, Hand. 2:44; Rom 12; 1 Kor. 1; 10; 12; Ef. 2; 4; 1 Tim. 3:15). Hij zal dit in volmaaktheid voltooien bij de komst van Christus (Joh. 17:21,22; Ef. 5:27; Hebr. 12:23 en Openb. 19:7; 21:9).

In de tussentijd is het echter de taak van alle gelovigen om deze heilige en geopenbaarde eenwording te zoeken, en alles uit de weg te ruimen wat haar verhindert. We kunnen echter om met onze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid in overeenstemming te zijn, net zo zwak zijn als wij het ook in onze persoonlijke roeping tot heiligheid zijn; maar toch blijft met betrekking tot beide, en ondanks alle moeilijkheden, onze plicht duidelijk, zeer belangrijk en onvermijdelijk.

Toch wordt bij de massa van de christenen dit heilige, onherroepelijke punt van de leer en de praktijk zeer verwaarloosd en vergeten. Hoewel een groot deel van de christenheid het principe van de eenheid van de gemeente erkent, maar op een zeer vleselijke manier. Een ander deel eigent zich het recht toe zijn grondwettelijke vormen, haar riten en ceremonies aan de wil van zijn kerkelijke regenten aan te passen, die dan in de verschillende tijden en plaatsen verschillend zijn. Daarnaast zijn er nog een aantal kleinere partijen, die zich van de grote massa afgescheiden hebben, en die meestal ofwel gevormd door een zelfbedacht plan van een bepaalde persoon – zonder dat deze stichters deze keer de gedachte een kerk te willen zijn voor hun ogen zweefde -, of als gevolg van de eenzijdige standpunten over waarheden uit de Schrift, die de gelovigen verstrooien, in plaats van hen te verenigen. De belangrijkste dwaling aan de ene kant is de volledige openstelling van de deur om principieel de hele bevolking, zonder naar een levend geloof te vragen, tot de meest plechtige handelingen van aanbidding en christelijke gemeenschap toe te laten. Van oudsher is aan de andere kant integendeel de sektarische sluitende deur voor ware christenen, die niet in staat zijn om sjibbolet1 uit te spreken, waardoor dan vervolgens vele broeders uitgesloten zijn.

Het karakteristieke kwaad van de eerste is, dat ze velen als christenen behandelen die in het geheel niet als zodanig herkend worden. Aan de andere kant is het al een even karakteristieke kwaad van de laatste, dat ze velen niet christenen behandelen die als zodanig worden herkend. Het ene systeem maakt de grenzen ruimer, het andere smaller dan de grenzen van God.

In beide gevallen echter zijn de ware gedachten van de Schrift over de gemeente, vernietigd. Terwijl de een het ware karakter van de gemeente als het lichaam van Christus volledig uit het oog verloren hebben, bevestigen de andere krachtig dat zij niet een lichaam is. Maar God wil dat Zijn kinderen niet gescheiden zijn, maar zich tot de naam van Jezus vergaderen. Echter, dit is blijkbaar opzij gezet wanneer men zulken als broeders in Christus verenigt, die gescheiden moeten zijn, – namelijk diegenen, die blijkbaar van deze wereld zijn en die onvruchtbaar zijn als zij Christus belijden, Hem door kwade leringen of werken verloochenen. Of wanneer men zulken scheidt die verenigd zouden moeten zijn, namelijk al diegenen die om juiste redenen voor ware Christenen gehouden worden.

Er kan misschien tegengeworpen worden, dat, hoewel zonder enige twijfel dit de ordeningen van de Heilige Geest in de eerste dagen van de gemeente waren, nu echter de tijd en de omstandigheden zijn gewijzigd. De gaven van genezing, de effecten van de wonderen, de verschillende soorten talen bestaan ​​niet meer zoals deze vroeger waren. Dit alles is zeker waar, maar ik vraag: Is een dergelijke instantie, zoals de gemeente, nu niet meer op de aarde? Is hij er nog steeds, zo is de Geest van God zelf persoonlijk nog op de aarde, net zo zeker, maar blijkbaar niet zoals in het begin, want Hij is de beeldende kracht en de Leider van de gemeente. Hij was het die Joden en heidenen tot één lichaam doopte. Hij was het, welke blijft in eeuwigheid.

In die tijd kwam de gemeente als vervuld zijnde voor de dag, want ik spreek niet van de verborgen raad van God (zie Hand. 1:5; 1 Kor. 12:13). Met Pinksteren zagen haar het eerst vervuld met de belofte van de Vader. Natuurlijk waren er, zoals we weten, ook vóór die tijd gelovigen, van Abel af (1); maar hoewel verlevendigd door de Geest, werden zij niet door hem gedoopt; zij hadden Hem niet inwonend in zich, zoals de heiligen na Pinksteren. Dit was het heerlijk voorrecht welke het heengaan van Christus  de Vader noodzakelijk maakte: “Het is nuttig voor u dat Ik wegga, want als Ik niet wegga, zal de Trooster niet naar u toe komen; maar als Ik heenga, zal Ik Hem naar u toe zenden”* (Joh. 16:7). Het kon niet eerder  gebeuren voordat Christus verheerlijkt werd (Joh. 7: 39). Maar gezonden uit de hemel, was de Geest der waarheid in hen, en blijft voor altijd bij hen. “En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijft tot in eeuwigheid, namelijk de Geest van de waarheid …” (Joh. 14:16, 17a).

Deze belangrijke waarheid van de tegenwoordigheid van de Heilige Geest in en met de gemeente, heeft twee oneindig belangrijke gevolgen:

  1. Het is niet door de kinderdoop of de doop van volwassenen, het is niet door de aanneming van dit of dat artikel van de geloofsbelijdenis, maar het is “door één Geest”, de Heilige Geest, door Wie wij allen – dat wil zeggen, alle gelovigen – tot één lichaam gedoopt zijn (1 Kor. 12:13). De doop van de met bloed gewassen heiligen door de Heilige Geest Zelf is, als men het zo met eerbied mag zeggen, de hoogste kwalificatie die God ons meedelen kan, om lid te worden van het éne lichaam, het Lichaam van Christus. Maar dit is het voorrecht van alle ware christenen. Alleen één grens, die principieel alle christenen, en alleen christenen, insluit, kan het geloof voldoening geven, omdat dit alleen de Geest van God voldoening geeft. Wanneer wordt gezegd: “alleen christenen”, zo wordt daarmee bedoeld, in zoverre de mens, geleid door het Woord en de Geest van God, onderscheiden kan. Wanneer zij huichelaars zijn, zullen deze te zijner tijd geopenbaard worden.
  2. Nadat de apostelen over de erkenning van het oppergezag van Jezus door de Heilige Geest (1 Kor. 12:13), welke hier de grondslag van alles is, gesproken heeft, laat hij zien dat er verscheidenheid van gaven is, maar dezelfde Geest; verscheidenheid van bedieningen, maar dezelfde Heer, en verscheidenheid van werkingen, maar het is dezelfde God, handelend alles in allen. Dan, in de verzen 7-11, gaat hij op de details van de manifestatie van de Geest in. Het wordt een ieder gegeven tot wat nuttig is voor allen; of het nu het woord van wijsheid, het woord van wijsheid is, enzovoorts. Er zijn verschillende openbaringen, “maar al deze dingen werkt één en dezelfde Geest, die aan ieder afzonderlijk toedeelt zoals Hij wil” (vs. 11). Terwijl het nu echter algemeen geaccepteerd wordt, dat sommige of veel van de uiterlijke gaven niet meer gevonden worden, zo moet nadrukkelijk worden gezegd dat dit niet in het minst de waarheid ontkent, dat de Geest Zelf blijft. Als Hij echter blijft, heeft Hij dan bijna Zijn functies neergelegd? Wanneer zelfs in deze dagen, waar de arrogantie het geestelijk verval, die Hem zo graag loochenen wil, niet kan bedekken – wanneer nu een christen “het woord van wijsheid” en een andere “het woord van kennis” heeft, is het dan door de Geest van God, of door een andere geest? “Want wie van de mensen kent de dingen van de mens dan de geest van de mens, die in hem is? Zo kent ook niemand de dingen van God dan de Geest van God” (1 Kor. 2:11).

De Geest deelt uit, zoals Hij wil

Maar als dit het geval is, waar komt het dan vandaan? De natuurlijke mens weet niets dan alleen de natuurlijke dingen, en kan noch de dingen van de Geest van God ontvangen, noch meedelen. De ware geestelijke kracht is van Hem zelf. Wie van ons gelovigen is geen getuigenis dat deze macht nog steeds bestaat? – Verzwakt en afgestompt is het helaas; omdat Hij die werkt, bedroefd is door alle verwarring en verwoesting om Hem heen. Toch blijft Hij, en Zijn macht blijft. De wijze waarop Hij handelt, is volgens de hierboven aangehaalde passage: “deelt uit zoals Hij het ​​wil”. Dat is duidelijk; en natuurlijk gebruikt Hij degene, die Hij er voor geschikte acht. Het is geen menselijke afzonderlijke kaste, die Hij ervoor gebruikt om het smalle en exclusieve kanaal van Zijn zegeningen te zijn. Nee, Hij legt Zijn oppergezag niet af. Het is dus niet het goeddunken van een predikant, noch een synode van predikers, nog een gemeente, noch een sekte, ja, zelfs niet de ware gemeente, veel minder de wereldlijke macht; – het is de Geest van God. En Hij deelt uit hoe Hij wil. Nogmaals: Hij deelt aan elk, of ieder uit – dat wil zeggen binnen de kerk of gemeente – niet alleen deze of gene speciale gave, maar deelt iets voor het algemeen welzijn uit: – “ieder afzonderlijk zoals Hij wil”. Daarom hangt de ordening en de handelwijze van de gemeente, zoals het in de Schrift wordt meegedeeld, alleen af van de aanwezigheid en de werking van de Heilige Geest. En wanneer Hem vrij ruimte gelaten wordt om te werken, dan gebeurt het, als we in waarheid het Woord van God volgen, volgens dit patroon: “de leden zijn veel, het lichaam is echter één”. Hij handelt in de eenheid van het hele lichaam. Op deze wijze zullen we Zijn getuigenis geordend vinden, zo blijkt duidelijk uit het boek Handelingen en de brieven, zowel binnen de gemeente, dat is in het midden van de gelovigen, of daarbuiten.

Het getuigenis van de Geest naar buiten

Met betrekking tot het getuigenis ten opzichte van hen die buiten zijn, vergelijk Handelingen 8 vers 1 en 4; 11 vers 20; 18 vers 24-28 en Filippi 1 vers 14. Het merendeel van de gemeente, die bij de vervolging na de steniging van Stefanus verstrooid werd, ging overal heen en predikte het evangelie. Onder hen kwam in het bijzonder Filippus naar voren, zowel in Samaria als elders. Wanneer er wordt gezegd, dat hij openlijk aangesteld was, dan is het antwoord:

Dat was hij, maar alleen om de tafels te dienen, en niet om het Woord van God te prediken. Deze dienst was geregeld, zodat de zorg om deze zaken de twaalf apostelen bespaard kon worden, en zij ongehinderd in gebed en in de dienst van het Woord konden blijven doen. Wanneer Filippus met kracht predikte, wanneer Stefanus met onweerstaanbare wijsheid sprak, en wanneer beide wonderen deden, dan was dit alles niet op grond van een aanstelling, want dit was enkel en alleen aan de dagelijkse dienst gerelateerd (vgl. Hand. 6:1-7 met 4:35).

Bovendien reisden sommige van hen die verstrooid werden naar Fenicië, Cyprus en Antiochië, waar zij niemand het Woord predikten dan alleen aan de Joden. Maar er waren onder hen enkele mannen uit Cyprus en Cyrene, toen ze in Antiochië kwamen, tot de Grieken spraken en hen de goede boodschap van de Heer Jezus brachten. Matigden deze broeders zich iets aan dat onterecht was? Werden ze door de gemeente te Jeruzalem berispt, waar toch zo velen steeds bereid waren om te veroordelen, wat onregelmatig leek? “En het gerucht over hen kwam de gemeente die in Jeruzalem was, ter ore; en zij zonden Barnabas uit om het land door te gaan tot Antiochië toe. En toen hij daar gekomen was en de genade van God zag, werd hij verblijd en spoorde hij hen allen aan om met een hartelijk voornemen bij de Heere te blijven. Want hij was een goed man en vol van de Heilige Geest en van geloof; en er werd een grote menigte aan de Heere toegevoegd” (Hand. 11:22-24).

En later lezen we: “Apollos sprak en leerde nauwkeurig de zaken van de Heer”, en dit zelfs toen hij alleen wist van de doop van Johannes. En nauwkeuriger geïnformeerd door een gelovige en zijn vrouw, die net zo min gevolmachtigd waren als hij zelf, vinden wij hem spoedig daarna werkzamer en meer gewaardeerd dan ooit, “omdat hij door de genade de gelovigen tot grote steun was; want krachtig weerlegde hij de Joden in het openbaar en bewees uit de Schriften, dat Jezus de Christus is” (Hand. 18:25-28) {Voorhoeve Vertaling – 4e druk.} – Net als in Rome, waar meerdere broeders in de Heer, doordat zij door de gevangenschap van Paulus vertrouwen gevonden hadden, veel vrijmoediger waren, onverschrokken het Woord te verkondigen. Het is waar dat de motieven niet bij allen goed waren; maar dit is een gevaar dat geen menselijke beperking kan afweren. Ach! zelfs lagere motieven dan deze, werden onfeilbaar geïntroduceerd, toen de zogenaamde dienst van Christus naar een gecontroleerde, respectabele en in sommige gevallen tot winstgevend beroep afzonk.

De leer is de goddelijke toetssteen voor de aanneming van de dienaar van God

Zo was het niet in de dagen van de apostelen. Toen waren er die Christus uit twist en nijd  predikten, maar ook anderen die Hem uit welwillendheid predikten. – “Wat doet het ertoe?”, zegt de ruimhartige apostel. Suggereert hij bijna om die gezegende vrijheid te arresteren omdat het door deze onheilige gevoelens verkeerd gebruikt wordt? Niets van dat alles. “In elk geval wordt Christus”, – zegt hij – “op allerlei wijze, hetzij onder een voorwendsel, hetzij in waarheid, verkondigd; en daarin verblijd ik mij” (Fil. 1:18 – Voorhoeve Vertaling – 4e druk).

Het zal niet nodig zijn om andere, nog minder directe Schriftplaatsen aan te voeren, die ook laten zien dat de leer, en niet de priesterwijding (bevestiging in het ambt), de goddelijke toetssteen voor de afwijzing of acceptatie is, van degenen die beweren dienaren van Christus te zijn. Het is duidelijk dat deze  aangehaalde passages bewijzen, dat zulke Christenen, die bekwaam zijn, niet alleen de vrijheid maar ook de verantwoordelijkheid hebben om het evangelie te verkondigen. Niet één Schriftplaats kan aangevoerd worden, dat dit principe tegenspreekt, haar begrensd of beperkt. De Schrift spreekt nooit van een menselijk volmacht, als een noodzakelijke introductie tot dit werk. Integendeel, de gelijkenis van de talenten in Mattheüs 25 toont ons door zijn ernstig oordeel het gevaar om op een andere vergunning te wachten alsmede op het feit dat de Heer Zijn dienstknechten goederen toevertrouwd heeft, waarvoor zij verantwoordelijk zijn om mee te handelen. Aan de genade van de Heer te twijfelen – bang zijn, omdat men niet de volmacht heeft van hen, die zich aanmatigen daartoe gerechtigd te zijn met Zijn rechten te spotten of het talent in de aarde begraven, betekent op de manier van de boze en luie dienstknecht handelen. Want de Heer van de oogst, om een andere gelijkenis te gebruiken, heeft alleen het recht om zijn arbeiders uit te zenden (vgl. Matth. 10 en Rom. 10). In één woord, de vraag is niet of alle christenen door God gemachtigd zijn om het evangelie te prediken, maar degenen die daartoe bekwaam gemaakt zijn, niet prediken mogen voordat zij een of andere menselijk erkende roeping ontvangen hebben. De Heilige Schrift beslist, zoals we gezien hebben, dat het hen niet alleen toegestaan is​​, maar zelfs dat zij moeten.

“Laat alles gebeuren tot opbouw”

Wat nu het getuigenis betreft tegen hen die zich binnen de gemeente, kerk of vergadering bevinden, dan zien we in 1 Korinthe 14 heel duidelijk, dat de enige beperking van de uitoefening van de gaven van de gelovigen dit was: “Laat alle dingen geschieden tot opbouw” (vs. 26b). De vrouwen werd heel duidelijk verboden in de gemeenten te spreken. Elders waren zij verantwoordelijk de hun door de Heer toebedeelde gave, in onderworpenheid aan Zijn Woord te gebruiken. Zo namen Priscilla, niet minder dan Aquila, Apollos bij zich, en zij legden hem de weg van God nauwkeuriger uit (Hand. 18:26) en de vier dochters van Filippus profeteerden (Handelingen 21:9); maar niet in de gemeenten. De Heilige Geest verbood dit in 1 Korinthe 14 vers 34-35. Een vrouw was het niet geoorloofd ​​om te leren, noch over de man te (1 Tim 2:12) heersen.

Maar al de broeders, in zijn geheel, werden op deze manier vermaand: “Jaagt de liefde na en streef naar de geestelijke gaven, en vooral daarnaar dat u mag profeteren” (1 Kor. 14:1). En natuurlijk moeten ze gebruik maken van hun gaven zoals God gemachtigd heeft, zodat alles behoorlijk en met orde gebeurt. Daarom zegt Jakobus in hoofdstuk 3 vers 1: “Laten niet velen leraars [willen] zijn, mijn broeders” {Voorhoeve Vertaling – 4e druk} – een vermaning die in het algemeen in de huidige kerkelijke instellingen net z weinig toegepast wordt, als in de gegeven omstandigheden van hen, aan wie zij gericht, passend en noodzakelijk was. Dit was een vermaning dat duidelijk veronderstelt, dat er een open dienst was, die heel gemakkelijk door het vlees op een verkeerde manier gebruikt zou kunnen worden, maar die de apostel, in plaats van deze ter zijde te stellen of te beperken, voor het bestwil van hun zielen toepaste, doordat hij hen wees op hun directe verantwoordelijkheid voor God.

“Beproef de geesten of zij uit God zijn”

Aan de andere kant wordt het gehele huis van God vermaand niet iedere geest te geloven, maar de geesten te beproeven of zij uit God zijn; “want er zijn vele valse profeten in de wereld uitgegaan” (1 Joh. 4:1). Zelfs wordt tegen die “uitverkoren vrouw” in 2 Johannes vers 10 gezegd, dat, wanneer iemand komt en de leer van Christus niet brengt, hem niet in huis te ontvangen. Zowel degenen die horen, alsmede degenen die onderwijzen, hebben nodig om op hun hoede te zijn. De verantwoordelijkheid blijft aan alle kanten, en niemand kan haar ontvluchten.

In Romeinen 12 hebben wij hetzelfde, ofschoon vanuit een ander gezichtspunt. “Want door de genade die mij gegeven is, zeg ik ieder onder u niet hoger te denken dan hij moet denken, maar laat hij denken in bescheidenheid, naar de mate van geloof zoals God die aan ieder heeft toebedeeld. Want zoals wij in één lichaam vele leden hebben en de leden niet alle dezelfde functie hebben, zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden van elkaar. En nu hebben wij genadegaven, onderscheiden naar de genade die ons is gegeven: hetzij profetie, naar de mate van het geloof; hetzij dienstbetoon, in het dienen; hetzij wie onderwijst, in het onderwijzen; hetzij wie bemoedigt, in het bemoedigen; wie uitdeelt, in oprechtheid; wie leiding geeft, met inzet; wie zich over anderen ontfermt, met blijmoedigheid”.

Veel leden en genadegaven, maar slechts één lichaam

Men moet op het handelen van God met een ieder zien, en niet op een louter menselijke volmacht of overdracht aan iemand of aan enkelen. Daarom kwam het geloof erbij, en een ieder wordt vermaand bescheiden van zichzelf te denken, en dat, wat God hem gegeven heeft, te gebruiken in plaats van om zich meer aan te matigen. het is niet één lid die alle gaven in zich verenigt of anderen verhindert, maar het zijn vele leden en toch maar één lichaam, die verschillende gaven heeft; en dezen worden aangespoord om deze gaven te gebruiken, niet alleen in liefde omdat een ieder één van de andere leden is, maar ook vanwege de genade die ons van God gegeven is. Zo in Efeze 4 vers 4-16: “één lichaam en één Geest … Maar aan een ieder van ons is de genade gegeven naar de maat van de gave van Christus … Christus, door Wie het hele lichaam goed samengevoegd en verbonden door alle gewrichten, die bijstand verlenen, naar de werking die elk deel is toegemeten, de groei van het lichaam bewerkt tot opbouwing van zichzelf in de liefde” {Voorhoeve Vertaling – 4e druk}.

In Kolosse 2 vers 19 vinden we hetzelfde: “het hoofd, uit Wie het hele lichaam, door gewrichten en banden ondersteund en samengehouden, opgroeit met de goddelijke groei”. Ook maakt 1 Petrus 4 vers 10 en 11 tot een voorwerp van bepaalde verplichtingen, dat “naarmate een ieder een genadegave ontvangen heeft” zij daar elkaar mee dienen moeten. Zo en niet anders zouden ze goede rentmeesters zijn van de veelvoudige genade van God. “Als iemand spreekt, [laat het zijn] als uitspraken van God; als iemand dient [laat het zijn] als uit kracht die God verleent, opdat in alles God verheerlijkt wordt door Jezus Christus, aan wie de heerlijkheid en de kracht is tot in alle eeuwigheid! Amen” {Voorhoeve Vertaling – 4e druk}.

Kan er iets meer duidelijk tonen, dat door mensen verworven bekwaamheid van geen waarde is, en dat is net zo goed het idee van een menselijke beperking volledig uitgesloten is? Dat, wat van God komt, en niets anders, is zonder verdere bevestiging te benutten en aan te nemen, opdat in alles God verheerlijkt wordt door Jezus Christus.

_______________________________________

1. De Evangelische Alliantie – hoewel zij naar ik geloof het onvolmaakte getuigenis van het tegenwoordig verval van de kerk is – legt in feite een bekentenis af dat er geen dergelijke erkende en gerealiseerde eenheid in het huidige christendom aanwezig is, want anders zou een Evangelische Alliantie er niet nodig geweest zijn.

2. Wanneer we spreken van het verval van de kerk, dan wordt daarmee niet bedoeld dat de Kerk (gemeente) niet meer bestaat op aarde. Integendeel, wanneer ze niet langer meer op aarde bestaan zou, kon het ook niet in een dergelijke toestand zijn. De term is vergelijkbaar die men toepast op een man, die zijn vermogen heeft verloren. men zegt: “Hij is een geruïneerd man”. Natuurlijk wordt daarmee bedoeld, dat de man zelf nog leeft. Zo is het ook met de huidige toestand van de gemeente. Deze toestand geeft ongetwijfeld aanleiding tot moeilijkheden, omdat vele dingen zijn niet zoals het hoort, noch hoe ze ooit waren. Maar het Woord en de Geest zijn er tot een eeuwige dienst, en zijn toereikend voor alle mogelijke gevallen. “als dan uw oog oprecht is, zal heel uw lichaam verlicht zijn; maar als uw oog kwaadaardig is, zal heel uw lichaam duister zijn” (Matth. 6:22-23). Het nederige en gehoorzame hart zal het nooit aan de goddelijke leiding ontbreken. Waarheid, die de wereld niet ontvangen kan, omdat zij niet aan Zijn zijde staan, noch Hem kent. “Want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, maar u kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn” (Joh. 14:17). De erkenning van de Heilige Geest, als de werkelijk tegenwoordige, enige en toereikende Heerser in de gemeente, tijdens de afwezigheid van onze Heer, is een bijzonder deel van onze verantwoordelijkheid, en moet altijd de leidende rol in ons getuigenis hebben.

3. Het is niet te ontkennen dat de doop het uiterlijk teken, of het openbaar worden van een belijder van Christus was. Maar het is belangrijk op te merken dat een gelovige niet als een lid van een bepaalde kerk of gemeente gedoopt werd. Erkend door de doop als een belijdende van Christus, zocht hij natuurlijk daar gemeenschap waar hij zich bevond, op voorwaarde dat daar een gemeente was; en het avondmaal van de Heer was het steeds terugkerend symbool van de eenheid of gemeenschap. “Omdat het brood één is, zijn wij, die velen zijn, één lichaam, want wij allen hebben deel aan het ene brood” (1 Kor 10:17). Er kan hier aan worden toegevoegd dat degenen die predikten, op geen enkele wijze de doop of het avondmaal van de Heer als een godsdienstige handeling beschouwden, die noodzakelijkerwijs door hen  moest worden beheerd. Zo beval Petrus dat Cornelius en zijn vrienden gedopt zouden worden in de naam van de Hand. 10:48); en Paulus schrijft dat Christus hem niet stuurde om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen (1 Kor. 1:17). Hij zegt dat dit vooral in relatie tot de Korinthiërs. Omdat we nu weten dat velen van hen geloofden en gedoopt werden (Hand. 18:8), dus in ieder geval , zullen andere broeders deze dienst gedaan hebben. Met betrekking tot het avondmaal is deze zaak evenzo duidelijk, zo niet duidelijker. Inderdaad, het idee van een gevolmachtigd persoon voor het uitdelen of breken van het brood komt nergens voor, ja, voor zover ik weet geeft niets in het Nieuwe Testament zelfs een schaduw daarvan. Zie Handelingen 20 vers 7 alsook 1 Korinthe 11, waar ooit omstandigheden waren die een dergelijke beperking noodzakelijk schenen te maken, omdat de Korinthiërs de tafel gebruikten voor een ​​vleselijke vrijheid. Terwijl echter de Geest het kwaad berispt en de heiligen het plechtige karakter van de viering inprent, laat Hij de wijze waarop de viering plaatsvind onbeperkt, zoals altijd. Bij Hem zijn de heiligen als één lichaam, en niet een bevoorrechte klasse, die van het bestuur als hun recht, gebruik maakt.

* De Schriftplaatsen zijn genomen uit de Herziene Staten Vertaling, behalve wanneer anders aangegeven is.

NOOT VERTALER:
1. Een sjibbolet (ook wel gespeld als schibbolet) is een uitspraak die eenduidig aangeeft of de spreker al dan niet tot een bepaalde groep behoort.

William Kelly, © Bibelpraxis.de

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol