14 jaar geleden

Een belangrijk gesprek

Een reis per trein met mijn vrouw en zoon naar een veraf gelegen stad is niet gemakkelijk, vooral niet op een zeer warme zomerdag, en bij de aanvang van de reis zochten we naar een ruime plaats in een nog geheel onbezet compartiment en vonden dat. Wanneer de trein zich in beweging zette, bereidden we ons voor op de vele eenzame uren. Onderweg moest de trein stoppen en onder de weinige reizigers, die instapten, bevond zich een Franciscaner monnik, gezien zijn kleding. Ik zag, dat hij naar een plaats zocht voor zichzelf en zijn bagage, maar niemand was blijkbaar bereid hem die te geven, aangezien de meeste reizigers zich behaaglijk hadden neergezet of gelegd en daarmede blijk gaven van onbeleefd te zijn tegenover hun medemens, die toch ook rechten had. Vermoedelijk had de man een vriendelijk karakter, want hij verzocht niemand hem een plaats af te staan. Ten laatste trachtte hij het zich gemakkelijk te maken door aan het einde van de wagon een eigen gemaakte zitplaats in te nemen.

In onze coupé waren echter nog twee vrije plaatsen en na mijn koffers wat te hebben verplaatst, nodigde ik hem uit de ruimte met ons te delen, – als hij tenminste daar geen bezwaar tegen had. Dankbaar maakte hij gebruik van mijn aanbod en maakte hij het zich gemakkelijk.

Wij praatten over algemene dingen, het warme weer, de oogst enzovoorts, totdat het gesprek een andere wending nam, n.l. toen hij vroeg of ik toerist was dan wel voor zaken op reis. Ik antwoordde hem een bijzondere opdracht te hebben. “Welk huis of zaak vertegenwoordigt u dan?” vroeg hij. “lk vertegenwoordig een wonderlijk huis en heb belangrijke artikelen aan te bieden voor een ieder, die er interesse voor heeft”. Hij glimlachte en vroeg: “Als ik niet onbescheiden ben, wat is uw beroep?” “Wel”, antwoordde ik met nadruk, “in enig opzicht hetzelfde als het uwe. Ik ben Katholiek priester en arbeid in de Missie”. Verwonderd keek hij mij aan. Eerst naar mijn kleding en toen naar mijn vrouw en zoon. “lk geloof, dat u een grapje maakt. U is zeker geen Katholiek priester”.

“Ja”, antwoordde ik, “inderdaad ben ik een priester in de heilige, Katholieke kerk. Ik meen wat ik zeg”.

“Maar u draagt geen Roomse kledij”.

“Neen, maar ik zei ook niet een Rooms priester te zijn, maar een priester van de Katholieke Kerk. Naar mijn gedachten zijn de twee begrippen ‘Rooms’ en ‘Katholiek’ niet juist geformuleerd. ‘Rooms’ spreekt van een beperkte gemeenschap, ‘Katholiek’ van een algemene Kerk”.

“Nu versta ik u, geloof ik. U is geestelijke van de een of andere kerk, maar niet van de Roomse”.

“Neen, ook dat niet, want dat is eveneens een beperking. Zoals ik u reeds heb gezegd, ben ik inderdaad een priester in de heilige Kerk, de Apostolische Kerk, gesticht door de Heere Jezus Christus”.

“lk begrijp u niet en veronderstel, dat u een geestelijke bent van één van de verschillende sekten van de Protestanten”.

“ln het geheel niet. Ik noem mijzelf geen geestelijke, maar een priester. Wellicht wordt het u duidelijker, als ik u vertel hoe ik een christen werd en hoe ik priester werd gemaakt”.

“Dat zal inderdaad interessant zijn”.

En toen vertelde ik hem in eenvoudige woorden van mijn opvoeding in een Christelijke familie, van mijn grote belangstelling in geestelijke dingen en mijn eigen ziel en hoe ik als een jongen van veertien jaar als een verloren zondaar mijn knieën boog en God bad mij te willen behouden. In mijn gebed vroeg ik Hem iets te doen, wat Hij reeds eerder had willen doen en ik herinnerde mij de woorden van mijn moeder, die had gezegd: “De beste plaats om met God te beginnen is te lezen in de Heilige Schrift de brief van de Apostel Paulus aan de Romeinen, hoofdstuk 3 en daarna het heilig Evangelie van Johannes, ook hoofdstuk 3”.

Ik zocht in de Schrift en vond het gedeelte, maar begreep er niet alles van. Tenslotte las ik Johannes 3. En terwijl ik daarmee bezig was, werd mij door de Heilige Geest alles duidelijk. Zoals de koperen slang in de woestijn door Mozes was opgericht, zo ook was Christus verhoogd aan het kruis en een ieder die in het geloof op Hem zag werd behouden. In vers 18 las ik: “Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld”. Het licht brak door in mijn ziel en ik riep uit: “Heere, ik geloof en vertrouw Uw Woord. Ik werd niet veroordeeld”.

De Franciscaner had belangstellend geluisterd en zei: “Dat is wonderlijk. Nimmer in mijn leven heb ik zoiets gehoord. Het herinnert mij aan de heilige Augustinus”.

“lk begrijp niet hoe u mij met Augustinus kunt vergelijken”.

“Wel”, zei hij, “weet u dan niet, dat ook Augustinus door het Boek het licht ontving? En zonder dat iemand persoonlijk met hem had gesproken? Zo is het ook met u, begrijp ik. Het licht kwam door het Boek”. “0”, antwoordde ik, “nu begrijp ik het. Inderdaad was het door het woord van God dat ik in het licht werd gebracht, vrede kreeg en volle zekerheid van mijn verlossing”.

“En wat heeft u daarna gedaan? Augustinus ging, nadat hij een Christen was geworden naar de priester om verder onderwezen te worden. Daardoor werd hij een groot leraar van de kerk”.

En ik antwoordde: “Bij Christenen zocht ik gemeenschap. Die wisten ook behouden te zijn en we onderzochten samen de Schriften. Het eerste wat ik bestudeerde was de brief van de apostel Petrus en ik deed een grote ontdekking toen ik las, niet alleen een kind van God te zijn en het eeuwige leven te hebben, maar dat ik bovendien een priester geworden was van de heilige, Katholieke Kerk. De apostel zegt in het tweede hoofdstuk, vers 5: “Zo wordt gij ook zelf, als levende stenen gebouwd, een geestelijk huis, een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die aangenaam zijn voor God door Jezus Christus”. En verder in het 9de vers: “Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een volk ten eigendom, opdat gij de deugden zoudt verkondigen van Hem, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht”.

Uit deze Heilige Schriften leerde ik begrijpen een priester te zijn en het mijn gezegend voorrecht is een vertegenwoordiger van Christus te zijn in deze donkere wereld, om bekend te maken de rijkdom van de genade aan hen, die nog geen vrede met God hebben”.
“Nu versta ik, wat u bedoelt met te zeggen, dat u een Katholiek priester bent”, zei hij. “Maar u bent toch geen lid van de ware Kerk, die Christus heeft gegrondvest op de apostel Petrus?”

Een lange, maar vriendelijke discussie volgde over het wezen van de ware Kerk, de verhouding van Petrus tot die Kerk, de wedergeboorte, de sacramenten, goede werken, enzovoorts. De verschillen tussen Roomsen en Protestanten kwamen aan het licht. Doch de monnik beleed eerlijk, dat hij met de inhoud van de Heilige Schriften niet zo bekend was. Zijn belangstelling was meer uitgegaan naar de geschriften van de kerkvaders en de leerstellingen van de kerk, ofschoon hij gevoelde, dat het wel nodig was geweest meer de Schriften zelf te onderzoeken.

Ik meende te bemerken, dat zijn ziel iets meer vroeg dan hij tot nu in zijn Kerk had gevonden. Hij sprak hier ook over, maar ik voel mij niet vrij dit hier mede te delen.

Hij gebruikte de lunch met ons in de trein en de ganse dag was hij voorkomend en vriendelijk. Tegen de avond bereikten wij onze bestemming. Een kennis, die mij afhaalde, was zeer verwonderd de twee “priesters” de trein te zien verlaten en hij vergezelde mijn vrouw en zoon, terwijl wij de conversatie op straat voortzetten over de grote waarheid aangaande de weg van het heil.

Ten laatste bereikten wij de plaats waar onze wegen scheidden. Hij naar zijn klooster en ik naar het huis van mijn familie. Meer en meer was hij belangstellend geworden en toen we elkaar de hand drukten, zei hij: “lk zou graag willen, dat u vanavond naar het klooster kwam, opdat we nog wat verder kunnen praten. Ik kan uw vrouw niet verzoeken, dat is tegen onze orde, maar als u deze avond kunt vrijmaken, zou ik u graag mijn boeken laten zien om na te gaan wat de kerkvaders hebben geleerd. Dan kunnen we trachten om sommige dingen, die u niet duidelijk zijn, nader toe te lichten”.

Ik verzekerde hem, dat ik dat graag zou doen, doch mijn afspraak met mijn familie en mijn werk in de stad verhinderden mij op die vriendelijke uitnodiging in te gaan. Ik vroeg hem of het hem niet mogelijk was het avondeten bij mijn familie te gebruiken om dan daarna mijn prediking te beluisteren, waarvoor ik in die stad was gekomen.

Doch dit weigerde hij, daar het niet goed was een protestantse vergadering bij te wonen in een priesterlijk gewaad, daar dat zeker aanleiding tot misverstand zou geven.

“Wel”, zei ik, “we hebben ongeveer dezelfde postuur. In mijn koffer heb ik een kostuum, dat u zeker zou passen. Indien ik u er mee van dienst kan zijn, dan graag”. Maar hij lachte en zei: “lk heb met een eed gezworen altijd mijn priesterkleding te zullen dragen”.

“lndien dat het geval is, wil ik u geen aanleiding geven uw eed te breken”. Hij stak mij de hand toe en zei: “Het is nu tijd om afscheid te nemen. Ik kan u niet zeggen hoe aangenaam ik het onderhoud heb gevonden. Het is de eerste maal, dat ik deze dingen met een Protestants geestelijke heb besproken, die niet boos werd”.

“lk ben geen Protestants geestelijke, maar een priester van de Katholieke Kerk”.

“0 ja, dat was ik vergeten. Maar nogmaals, het was een aangename dag. Ik zal dikwijls aan u denken en ik hoop, dat u voor mij bidden zult, gelijk ik voor u. Wellicht zullen we elkaar nimmermeer ontmoeten maar dit gesprek zal ik nooit vergeten”.

“Toch zullen we elkaar nog eens ontmoeten bij één of twee gelegenheden”, vertelde ik.

“U bedoelt in de hemel of in de hel”.

“Nee, dat bedoel ik niet. Indien u verloren gaat, wat naar ik hoop niet het geval zal zijn, dan zal ik u daar niet ontmoeten, want mijn zonden zijn afgewassen in het bloed van Christus en ik weet, dat ik met Hem in de hemel zal zijn tot in eeuwigheid”.

“Wat bedoelt u dan, als u spreekt van bij één of twee gelegenheden?” En toen antwoordde ik de Franciscaner monnik: “Naar mijn overtuiging wordt spoedig het woord vervuld uit de eerste brief aan de gemeente te Thessalonika, hoofdstuk 4, vers 15-17. Ik hoop, dat ik u dan mag ontmoeten”.

“1 Thessalonika 4:15-17? Het spijt mij, maar ik ben te weinig bekend met de brieven van de heilige apostel Paulus om te weten wat daar geschreven staat”.

En ik zei: “Daar staat het volgende. Want dat zeggen wij u door het Woord van de Heere, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heere, de ontslapenen geenszins zullen voorkomen. Want de Heere Zelf zal met een bevelend roepen, met de stem van een aartsengel, en met de bazuin van God neerdalen van de hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan; daarna zullen wij, de levenden, die overblijven, samen met hen in wolken opgenomen worden de Heere tegemoet, in de lucht; en zó zullen wij altijd met de Heere wezen”.

Daarna vervolgde ik: “We weten niet wanneer dit ogenblik zal komen, maar als ik de Heilige Schrift goed versta kan dat spoedig zijn. Wanneer de Schriften worden vervuld en de Heere Jezus zal komen van de hemel, dan zullen alleen zij, die weten verlost te zijn door het bloed van de Heere Jezus opgenomen worden om Hem te ontmoeten. De doden zullen opstaan en de levenden zullen veranderd worden. Hierbij behoor ik ook, ofschoon ik een arme zondaar ben in mijzelf. Doch het kostbaar bloed van Christus heeft mij gereinigd en heeft mij geschikt gemaakt om deelgenoot te zijn van de hemelse erfenis”.

“U moet wel een goed mens zijn”, onderbrak hij, “om zo zeker te zijn van zulk een heerlijke toekomst”.

“Neen, integendeel. Zoals ik u reeds eerder heb gezegd, leerde ik als jongen reeds verstaan allesbehalve goed te zijn. Ik leerde uit het Woord van God begrijpen, dat mijn hart boos was en ik zag mij als een verloren zondaar. Doch ik vluchtte naar Christus met mijn zonden. En die op Hem vertrouwt, is gerechtvaardigd van alle dingen. Wanneer de ontmoeting met Jezus zal plaats hebben, waarover wij zoeven hebben gesproken, dan zal ik naar u uitzien en indien uw geloof is geweest niet in de kerk, sacramenten, verdiensten, gebeden of in de goede werken, maar in de Heere Jezus Christus alleen, die voor u stierf en de zondekwestie op Golgotha oploste, dan zullen we ons samen kunnen verheugen in de volheid van de zaligheid van God tot in de eeuwigheid”.

De monnik keek mij voor een ogenblik onderzoekend aan en zei: “Maar u sprak nog van een andere gelegenheid. Welke is dat dan?”

“lndien onze ontmoeting niet zal plaats hebben op dat moment, dan zal het duizend jaren duren voor een andere gelegenheid zich voordoet om elkander te ontmoeten. Echter onder geheel andere omstandigheden”. “Duizend jaren? Waarom duizend jaren?”

“Omdat de Heilige Schrift zegt: “Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem heersen duizend jaren”. Het voorgaande vers zegt, dat de overige van de doden niet weer levend worden, totdat de duizend jaren geëindigd zouden zijn. Na die duizend jaren zegt Johannes: “lk zag een grote, witte troon, en Hem Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten; en geen plaats werd voor hen gevonden. En ik zag de doden, groten en kleinen, staan voor de troon; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend: het boek des levens; en de doden werden geoordeeld in overeenstemming met wat in de boeken geschreven was, naar hun werken. En de zee gaf de doden die in haar waren, en de dood en de hades gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken. En de dood en de hades werden geworpen in de poel van vuur. Dit is de tweede dood. En als iemand niet geschreven gevonden werd in het boek des levens, dan werd hij geworpen in de poel van vuur”.

In dat machtige ogenblik zal ik ook daar zijn met de Heere. Maar niet voor de grote, witte troon om geoordeeld te worden, want mijn veroordeling heeft reeds plaats gehad, toen twee armen zich uitstrekten aan het kruis van Golgotha. Jezus Christus heeft door de heilige Johannes laten schrijven in het Evangelie, hoofdstuk 5:24: “Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: wie Mijn Woord hoort en gelooft Hem die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven en komt niet in het oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven”.

“Ofschoon ik niet in het oordeel kom op de jongste dag, zal ik toch daarbij tegenwoordig zijn. Want er staat geschreven, dat de gelovigen de wereld zullen oordelen, ook de engelen. Indien ik u niet vind onder de verlosten bij de komst van de Heere Jezus Christus, dan zal ik u vinden temidden van de duizenden en duizenden, die uit hun graven zijn opgestaan en uit de diepten van de zee. Indien u heeft geleefd en zijt gestorven in het vertrouwen op de zaligheid, die u meende te vinden in uw kerk, sacramenten, gebeden, liefdadigheid of goede werken, dan vind ik u daar – een naakte zondaar – en ik zal de blik der wanhoop op uw gelaat aanschouwen, wanneer u uit de mond van Christus Zelf zult horen: “Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is”.

“God behoede mij. God behoede mij”, riep de monnik uit. En hij beefde. Ik legde mijn hand op zijn schouders en zei: “Jezus stierf. Hij stierf voor u. Hij, die zonder zonde was, is zonde voor ons gemaakt, opdat u gerechtvaardigd zou zijn voor God. Zeg mij, is het Christus of de Kerk? Is het Zijn bloed of Uw verdiensten? Waarop vertrouwt u?”

Voor een ogenblik zweeg hij. Toen, naar mij opziende met betraande ogen, zei hij: “O, Christus. Hij is de Rots. Christus … Hij is de Rots. Ik durf mijn vertrouwen nergens anders op te stellen. Ik vertrouw mij aan Hem alleen toe”.

“Geef mij de hand, mijn broeder, want nu spreekt u als Augustinus. Hij is het, die heeft gezegd: “Niet Petrus, maar Christus is de Rots. En indien u in Hem rust, Hem alleen vertrouwt, hoe we ook mogen verschillen in kerkelijke dingen en muren, we zullen elkaar ontmoeten als de Heere Jezus komt”.

Voor een ogenblik stond hij stil en toen sloeg hij impulsief de armen om mij heen en drukte mij aan zijn borst. Wij zeiden elkaar vaarwel. Hij ging naar het klooster en ik naar mijn familie. Nooit heb ik hem meer gezien.

Maar ik durf te geloven, dat ik mijn medereiziger zal ontmoeten in de heerlijkheid met Jezus, onze Zaligmaker.

Nu ik besluit, mag ik dan de lezer vragen: “Op wie vertrouwt u? Op Christus en in Hem alleen? Indien ja, gedenk dan het woord: “Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld”.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM