4 jaar geleden

Één hart, één weg

“Zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ík zal hun tot een God zijn. Ik zal hun één hart en één weg geven om Mij te vrezen, alle dagen …” (Jer. 32:38-39).

Verschillend en toch één

Een verbazingwekkende eigenschap van de kleine groep van volgelingen van de Heer was hun oorspronkelijke diversiteit, waarin zij geroepen waren, en de daaropvolgende harmonie in het discipelschap. Onder de twaalven bijvoorbeeld, waren Andreas en de visser Petrus, Mattheüs die behoorde tot de verachte tollenaars, Johannes en Jakobus, de zonen van de donder, en Simon de fanatieke ijveraar. Maar toen ze volgelingen van Christus werden, waren deze mannen van zulke verschillende genegenheden één van hart, om de Heer liefde, eer en zelfopofferende dienst te bewijzen, terwijl ze Hem samen volgden op de weg door Galilea, Judea en Samaria.

De menigte van volgelingen van de Heer was klein, zelfs als bij de groep van twaalf apostelen nog die discipelen bijgeteld werden, die hun aanhang alleen betuigden wanneer Hij hun woonplaats bezocht. Maar na Pinksteren werd het éne hart en de éne weg, die de Heer door Zijn dienst in Israël gevormd had, duidelijker zichtbaar.

Het was een feit dat deze grote verandering tot een eenparig discipelschap, gescheiden van de Joden, na de dood van de Heer, begon. Het ware doel van zijn dood was, dat de Heer de verstrooide kinderen van God tot één zou vergaderen (Joh. 11:51-52).

Er is één christelijke weg

Daarnaast had het leven van deze gelovigen een nieuw karakter, die zo duidelijk verschilde van die van de wettische Joden en van de losbandige Grieken, dat het christendom onder die mensen bekend werd als “de weg”. Deze eenvoudige uitdrukking vat het geloof, aanbidding en de levensstijl samen, die waargenomen werden bij de discipelen in Jeruzalem en later ook in Rome, Efeze, Athene, Korinthe en op alle andere plaatsen. De gelovigen waren één van hart; ze wandelden schouder aan schouder op één weg en waren voor hun afwezige Heer een krachtig getuigenis onder de mensen.

De vijanden van Christus erkenden in degenen die tot de “weg” behoorden, zulken die “met Jezus waren” (Handelingen 4:13), en de nieuwe naam die hen gegeven werd, was voldoende; want had de Heer niet tot de Zijnen gezegd: “Ik ben de Weg” (Joh. 14:6)? Hoe dan ook, deze weg van gemeenschap met God en met elkaar, deze weg van gehoorzaamheid aan Christus, die zich manifesteerde, hoewel de zichtbare aanwezigheid van Christus als Leider op de weg ontbrak, viel iedere waarnemer op.

Eén weg, één van zin, éen van hart

Vanwege de eensgezindheid in het doel en in de praktijk van het dienen van God, die onder de gelovigen van de eerste dag heerste, riep deze weg overal tegenstand en vervolging op. Saulus van Tarsus vervolgde de mensen die van de weg waren, in Jeruzalem en tot in Damascus (Handelingen 9:2). Felix, de Romeinse gouverneur, had een betere kennis van de weg (Handelingen 24:22); Aquila en Priscilla en Apollos zetten de details van deze weg nauwkeuriger uit (Handelingen 18:25-26).

Voor de gelovigen die op die ene weg voorop gingen, was het belangrijk dat ze zowel één van zin als ook één van hart waren; en de bediening van de Geest in de gemeente, in woord en geschrift, was de wijze waarop dit eensgezinde front ontstaan was en onderhouden werd.

Het principe van het ene hart in het binnenste en de ene weg naar buiten toe wordt in het Nieuwe Testament als de wil van God voor Zijn gemeente, het lichaam van Christus, genoemd. … In hoeverre kan van ons gezegd worden dat we één van hart en samen op één weg wandelen?

Zich voegen naar is geen werkelijke weergave van de eenheid

Laten we niet vergeten dat een louter stilzwijgend zich voegen, bijvoorbeeld in bepaalde vergaderingsbesluiten, nog niet de juiste weergave van de eenheid van het hart en de eenheid van wandel is, wat de Heer door regel en voorbeeld bij de heiligen wil bereiken.

Volharding in het bewaren van de eenheid van de Geest, zonder de morele kwaliteiten te hebben, die tot de hemelse roeping behoren (Ef. 4:1-3), is slechts een levenloze formaliteit. Wilt u de eenheid van de weg bewaren, zolang het hart de belangstelling daaraan en het initiatief daarvoor heeft verloren, is een nutteloze inspanning.

Wat heb je eraan om te claimen op de goede weg te zijn, als het hart dor en onvruchtbaar en voor de verenigende werkzaamheid van de Geest toegesloten is? Gemeenschappelijke samenwerking heeft in de ogen van het Hoofd van de gemeente weinig waarde, als er Hij daarbij gebrek aan zachtmoedigheid en nederigheid, aan geduld, aan wederzijdse verdragen in de liefde vaststellen moet (Ef. 4:2).

Zachtmoedigheid en nederigheid zijn passieve deugden die zeer belangrijk voor degenen, die het juk van Christus dragen. Ze vormen de basis voor de hartelijke eenheid van de Geest in de gemeente. De apostel verlangde van de Filippenzen, dat ze allemaal hetzelfde zouden bedenken, dezelfde liefde zouden hebben, eenstemmig en eensgezind zouden zijn (Filippi 2:2). Waren deze omstandigheden aanwezig bij hen, dan werd bij hen de geest van Christus gezien; zo was de gemeente in Filippi één van hart, hun voeten hielden gelijke tred met elkaar en zij konden zo op de ene weg wandelen.

William J. Hocking, © bibel praxis.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol