4 maanden geleden

Een deur van hoop

Bijbelplaatsen: Johannes 10 vers 9; Hosea 2 vers 13-14; Zacharia 13 vers 2

 

Er zijn niet veel deuren die tot behoudenis, tot redding leiden. Er is er slechts één. Jezus zei: “Ik ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij behouden worden” (Joh. 10:9).

Er zijn ook niet veel deuren die van een zwakke of afvallige geestelijke toestand naar een toestand van kracht en nabijheid van God voeren. Ook hier is er maar één Deur, en we moeten door die heen gaan, wanneer we vandaag onze zwakheid en ons afdwalen willen verlaten en tot nieuwe toewijding en trouw willen geraken.

En omdat de geschiedenis van Israël geschreven is voor onze onderwijzing, en de dingen die hun overkomen zijn een model en voorbeeld voor ons moeten zijn (1 Kor. 10:11), zullen wij naar deze geschiedenis kijken om ons onderwerp aanschouwelijk te maken.

Het eerste dat opvalt, is dat de geschiedenis van Israël als volk begon met de onderdrukkingen van Egypte. Er werd tot Abram gezegd: “Weet wel dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken” (Gen. 15:13), en in verband met deze profetie had Abram het visioen van de rokende oven en de brandende fakkel, die tussen de offers doorging (Gen. 15:17). Abram’s nakomelingen kwamen in de rokende oven van onderdrukking in Egypte. Het was geen veelbelovend begin, want Jakob en zijn zonen hadden bij lange na niet de geestelijke hoogte van Abram. Zij kwamen naar Gosen als een kleine stam van twistzieke en achterdochtige nomaden en wisten duidelijk niet, wat zij konden verwachten.

God ontfermde zich over hen en liet toe, dat zij de verzengende hitte van de oven van Egypte voelden. “Hoe meer zij het echter onderdrukten, hoe talrijker het werd …” (Ex. 1:12). In deze oven van verdrukkingen werden zij tot één volk samengesmeed. Zij waren naar Egypte gekomen als een zwakke en verdeelde familie en verlieten Egypte als een verenigd en machtig volk.

Hun verdere geschiedenis, met al zijn trieste verval en zonde, is ons allen bekend. Niets dan het heldere licht van Gods trouwe genade kon de duisternis van hun ontrouw en ondergang overwinnen. Die genade hield de hoop en de weg van herstel levend voor hun ogen.

Hun zonde nam hoofdzakelijk twee vormen aan: ten eerste het verlaten van de ware God voor andere goden, en ten tweede het verwerpen en kruisigen van de geliefde Zoon van God, hun Messias, toen Hij verscheen. Israël zal rijk gezegend worden in het Duizendjarig Rijk op aarde en zal ook tot een grote zegen zijn voor de volken, maar voordat dat kan gebeuren, moeten zij juist door deze deur van herstel gaan, waarover wij spreken.

De profeet Hosea oefende zijn ambt uit in de jaren die voorafgingen aan de volledige ondergang van het tienstammenrijk en de inname van Samaria, en zijn boek handelt over de verwoestende oordelen over de verschrikkelijke afgoderij, die spoedig ernstige oordelen over hen zou brengen. Deze oordelen worden vermengd met voorspellingen van een definitief herstel, en in het tweede hoofdstuk komt de uitdrukking “een deur van hoop” (vs. 14) voor.

“Daarom, zie, Ikzelf ga haar lokken, haar de woestijn in leiden, en naar haar hart spreken. Ik zal haar daarvandaan haar wijngaarden geven, en het Dal van Achor tot een deur van hoop. Daar zal zij zingen als in de dagen van haar jeugd, als op de dag dat zij wegtrok uit het land Egypte” (Hos. 2:13–14).

Wat een wonderbaarlijke genade straalt er uit deze beloften! Wat een gedachte dat er aan het einde van Israëls rampzalige geschiedenis een moment zal zijn, waarop zij de lof van de HEERE zullen bezingen met de schoonheid van hun jeugd en met de frisheid van die dag toen zij, aan de verre oever van de Rode Zee, al hun vijanden zagen omkomen in de vloedgolven!

“Daar zal zij zingen.” Waar? In het dal Achor. Ze zal natuurlijk niet letterlijk of fysiek daar zijn, maar moreel en geestelijk.

Jozua 7 geeft ons licht over wat het betekent, dat hier het dal van Achor wordt bedoeld. Het dankt zijn naam aan het vreselijke oordeel dat daar over Achan werd geveld (Joz. 7:16-26).

Toen Israël onder Jozua het land der belofte binnenging, werd hun streng bevolen niets aan te raken, maar schoon schip te maken met de bezittingen en werken van de volken. Deze instructies waren gezondheidsvoorzorgen van geestelijke aard. Afgoderij is zeer besmettelijk en richt moreel te gronde, en een beleid van grondige afzondering was het enige veilige.

Achan was de eerste die door deze beschermende barrière brak. Hij “begeerde” zilver en goud en een “kostbare Babylonische mantel” en hij nam het. Sinear (het latere Babylon) was de zetel en het bolwerk van de afgoderij van de wereld in die tijd.  Deze mantel kwam uit Sinear, dat wil zeggen, hij werd gedragen in verband met heidense en afgodische praktijken.

Onmiddellijk viel het oordeel op Achan1. Hij en allen en alles om hem heen, inclusief de mantel, kwamen om in een vonnis van stenen en vuur. Zo werd de besmetting gestopt – althans voorlopig. Het werd veroordeeld en verwijderd.

De afgoderij zal echter in Israël weer opleven, in verband met het beest en de valse profeet, en de definitieve uitbanning zal pas plaatsvinden als Israël als natie weer in het dal Achor komt, of met andere woorden, als zij tot een oprecht zelfoordeel zijn gebracht en deze boze zonde definitief en volledig hebben afgezworen.

Onder de latere profeten, lang na Hosea, was Zacharia. In zijn tijd was een overblijfsel uit Babylon teruggekeerd, de afgodendienst was opgehouden, en de eerste komst van Christus was de op handen zijnde gebeurtenis. Daarom had hij nauwelijks een woord te zeggen over de afgodendienst, maar zeer veel over het godsdienstig formalisme en de huichelarij, die welig tierden, en ook over de Messias, Wiens komst nabij was. Hij profeteert Zijn eerste komst in genade en Zijn verwerping.

De verwerping en kruisiging van Jezus door Zijn eigenzinnige volk was het toppunt van hun onbeschaamdheid. Men kan zich terecht afvragen of er ooit een open deur kan zijn voor een volk, dat zich zo schuldig heeft gemaakt.

Maar Gods goedheid is zo groot, dat Hij Zacharia de opdracht geeft juist zo’n open deur te voorspellen. We vinden dit in Zacharia 12 vers 9-14.

Het is een deur van diep berouw. Het overblijfsel van het huis van David en de inwoners van Jeruzalem, die dan door de oven van de grote verdrukking zijn gegaan, veel erger dan die van het oude Egypte, zullen onder de hand van God komen tot de pijnlijke bewustwording van hun zonde, die hen ten diepste zal verootmoedigen.

Let op een paar punten:
Het zal niet alleen een verandering van gedachten of gedrag zijn, maar in de eerste plaats van geest. Een “onreine geest “ was in het land geweest (Zach. 13:2), nu zal de “Geest van genade” over hen worden uitgestort.

Het zal niet slechts de spijt van hun verkeerd handelen zijn, of de pijn van de kastijding die volgde, maar veeleer een diep besef van de omvang van hun kwaad tegen Christus. Er wordt gezegd: “Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als met rouwklacht over een enig kind; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene” (Zach. 12:10). Wij lezen “er was een luid geschreeuw in Egypte” toen de eerstgeborenen stierven in de Pascha-nacht. Maar de intensiteit van deze klaagzang zal dat geschreeuw duidelijk overtreffen.

Bovendien zal het inzicht en het gevoel zo sterk zijn, dat niet alleen gezinnen afzonderlijk zullen rouwen, maar dat zelfs mannen en hun vrouwen niet in staat zullen zijn om samen te weeklagen. Iedereen zal instinctief de eenzaamheid opzoeken om zijn ziel alleen te laten zijn met God.

De gedachte is ons bekend, dat Israël het grote kanaal zal zijn voor aardse zegeningen in het Duizendjarig Rijk, maar hebben wij voldoende overwogen welk groot werk het morele fundament zal zijn waarop deze latere heerlijkheid zal rusten? Objectief gezien berust hun heerlijkheid in de komende eeuw (bedeling) op het volbrachte verzoenende werk van Christus; subjectief gezien berust zij op dat grote werk van de Geest in hun harten.

We zijn in de laatste dagen van het verblijf van de gemeente op aarde. Haar schandelijk falen en verval zijn voor iedereen duidelijk geworden. De wijsvinger opsteken en het kwaad benoemen is een gemakkelijke zaak – en ook vruchteloos als we het daarbij laten. Ieder van ons moet verder gaan, oprecht berouw hebben van het kwaad, in overeenstemming met de geest van Zacharia 12, en het kwaad werkelijk uitroeien, in overeenstemming met het handelen van Jozua in het dal van Achor.

Zij die dat doen, hebben de zekerheid van herstel en de zegen.

We kunnen het onderwerp in een paar woorden samenvatten: Berouw is het fundament van alle herstel.

 

NOOT:
1. Achor betekent: in het ongeluk gestort.

F.B. Hole; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 12.12.2008.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW