14 jaar geleden

Drie belangrijke vragen

Voor velen van ons is reizen “het einde”. Daar hebben we alles voor over en we bereiden ons soms al maanden tevoren voor op onze reizen. Velen spenderen grote sommen geld aan de reis van hun dromen. Een sabbath-jaar houden is erg populair. Maar omdat wij allen op de een of andere manier op reis zijn, kan het aan het begin van dit nieuwe jaar inspirerend “fris” zijn, stil te staan bij een reis die we allemaal maken.

Laten we onszelf daarom eens de volgende vragen te stellen: Waar kom ik vandaan? Waar ga ik heen? Wat is de juiste weg?

Frisse Wateren – rm

Het gaat hier nu niet om onze vakantiereis, onze zakenreis, onze reis naar school, de reis naar ons werk of om ons “dagje uit” om boodschappen te doen. Nee, het gaat om onze levensreis. Ieder mens bevindt zich op de levensreis. Hij komt ergens vandaan en gaat ergens heen. De vragen die nu op ons afkomen zijn: “Vanwaar komen wij en waarheen gaan wij?” Dit zijn geen nieuwe vragen maar oeroud. Al ongeveer 4000 jaar geleden stelde God een vrouw, Hagar geheten, deze beide vragen. In Genesis 16:7-8 kun je dit lezen: “En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op de weg van Sur. En Hij zeide: Hagar, gij dienstmaagd van Sarai! vanwaar komt gij, en waar zult gij heengaan?” Met de beantwoording van deze vragen willen we ons nu bezighouden.

Waar kom je vandaan?

De vraag van het “vanwaar” van de mens heeft al vele mensen beziggehouden. Ieder mens die een beetje over zijn bestaan nadenkt, zal op een of andere manier op deze principiële vraag stuiten en daarover nadenken. Wetenschappers en filosofen bieden ons hierover van oudsher een scala van antwoorden aan. Het is nu niet mijn bedoeling deze antwoorden wat dichter bij te brengen en te onderzoeken. Maar een ding is duidelijk: Alle antwoorden die een mens onder inzet van zijn denkvermogen op deze vragen geeft, berusten op pure speculatie. Ze kunnen slechts veronderstellingen zijn. Want niemand van ons is daarbij geweest toen de eerste mens geschapen werd. En omdat er geen tijdmachine bestaat, die ons in het verleden terug zou kunnen brengen, zijn wij mensen niet in staat definitieve en controleerbare antwoorden op deze toch zo belangrijke vragen te geven.

Op de vraag naar het “vanwaar” van de mens kan alleen God ons antwoord geven. En hij laat ons ook niet in het donker staan. De Bijbel toont ons klaar en duidelijk, vanwaar wij komen. Ongeveer 2000 jaar nadat God aan Hagar vroeg: “vanwaar komt gij?”, staat de apostel Paulus op de Areopagus te Athene. Zijn toehoorders verstonden iets van filosofie, want het Athene van de oudheid was het centrum van verschillende filosofische scholen. Toch was de boodschap van Paulus voor hen volledig nieuw. Zoiets hadden zij nog nooit gehoord. Paulus laat in enkele woorden zien in welke verhouding wij als mensen tot de ene en waarachtige God staan. Hij gaat ook op de vraag in waar wij mensen onze oorsprong hebben (lees Handelingen 17:22-31). Hij zegt bijvoorbeeld: “De God die de wereld heeft gemaakt en alles wat daarin is … daar Hijzelf aan allen leven en adem en alles geeft. En Hij heeft uit een bloed het hele mensengeslacht gemaakt om op het hele aardoppervlak te wonen …, opdat zij God zouden zoeken, of zij misschien naar Hem mochten tasten en Hem vinden, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, zoals ook enigen van de dichters onder u hebben gezegd: Want wij zijn ook Zijn geslacht” (Handelingen 17:24-28).

De mens is uit de hand van God voortgekomen. “En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze” (Genesis 1:27). Dat is het duidelijke getuigenis van de Bijbel – geen speculatie, geen theorie, maar Gods Woord en Gods waarheid.

Maar niet alleen het eerste mensenpaar kwam voort uit de hand van God. Ieder mens, ook jij en ik, zijn het resultaat van het handelen van God. Misschien denk je dat je bestaat omdat je ouders het zo gewild hebben. Gezien vanuit menselijk en biologisch standpunt is dat natuurlijk ook zo. Maar hoeveel de moderne wetenschap ook op het gebied van de voortplantingsleer onderzocht en ontdekt heeft, zo kan ons toch tot op de dag van vandaag geen mens zeggen hoe het leven eigenlijk ontstaat. Dat blijft een geheim, omdat God het is die leven geeft.God is het dus die leven schept, en daarom is ons leven ook op God aangewezen. De wijze prediker Salomo zegt: “Ook heeft Hij [God] de eeuw in hun [van de mensen] hart gelegd” (Prediker 3:11). En daarbij zijn we bij de tweede belangrijke vraag.

Waar ga je heen?

“Met de dood is alles uit” – hoe vaak hebben wij deze bewering al gehoord. Graag zou ik wel eens willen weten wat de mensen, die zoiets zeggen, werkelijk denken. Wie eerlijk tegen zichzelf is, die moet eigenlijk in zijn hart ervan overtuigd zijn, dat met de dood juist niet alles uit is. “Ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd …” (Prediker 3:11). Er is een leven na de dood. Al menig atheïst heeft op zijn sterfbed daarvan gesproken en angst gehad voor dat wat er dan komen zal.

Wie de Bijbel leest, weet meer. Voor de bijbellezer is het geen vraag of er leven na de dood is. Het is een zekerheid. Het bestaan van de mens heeft weliswaar een begin, maar geen einde. Het leven op deze aarde gaat natuurlijk ten einde, maar wat komt daarna? God zegt: “… het de mensen beschikt is eenmaal te sterven en daarna …” (Hebreeën 9:27). Er is een “daarna”. De vraag is echter hoe het er uitziet.

God toont ons twee doelen, waarop wij mensen zouden kunnen aansturen. Van geboorte af zijn wij allen op de weg van de dood. God zegt: “Want allen hebben gezondigd en komen te kort aan de heerlijkheid van God” (Romeinen 3:23). Wie echter de Heer Jezus in het geloof als zijn Heiland aanneemt, die kent een ander doel. Hij is op de weg naar de eeuwige heerlijkheid. In Romeinen 6:21,22 worden deze beide mogelijke eindpunten voorgesteld. In vers 20 lezen we over mensen onder de macht van satan. Van hen staat er: “Immers het einde daarvan is de dood”. Bedoeld wordt de eeuwige dood, het eeuwig verderf. In vers 22 wordt gesproken over hen die hun leven aan God hebben overgegeven. Van hen wordt gezegd: “… en het einde het eeuwige leven”. Maar dan lezen we het bekende vers die dat zo mooi samenvat: “Want het loon van de zonde is de dood; maar de genadegave van God is het eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer” (vers 23). Hier zijn de beide einddoelen, eeuwige dood en eeuwig leven. God stelt ons beide mogelijkheden voor. De keus is aan ons. Wij moeten beslissen, op welk doel wij willen aansturen. God biedt jou en mij in de Heer Jezus genade en redding aan.

De meeste bijbellezers kennen de geschiedenis van de rijke man en de arme Lazarus (lees Lukas 16:19-31). De geschiedenis toont ons de beide einddoelen duidelijk. De rijke man was na de dood in pijn en kwellingen. Lazarus daarentegen was in het paradijs, waar hij getroost werd. En ook maakt deze geschiedenis ons het volgende duidelijk: In vergelijking met de oneindigheid van de eeuwigheid is dit leven heel kort. Wat werkelijke waarde heeft, ligt aan gene zijde van dit leven. “Want wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar zijn ziel erbij inboet?” (Mattheüs 16:26). Zo vroeg de Heer Jezus eens aan Zijn discipelen, en deze vraag geldt ook voor ons.

De Bijbel toont ons dus, vanwaar wij komen en waar wij heengaan. Beide vragen van God moeten we niet uit de weg gaan. Maar nu komt een derde belangrijke vraag naar voren, en deze vraag stelt niet God, maar deze vraag moesten wij stellen opdat wij ook het juiste doel bereiken.

Wat is de juiste weg?

Stel je voor, je maakt een reis met de auto in een omgeving waar je nog nooit bent geweest. De weg erheen is je onbekend. Daarom zul je je zeker voor je met de reis begint, zorgen voor een goede routekaart, opdat je de juiste weg vindt.

Een ander voorbeeld: Je wilt met de trein van Berlijn naar Leipzig reizen. Zou je dan een reiskaart naar Hamburg kopen? Zeer zeker niet. Om naar Leipzig te komen heb je ook een reiskaart naar Leipzig nodig.

Niet anders is het met de weg, die ons naar het doel van onze levensreis brengt. Wij moeten ten eerste deze weg kennen, en ten tweede moeten we ook de juist “reiskaart” hebben. Het is nauwelijks te geloven, en toch zijn er veel mensen die hun reizen op aarde zorgvuldig plannen maar met het oog op hun levensreis zich geheel niet oriënteren. Anderen hebben zich “reiskaarten aangeschaft” die helemaal geen waarde hebben. Er zijn mensen die geloven dat ze in de hemel komen omdat zij goed zijn en zo veel goede werken doen. Andere mensen menen dat God hen wel zal aannemen omdat ze gedoopt zijn, af en toe een godsdienstoefening bijwonen en hun kerkbelasting punctueel betalen. Weer anderen wijzen erop dat hun ouders immers goede christenen waren, en menen dat zij op een of andere wijze in de erfenis zouden moeten delen. Maar dat alles brengt niemand op de weg naar de hemel. Je kunt iedere dag in je Bijbel lezen, kunt de samenkomsten van de gelovigen regelmatig bezoeken, kunt gelovige ouders hebben – wanneer je niet de Heer Jezus toebehoort heeft dit alles geen enkele nut.

De Heer Jezus zegt: “Ik ben de weg en de waarheid en het leven” (Johannes 14:6). Wij hebben de Heer Jezus nodig als ons leven. Wie Hem zijn zonden vertelt en Hem in het geloof in het hart aanneemt, die is op de juiste weg. De “reiskaart” naar de hemel kunnen we niet ergens kopen. Die is ten eerste alleen bij de Heer Jezus, en ten tweede is ze geheel kosteloos. Kosteloos daarom, omdat wij haar helemaal niet betalen konden. De kostprijs is zo hoog dat geen mens die kan opbrengen. Het heerlijke is echter dat wij die ook helemaal niet betalen moeten, want de Heer Jezus Zelf heeft betaald. Op het kruis van Golgotha vloeide Zijn bloed, daar gaf Hij Zijn leven. De gelovigen zijn door het kostbare bloed van de Heer Jezus verlost (1 Petrus 1:18), en Paulus zegt: “Want u bent voor een prijs gekocht” (1 Korinthe 6:20). Omdat de Heer Jezus heeft betaald, biedt God ons het heil, de weg ten eeuwigen leven, aan: “En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, het levenswater nemen om niet” (Openbaring 22:17). Dat is de weg die wij zouden kunnen gaan, als wij willen. Wil jij? Ben je deze weg al gegaan?

Horen wij tot slot nog deze woorden van de Heer Jezus Zelf: “Gaat in door de nauwe poort; want wijd is de poort en breed is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor naar binnen gaan; hoe nauw is de poort en smal de weg die naar het leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden” (Mattheüs 7:13-14). Ik wens alle lezers dat zij deze weg vinden en dan weten, waarheen de levensreis gaat.

Ernst-August Bremischer, © Folge mir nach

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW