1 maand geleden

Noodlottige alleenspraak …

“Maar David zei in zijn hart: Ik zal op een dag nog eens door Sauls hand weggevaagd worden. Er is voor mij niets beters te doen dan met spoed te ontkomen naar het land van de Filistijnen. Dan zal Saul zijn hoop omtrent mij opgeven om mij nog langer te zoeken in heel het gebied van Israël, en zo zal ik uit zijn hand ontkomen” (1 Sam. 27:1).

Kort voordat David deze woorden sprak, had God koning Saul in zijn hand gegeven. Maar David stond niet toe dat de boze koning met een speer aan de grond werd gespietst. Toen Saul het hernieuwde bewijs van genade van David zag, beloofde hij plechtig aan zijn schoonzoon, dat hij hem geen kwaad meer zou doen (1 Sam. 26:7-25). Kort daarna zette Saul echter opnieuw een vervolging op gang.

David werd het teveel. Zijn vertrouwen in God was als weggeblazen. In plaats van Gods aangezicht te zoeken, voerde hij een ‘noodlottige alleenspraak’, dat vol bezorgdheid was: “Saul zal me binnenkort ombrengen”.

Saul hem ombrengen? Dat was onmogelijk! Want God, Wiens raadsbesluit altijd in vervulling gaat, had David tot koning over Israël aangesteld (1 Sam. 16). En na verloop van tijd hadden verschillende mensen dit ook nog “bevestigd” aan David: zijn vriend Jonathan (1 Sam. 23:17), zijn vrouw Abigaïl (1 Sam. 25:30) en zelfs zijn aartsvijand Saul zelf (1 Sam. 26:25).

Maar David was heel bang. Hij vluchtte snel naar de Filistijnen. Hij zocht daarmee uitgerekend bescherming bij het volk, wiens boegbeeld hij glorieus versloeg met een kiezelsteen in het Eikendal! Was het land van de Filistijnen geen absurde toevlucht voor David, de grote held en kandidaat voor de troon van Israël?

Kennen we dergelijke ongegronde angsten niet ook in ons leven? Een tijdlang vertrouwen we op de Heer en klampen ons vast aan Zijn Woord; maar dan werpen we plotseling ons vertrouwen weg. We kiezen eigenzinnig een weg, die ons uit de vuurlinie van de vijand moet brengen. Maar we verliezen daardoor de gelukkige gemeenschap met God en storten ons in nog grotere en smartelijkere problemen.

David ontdekte, dat Saul daadwerkelijk stopte met zijn jacht op hem. Maar de nauwe relatie met de Filistijnse koning Achis had een negatieve invloed op David. David vernietigde hele dorpen tijdens zijn strooptochten en verviel in de gewoonte om te liegen (1 Sam. 27:5–12). Uiteindelijk voegde de bedwinger van Goliath zich bij de Filistijnen om tegen zijn eigen volk te strijden. God redde David van deze fatale fout, die waarschijnlijk zijn koningschap over Israël onmogelijk zou hebben gemaakt: de sceptische Filistijnen stuurden David namelijk naar huis terug met zijn door oorlog geharde mannen. Hun woonplaats in Ziklag was echter slechts een rokende spookstad – alle vrouwen en kinderen waren weggevoerd door de Amalekieten. Het volk sprak erover om David te stenigen (1 Sam. 29:1–30:6). De treurige ontwikkeling die begonnen was met de ‘noodlottige alleenspraak’, bereikte nu haar dieptepunt! David was ten einde raad. Ten einde raad? Niet helemaal. “David echter sterkte zich in de HEERE, zijn God” (1 Sam. 30:6). David kon nu weer door God gebruikt worden en hij overrompelde en versloeg de Amalekieten (1 Sam 30:7-20).

Wat kunnen we van deze geschiedenis leren?

Ten eerste: we moeten oppassen voor de dwaze alleenspraak van het ongeloof en altijd onthouden, dat God voor Zijn Woord instaat en er zal niets gebeuren, dat in strijd is met dat Woord. Als we ruimte geven aan de ongelukkige, angstige gedachten in ons hart, zullen onze voeten ons snel naar plaatsen brengen die we beter nooit hadden gezien.

Ten tweede: als we de verkeerde weg zijn ingeslagen en de bittere vruchten ervan plukken, moeten we het aangezicht van onze genadige God zoeken. David verbleef helaas meer dan een jaar bij de Filistijnen (1 Sam 27:7). Maar we willen niet aarzelen om naar de onuitputtelijke Bron van onze kracht te gaan. God staat altijd klaar om ons te vergeven en een nieuwe start te schenken. Hem zij dank!

Gerrid Setzer; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 24.11.2017.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW