7 maanden geleden

Drie zondagen in het Nieuwe Testament: Jeruzalem – Troas – Patmos

Johannes 20 vers 19-29; Handelingen 20 vers 7-12; Openbaring 1 vers 9-16.

In de drie aangegeven gedeelten delen van het Nieuwe Testament vinden we telkens drie gelovigen, elk op een zondag. De Heilige Geest legt speciale nadruk op het gedrag of de toestand telkens in het bijzonder van één man. In Johannes 20 gaat het om Thomas, in Handelingen 20 om Eutychus, en in Openbaring om Johannes.

Bij de bijeenkomst van de discipelen in Johannes 20, hebben we nog niet direct de tijd van de gemeente voor ons, omdat de Heilige Geest tot op die tijd – de dag van de opstanding van de Heer – nog niet was neergedaald; dat gebeurde pas vijftig dagen later in Handelingen 2. Maar we vinden bepaalde kenmerken in dit bericht, die ook van toepassing zijn op een samenkomen als gemeente.

In Handelingen 20 hebben we de bijzonderheid, dat de apostel Paulus op een haastige reis naar Jeruzalem op een maandag in Troas aankwam. En hoewel hij zo’n haast had “op de Pinksterdag in Jeruzalem te zijn” (vs. 16), wachtte hij zeven dagen in Troas tot de volgende zondag, om op die dag dan met de daar aanwezige broeders en zusters het brood te breken en het Woord te verkondigen.

In Openbaring 1 hebben we nog een heel andere situatie voor ons. Hier wordt ons met Johannes, een afzonderlijke gelovige in zijn innerlijke hartentoestand op de dag van de Heer getoond.

En dit moet ook de focus van deze regels zijn, namelijk om op basis van deze drie verschillende personen mogelijke hartentoestanden op een zondag te laten zien, zoals ze ook het geval kunnen zijn bij de schrijver of lezer van deze regels:

  • Er was een bijeenkomst in Jeruzalem waar één persoon ontbrak – Thomas;
  • er was een bijeenkomst in Troas, waar een van de gelovigen kennelijk slechts uiterlijk betrokken was en tot een val kwam – Eutychus;
  • er was geen samenkomst op Patmos als gemeente, en toch was de afzonderlijke gelovige daar in de Geest bezig met de Heer – Johannes.

Jeruzalem – Thomas

Hoewel we hier in Johannes 20 nog geen samenkomst als gemeente hebben, worden er toch in de afzonderlijke gedeelten verschillende details van een christelijke gemeente aangegeven:

  • De discipelen zijn bij elkaar: er is een plaats waar gelovigen samenkomen en daardoor een zichtbare uitdrukking geven aan de waarheid van de gemeente;
  • de Heer komt en is in het midden: de Heer Jezus is het enige Middelpunt van zo’n samenkomst als gemeente (Matth. 18:20);
  • het resultaat van Zijn werk aan het kruis is een verzekerde vrede (die hen bij deze gelegenheid door de Heer geschonken werd);
  • het resultaat van het omgaan met de Persoon van de Heer is blijdschap;
  • de aldus verzamelde gelovigen hebben een plaatselijke verantwoordelijkheid om te binden en ontbinden, waartoe de Heer hen de bevoegdheid geeft door de werking van de Heilige Geest.

Eén van de elf discipelen was op deze eerste dag van de week bij deze bijeenkomst van de discipelen niet aanwezig. Het Woord zegt niet wat Thomas aan het doen was; uit het gesprek met de andere discipelen lijkt bij hem een zekere twijfel te bestaan over het feit van de opstanding van de Heer. Of het hem weghield of dat er andere redenen voor hem waren – we kunnen het niet met zekerheid zeggen en we willen ook niet voorbarig oordelen. Het moet echter worden opgemerkt dat na het gesprek met de overige discipelen hij op de volgende zondag aanwezig was.

Niettemin kunnen we uit het bericht enige informatie verzamelen. We lezen niet dat de andere discipelen Thomas iets verweten of kritisch hadden nagevraagd waarom hij er niet was geweest. Integendeel, op een heel verstandige manier hebben ze hem gewoon deelgenoot gemaakt van wat ze zelf ervaren hadden: ze hadden de Heer gezien (vs. 25). Dat had zijn interesse gewekt, zij het met zekere innerlijke reserves om er de volgende zondag bij te zijn.

Ook vandaag ervaren we het in de samenkomsten van de gelovigen keer op keer dat sommige plaatsen leeg blijven. Welke gedachten hebben we daarbij? Zijn we tevreden dat we er zelf bij geweest zijn, en vinden we onszelf daardoor zelfs wel een beetje trouwer dan degenen die er niet waren? Bekritiseren we en veroordelen wij misschien te snel zonder de specifieke redenen voor de afwezigheid van de enkeling te kennen? Of houden we er ons in opmerkzame liefde mee bezig en stellen we ons eenvoudig voor wat die persoon gemist heeft?

Hier is absoluut geen sprake van een lichtvaardig verzuim van de samenkomsten als gemeente. We denken aan de ernstige vermaning in Hebreeën 10 vers 25, die in de weliswaar in de eigenlijke betekenis het principiële verzuimen van de bijeenkomsten, de afval van het christendom en de terugkeer tot het jodendom beschrijft, maar als toepassing kunnen we deze verklaring niet ernstig genoeg nemen. Zijn we soms niet te snel bereid om een bijeenkomst als gemeente te lichtvaardig niet te bezoeken? Het hoeven niet per se slechte dingen te zijn waaraan we in plaats daarvan de voorkeur geven. Hoe zit het met onze verplichtingen met betrekking tot ons werk? Kan het echt niet vaker lukken om afspraken in ons beroep zó te maken, dat er ruimte is voor de samenkomst als gemeente? Hoe leven we onze kinderen en kleinkinderen voor hoe belangrijk de samenkomsten als gemeente met de Heer in ons midden zijn? Zien we bij ons nog steeds de juiste prioriteiten?

Het is ook mooi dat de korte boodschap van de aanwezige discipelen Thomas ertoe kon overhalen om de volgende zondag erbij te zijn. Betekenisvolle woorden – “Wij hebben de Heer gezien”! Kunnen wij dat ook zeggen tegen de afwezige broeders en zusters over onze samenkomsten? Staan wij allemaal onder de leiding van de Heilige Geest, die slechts één doel heeft, om de persoon van de Heer groot te maken? Dan zullen wij ook allemaal de Heer zien en daarover kunnen spreken.

Troas – Eutychus

De apostel Paulus was zeven dagen in Troas geweest tijdens zijn reis naar Jeruzalem (zie Hand. 19:21). Blijkbaar was hij daar op maandag aangekomen maar wilde de dood van de Heer samen met de plaatselijke broeders en zusters daar verkondigen (Hand. 20:7). Hij beoordeelde de toen al waargenomen praktijk van het breken van het brood op zondag als juist en gepast, en sloot zichzelf ondanks zijn haast daarbij aan.

Er kan worden aangenomen, dat de broeders en zusters in deze tijd niet konden samenkomen zoals wij het vandaag de dag doen op zondagochtend, maar pas in de avonduren. Na het gezamenlijk breken van het brood, sprak de apostel het Woord van God tot hen. Onder de broeders en zusters bevond zich iemand, die er wel bij was, maar blijkbaar zat hij meer aan de rand, in het venster. Misschien vermoeid van het werk van de dag was hij in slaap gevallen. Tot zover wijst dit verslag van de Geest van God nog op niets, wat deze Eutychus verweten zou kunnen worden. Wie van ons zou geen vermoeidheid hebben gevoeld bij lang stil zitten tijdens een samenkomst of een conferentie?

Maar we kunnen behartigenswaardige toepassingen op dit bericht voor ons maken. Eutychus zat daar bij het venster op de grens tussen binnen en buiten, tussen licht en donker, tussen warmte en kou. En grensgangers leven altijd in een bijzonder gevaar. We willen ervan leren, niet alleen uiterlijk, niet alleen met halve harten aan de samenkomsten deel te nemen, niet alleen voldoen aan een vorm of een plicht. Als ons hart niet betrokken blijft, is er een enorm gevaar dat de waarheid voor ons minder en minder zal betekenen en dat we uiteindelijk aan de verkeerde kant zullen geraken – weg van het gezegende Middelpunt, de persoon van onze Heer Jezus.

Eutychus viel – een van de broeders en zusters van deze plaatselijke gemeente in Troas kwam ten val; en terwijl hij daar lag, onderscheidde hij zich in niets van andere doden. Zover kan het geestelijk komen, zelfs met een gelovige, dat hij ten val komt en op geen enkele manier verschilt van de andere mensen die nog steeds in hun zondige toestand dood zijn voor God. De reactie van de overige broeders en zusters was misbaar (vs. 10).

Uit het gedrag van de apostel Paulus kunnen we waardevolle aanwijzingen verzamelen over hoe geestelijke broeders en zusters met dergelijke trieste en beschamende gebeurtenissen in een plaatselijke getuigenis moeten omgaan:

  • Paulus ging naar beneden: dat spreekt van vernedering en leed dragen. Aangezien de Korinthiërs dit niet hadden gedaan in het geval van openbare zonde in hun midden, moet Paulus hen duidelijk berispen (1 Kor. 5:2). Het is de juiste houding van de broeders en zusters van een plaatselijk getuigenis van de gemeente zich voor de Heer daaronder te buigen, dat een dergelijk geval in hun midden kon plaatsvinden;
  • Paulus wierp zich op hem: daarin komt onder andere tot uitdrukking, dat de overige broeders en zusters zich ervan bewust zijn dat ook zij tot dezelfde zonde in staat zijn – wanneer de genade van God hen niet bewaart (Ps. 73:2; Spr. 5:14);
  • Paulus sloeg zijn armen om hem heen: het is de uitdrukking van liefde ten opzichte van de gevallenen. Deze liefde is belangrijk wanneer we hen die struikelen willen helpen;
  • Paulus kalmeert de overige broeders en zusters: het is zeer waardevol voor een plaatselijk getuigenis wanneer er geestelijk gezinde broeders en zusters zijn die de onrust onder de broeders en zusters in een dergelijk geval kunnen opheffen, die ervoor zorgen dat op een evenwichtige manier over deze dingen gesproken wordt.

Wat een zegen voor een plaatselijk getuigenis wanneer Gods genade daadwerkelijk herstel bewerkstelligt – ze werden buitengewoon getroost (vs. 12)!

Patmos – Johannes

Bij deze gelegenheid wordt een heel speciale uitdrukking voor de zondag gebruikt: het is de dag van de Heer (Openb. 1:10[1]). In het Nieuwe Testament komt deze uitdrukkingsvorm alleen voor in verband met het breken van het brood, wanneer het in het avondmaal wordt genoemd in 1 Korinthiërs 11:29 is dat het avondmaal van de Heer.

De zondag is op een heel speciale manier de eerste dag van de week die de Heer toebehoort. Het is Zijn opstandingsdag en de opstanding is het bewijs van Zijn volledig volbrachte werk op Golgotha. Het is de dag waarop we ons meer dan elke andere dag van de week moeten afvragen, hoe we die volgens Zijn gedachten moeten doorbrengen. En het gaat niet alleen om het bijwonen van de bijeenkomst als een gemeente – de hele dag behoort op een bijzondere wijze aan Hem toe. Hoe dankbaar kunnen we zijn, dat deze dag in onze tijd en in ons land [2] zelfs nog enige bescherming van de overheid geniet en de meesten van ons niet hoeven te werken.

Het is dus niet in de eerste plaats een dag voor ons om uit te rusten. Richten we ons denken op de aanspraken van de Heer ook al in de loop van de week op deze dag? Sommige vermoeidheid op zondag zou vermeden kunnen worden, als we ons op zaterdag al realiseren dat de volgende dag de dag van de Heer is, die we op een heel bijzondere manier voor Hem beleven willen.

Johannes bevond zich aan het eind van zijn lange leven op het eiland Patmos, waarschijnlijk daarheen verbannen, zoals verschillende kerkvaders melden. Hij moet een man zijn geweest met zeer diepe geestelijke gevoelens. Hier op dit eiland, zoals vaak wordt verondersteld, schreef hij aan het eind van zijn leven onder de leiding van de Heilige Geest zijn evangelie, waarin hij de Heer Jezus als de Zoon van God voorstelt, evenzo ook de drie brieven en de Openbaring.

Hij heeft de eerste zondag in Johannes 20 meebeleeft, waarover we al nagedacht hebben. Hij was ook aanwezig op de Pinksterzondag in Jeruzalem, toen allen op één plaats waren samengekomen (Hand. 2:1), en de Heilige Geest als Goddelijk Persoon op elk van hen neerdaalde. Sinds deze zondag woont de Heilige Geest in elke ware gelovige en in de gemeente als geheel. Hij zal nog veel meer zondagen in gelukkige omgang met zijn broeders en zusters in Jeruzalem meegemaakt hebben, aangezien hij zelfs als steunpilaar van de gemeente daar werd beschouwd (Gal. 2:9).

Maar toen kwam er een periode in zijn leven waarin hij dit voorrecht niet langer kon uitoefenen. Blijkbaar was hij vanwege zijn trouwe getuigenis van zijn Heer verbannen naar het eiland Patmos (Openb. 1:9). En het is heel ontroerend hoe deze oude, trouwe man nu de zondag doorbrengt – hij is in de Geest op de dag van de Heer. Hoewel hij zich niet met zijn broeders en zusters om de Persoon van de Heer kon vergaderen, zo was hij er toch in de Geest. Zeker was hij in gedachten met degenen die dit voorrecht konden uitoefenen, zeker was hij in zijn gedachten met de wonderbare Persoon van zijn geliefde Heer bezig. En toch wordt met deze uitdrukking ook iets hogers uitgedrukt, een zekere mate van opgenomen zijn vergelijkbaar met die van Paulus in 2 Korinthe 12. De Heer moest hem volledig ontvankelijk maken voor de geweldige dingen, die hij nu te zien zou krijgen om deze als Openbaring op te schrijven.

We zullen deze ervaringen vandaag niet meer hebben. Maar vanuit de basishouding van Johannes willen we toch iets leren voor het geval we een samenkomst als gemeente niet zouden kunnen bijwonen. Soms kunnen het misschien verplichtingen van het werk zijn, die het ons onmogelijk maken, vaak onze taak bij jonge kinderen die de Heer ons toevertrouwd; en zeker heeft ieder van ons het vast al eens meegemaakt, dat hij door een ziekte wordt verhinderd, de samenkomsten als gemeente te bezoeken. Wat is onze innerlijke houding dan? We mogen onze beroepsmatige verplichtingen en verantwoordelijkheden in het gezin niet verwaarlozen, maar een zekere innerlijke toewijding aan onze Heer is zelfs in zo’n situatie mogelijk. Geeft het ons echt het gevoel dat er iets niet in orde is, als we op het gebruikelijke tijdstip van een samenkomst niet daar op onze stoel kunnen zitten? De redenen daarvoor kunnen geldig zijn, zelfs voor de Heer, maar ik ben er niet, daar, waar eigenlijk mijn plaats is – voelen we dat nog steeds? Dan staat het goed met onze waardering van de samenkomsten als gemeente!

Herinnering – waarschuwing – aansporing

We hebben hierboven al gezegd dat Johannes een heel oude man in deze scène geweest moet zijn, misschien wel 90 jaar oud. Als we in gedachten onze plaatselijke broeders en zusters eens nagaan, zijn het daar dan niet juist de oudste broeders en zusters, die in hun trouw aangaande het bezoeken van de samenkomsten het grootste voorbeeld zijn? Ik ben altijd onder de indruk als ik zie hoe ze – vaak met grote lichamelijke klachten – indien mogelijk geen enkel uur van samenkomst lichtvaardig verzuimen.

Laten we ons weer meer bewust worden van het feit, dat we de belofte van de persoonlijke tegenwoordigheid van de Heer in ons midden bij geen enkele andere gelegenheid hebben dan alleen, wanneer we samenkomen als gemeente. Om dit vandaag nog te kunnen ervaren, zou genoeg motivatie moeten zijn om niet lichtvaardig te verzuimen, wat de grootst mogelijke zegen betekent! En laten we er ook aan denken, hoe onze innerlijke en uiterlijke houding in deze zaak onvermijdelijk indrukken achterlaat bij onze jongere broeders en zusters – ten goede of ten kwade!

NOOT:
1. In het Gr. staat hier een bijv. naam. van ‘Heer’ afgeleid (dus anders dan bijv. in 1 Thess. 5:2)., in de zin van: ‘toebehorend aan de Heer’. Het woord komt verder alleen nog voor in 1 Kor. 11:20.
2. Bedoeld wordt hier Duitsland.

Achim Zöfelt, © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 26.11.2015.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW