1 week geleden

Drie kenmerken voor het volgen van Jezus


Mattheüs 11 vers 29-30; Lukas 9 vers 23; 2 Korinthe 12 vers 7

Inhoud
1. Het juk (Matth. 11:29-30);
2. Het kruis (Luk. 9:23);
3. De doorn (2 Kor. 12:7).

1. Het juk

Mattheüs 11:29-30: “Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht”.

De toespeling van onze Heer op een juk werd door zijn toehoorders goed begrepen. Dit houten kader, dat de ossen bij het werk met elkaar verbond, was voor hen allemaal bekend. De Schrift gebruikt ook het juk als symbool voor onderwerping, en ook voor de verplichting om de Mozaïsche wet te houden. In Mattheüs 11 wordt het juk in zijn breedste zin voor de dienst aan God bedoeld. Het juk bleef altijd een juk en behield zijn gewicht; de nek van de os had altijd de neiging om zich te onttrekken. Elke gelovige voelt dit ook in zijn leven van dienst aan God; hij voelt daarbij een bepaalde druk en voelt zich “gespannen”. Dit is in strijd met de verlangens van de natuur en wil zich daartegen verzetten. De dienaar of knecht is onderworpen aan de discipline van zijn Heer. Hoe kan de Heer dan zeggen: “Mijn juk is zacht”?

Het is zacht in vergelijking met de dienst van de zonde; want zonde is een wrede tiran en de grote vijand van onze zielen. In vergelijking met de zware last van de Mozaïsche wet, die volgens de woorden van Petrus op de conferentie van Jeruzalem een juk is, “dat noch onze vaderen noch wij in staat zijn geweest te dragen” (Hand. 15:10), is de dienst van Christus makkelijk. Het juk van Christus is ook daarom zacht, omdat wij het verlangen hebben om Hem te behagen. De ‘ik moet’ wordt door de liefde voor Hem overdekt. Het zware deel van het juk ligt op Zijn schouders; want Hij heeft de opdracht op Zich genomen om ons te begeleiden om ons in de dienst te doen slagen. In onze inspanningen om met de Heer te arbeiden, moeten we de nadruk op Zijn werken voor en in ons leggen. Als we van Hem leren en onszelf aan God onderwerpen, ervaren we dat Zijn juk echt zacht is en Zijn last werkelijk licht.

2. Het kruis

Lukas 9:23: Jezus nu echter sprak tot allen: “Als iemand achter Mij wil komen, laat hij zichzelf verloochenen, dagelijks zijn kruis opnemen en Mij volgen”.

Het kruis van onze Heer is uniek; Golgotha ​​staat alleen in zijn majestueuze grootsheid. Het is het verschrikkelijke maar toch het gezegende centrum van onze verlossing en de bron van al onze hoop voor tijd en eeuwigheid. Maar de Christen heeft ook een kruis. Daarmee wordt niet het algemene lijden bedoeld, dat het deel van alle mensen is. Het kruis van de Christen is een soort weerspiegeling van het kruis van Christus in zijn leven en kenmerkt allen, die de Gekruisigde volgen. Het kruis betekent voor de gelovige, dat de zonde en het ik gestorven zijn. Wie het kruis op zichzelf heeft toegepast, verloochent zijn eigen leven (Luk. 9:23). En wie voor de wereld als een kruisdrager verschijnt, heeft daar niets meer om te zoeken (Gal. 6:14). Op hem, die zich aan de kant van zijn door de wereld verworpen Heer stelt, is er iets van de schande van het kruis van Christus. In landen waar de invloed van het christendom zwak is, brengt het kruis hem misschien vervolging en lijden. Voor de eerste Christenen was het kruis geen stuk juweel, dat om de nek hangt of een ornament op het dak van een kerk. Voor hen was het de belichaming van het christelijk leven, het symbool van hun geloof, van de liefde van God en de overwinning over dood, zonde en hel, die door de Overste van hun redding behaald werd. Het kruis van de Christen is niet alleen een symbool, maar een realiteit van het dagelijks leven. Op sommige momenten voelt hij hoe de nagels zich door zijn verlangens, zijn verwachtingen en zijn wil boren; hij kan er niet aan ontkomen. Het kruis betekent voor de Christen: ten koste van het mindere voor het hogere leven, ten koste van het heden voor het toekomstige, ten koste van het natuurlijke voor het geestelijke en – hoe weinig weten we ervan! – ten koste van het ‘ik’ voor de Heer.

3. De doorn

2 Korinthe 12:7: “En opdat ik mij door de uitnemendheid van de openbaringen niet verhef, is mij een doorn voor het vlees gegeven, een engel van satan, om mij met vuisten te slaan, <opdat ik mij niet verhef>“.

Hoewel aan de apostel Paulus in buitengewone omstandigheden een doorn voor het vlees werd gegeven, zo moet toch ook menig kind van God zo’n doorn verdragen. Hij mag zijn plaats in het lichaam, in de geest of zelfs in de omstandigheden hebben. Hij is altijd scherp en uitdagend. Hij is gewond en verwond. Het is een permanente plaag en ergernis. De doorn is ons gegeven om ons in een nederige, afhankelijke en geestelijke houding te bewaren. Want onze harten hebben de neiging om trots te zijn; en men zou geestelijke hoogmoed, waartoe een Christen in staat is, als ‘het ergste van alle kwaden’ kunnen noemen. We moeten er voortdurend aan herinnerd worden, dat we voortdurend van de Heer afhankelijk moeten zijn om elke dag en elk uur genade te ontvangen. Wat zullen we met de doorn doen? We zullen nooit een ‘splinter’ in onze handen achterlaten! Paulus bad ‘hiervoor’ tot de Heer; en dat mogen wij ook doen. Maar wat als de doorn niet van ons wordt weggenomen? Wat niet te veranderen is, moet zonder morren verdragen worden. De Heer kan ons genade geven om op Hem te zien, ook als de wind ons in het gezicht en in de ogen blaast. Hij is machtig om ontevredenheid en rusteloosheid uit onze geest te verbannen en de doorn zelfs tot een aanleiding van zegen voor ons en anderen te maken. Het hart dat zich buigt, zal niet breken. De beste manier om een beproeving te verdragen is om er voordeel uit te halen. Moge het ons gebed en ons streven zijn om ons aan het juk, aan het kruis en aan de doorn te onderwerpen, zodat we boven eens zullen weten, hoe zij de bedoelingen van God gediend hebben.

© E. A., online sinds: 29.01.2010
Uit: ‘Halte fest’, jaargang 1959, bladz. 193 v.v.
Laatste actualisering: 26.07.2017

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol