5 jaar geleden

De Zevende – Dag – Adventisten (3)

Inhoud
Inleiding
Historische achtergrond
Zijn de ZDA een sekte?
Enkele leringen van de ZDA

a) De boodschapper van God Ellen G. White (1827-1915)
b) Valse leer met betrekking tot de wet
c) Grote nadruk op de leer van de sabbat
d) Christelijke levensstijl
e) De onsterfelijkheid van de ziel
f) Andere valse leringen met verstrekkende gevolgen
g) De Tweede Komst van Christus
h) Duizendjarige Rijk

Tot slot een algemene opmerking

Noot van de redactie*

Enkele leringen van de ZDA (vervolg)

C) NADRUK OP DE LEER VAN DE SABBAT

Ook op dit punt zullen we niet in detail ingaan, omdat we vrij uitvoerig op deze kwestie elders zijn ingegaan. Hier is de link naar de relevante artikelen:

http://www.soundwords.de/stichwortsuche.asp stichwortid = 282

Op deze plaats willen wij u voor zelfonderzoek een aantal vragen stellen:

  • Waarom heeft blijkbaar de sabbat bij de eerste christenen geen rol gespeeld?
  • Waarom heeft Paulus op de sabbat in de synagogen wel het Evangelie verkondigd (Hand. 17:2), maar wachtte tot de “eerste dag van de week” om met de broeders in het geloof brood te breken en het Woord te verkondigen (Hand. 20)?
  • Waarom heeft de apostel Paulus de Korinthiërs aangespoord op de eerste dag van de week een collecte te houden (1 Kor. 16:2)?
  • Waarom schijnt de Heer Jezus zo weinig waarde aan de sabbat te hechten? (Hij was onvermoeibaar werkzaam op de sabbat – maar we geloven toch dat de Heer nooit de sabbat in de meest ware zin van het woord heeft gebroken! Volgens Romeinen 7 heeft de wet gezag over iemand zo lang de dood intreedt. Christus’ dood was het einde van de wet, daarom werd ook eens gezegd: “Want het einddoel van de wet is Christus, tot gerechtigheid voor ieder die gelooft” (Rom. 10:4).
  • Waarom schrijft Paulus over de mogelijkheid om “alle dagen gelijk” te houden (Rom. 14:5)? Als de sabbat werkelijk nog een betekenis zou hebben, zou dat dan niet erg onachtzaam geweest zijn?
  • Waarom heeft Paulus op de vergadering in Jeruzalem de volkeren ook niet het sabbatgebod opgelegd? Tenslotte kenden de volkeren niets van zo’n gebod (Hand. 15), en er waren daar farizeeërs die leerden dat men de wet moest houden (Hand. 15:5).
  • Waarom kwam de Heer na Zijn opstanding op de avond van de eerste dag van de week bij de discipelen en stond in hun midden en kwam na acht dagen weer op de eerste dag van de week in hun midden (Joh. 20:19,26)? (Dit probleem blijft ook bestaan wanneer men ervan uitgaat dat de eerste dag van de week volgens de joodse tijdrekening al op zaterdagavond 18.00 uur [onze tijdrekening] begint – zie de verbinding tussen Johannes 20 vers 1 en 20 vers 19!)

Het probleem bij de ZDA is, dat van het sabbatgebod een bijzondere leer gemaakt wordt, die zo’n betekenis heeft, dat zij al in de naam haar weerklank vindt. Het is in de christenheid altijd schadelijk geweest, wanneer men een leer boven andere bijzonder verheft (of dat nu de doop is, de tafel van de Heer of de sabbat).

Ook in Rome waren er gelovig geworden joden, die zich zeker niet zonder meer van het sabbatsgebod konden losmaken, maar er waren evenzo ook gelovig geworden heidenen, die met het sabbatsgebod niet veel konden beginnen. En zo geeft Paulus een wijze raad:

Romeinen 14 vers 5-6: “De een stelt de ene dag boven de andere dag, maar de ander stelt alle dagen gelijk. Een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. Wie de dag in acht neemt, neemt hem in acht voor de Heer” {Voorhoeve Vertaling 4e druk}.

Als we ook van niemand zouden verlangen de sabbat volgens het 4e gebod te houden, zo zouden we ook niemand verachten die zichzelf een rustdag in de week gunt, zij het dat hij van harte de sabbat houden wil. Maar wie verder gaat en de gelovigen oplegt om de sabbat te houden, gaat duidelijk verder dan het woord van God en moet zich beschuldiging laten welgevallen, dat hij geen zuiver evangelie verkondigt (zie Gal. 1:,8,9; 3:10). Merk ook op dat Paulus in Romeinen 14 van de “zwakken” spreekt, die menen bepaalde dagen nog volgens de wet te moeten houden. Hij zegt ook in Galaten 4:10: “U onderhoudt dagen en maanden, tijden en jaren. Ik vrees voor u, dat ik misschien tevergeefs aan u gearbeid heb”.

Hoewel Paulus “volgens zijn gewoonte” (Hand. 17:2) op de sabbat in de synagoge ging – wanneer zou hij ook anders beter zijn Joodse landgenoten het Evangelie kunnen verkondigen –, zo was hij toch volledig vrij van het houden van het sabbatsgebod. De Heer gaf de discipelen de opdracht, beginnend vanuit Jeruzalem het evangelie te verkondigen. Het was daartoe noodzakelijk om de Joden daar te bereiken, waar ze te vinden waren, en dat was juist in de synagoge. Sommige bijbelvertalingen lijken het idee te ondersteunen dat de discipelen er eigenlijk een “godsdienst” gevierd hadden, maar dat is helemaal mis en toont het gevaar van een zogenaamde “moderne” vertaling van de Bijbel. Ze hebben daar het evangelie gepredikt (zie Hand. 17:2-3).

Sektarisme is een slechte zaak. Paulus schrijft aan Titus dat hij weg moet blijven van sektarische mensen. Dat waren mensen die met een speciale leer dreigden de heiligen te verdelen (Titus 3:10-11).

D) CHRISTELIJKE LEVENSSTIJL

In geloofspunt punt 21 staat:

Samen met voldoende beweging en rust, willen wij ons zo gezond mogelijk voeden en ons onthouden van voedingsmiddelen die in de Schrift als onrein worden genoemd.

Er worden spijzen verboden, die in het Oude Testament als onrein worden genoemd (bijv. varkensvlees). Petrus moest in Handelingen 10 iets anders leren; dat wordt ook in Handelingen 15 nog eens duidelijk benadrukt (vs. 20). En 1 Timotheüs 4 vers 1-3 heeft een zeer scherp oordeel voor mensen die:

1 Timotheüs 4:3,5: “… gebieden zich van voedsel te onthouden, dat God geschapen heeft om met dankzegging te worden genuttigd door hen die geloven en de waarheid kennen. Want al het door God geschapene is goed en niets is verwerpelijk als het met dankzegging wordt genomen, want het wordt geheiligd door het Woord van God en door gebed”. {Telos-vertaling}

E) VERKEERDE LEER MET BETREKKING TOT DE ONSTERFELIJKHEID VAN DE ZIEL

De ZDA leert dat de menselijke ziel niet onsterfelijk is, en dat de eeuwige straf van de hel, waarvan de Bijbel spreekt, niet werkelijk eeuwig duurt.

Ook wanneer we op de kwestie van de eeuwige verdoemenis, die volgens de Adventisten niet echt eeuwig duurt, op deze plaats niet in detail kunnen treden, dan willen we toch kort proberen om de draagwijdte van deze valse leringen aan te tonen en willen we de belangrijkste argumenten tegen deze leer noemen.

Er wordt betoogd dat een eeuwige verdoemenis of ook de onsterfelijkheid van alle mensen in tegenspraak met Gods natuur staan, welke liefde is. Het zou zelfs God als een leugenaar voorstellen, omdat God Zelf in Genesis 2 vers 7 zegt: “Maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven” {HSV}. Men argumenteert dat eeuwig leven alleen mogelijk is door de Heer Jezus. Bovendien, zo wordt gezegd van God in 1 Timotheüs 6 vers 14-16, dat Hij alleen onsterfelijkheid heeft. Verder betekent het woord “eeuwig” niet altijd “eeuwig”, maar zou ook zo begrepen kunnen worden, dat het woord “eeuwig” een begrenzing heeft.

Kan men uit de bovengenoemde bijbelverzen nu werkelijk de conclusie trekken dat er geen “eeuwige verdoemenis” is, en alleen de gelovige onsterfelijkheid ontvangen zal, zoals 1 Korinthe 15:51-53 zegt?

1 Korinthe 15 vers 51-53: “Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt, en wij zullen veranderd worden. Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoen”. {Telos-vertaling}

Wat betekent dit vers nu? De apostel Paulus merkt in vers 51 op, dat wij weliswaar niet ontslapen, maar allen veranderd worden. Dit betekent dat de verandering bij de doden daardoor gekenmerkt wordt, dat zij onvergankelijkheid zullen aandoen. De verandering bij de – ten tijde van de komst van de Heer – levenden, betekent dat zij onsterfelijkheid zullen aandoen (ze zullen zeker niet sterven, zoals zoveel gelovigen voor hen!). Dat betekent dat ze niet meer een natuurlijke dood moeten sterven, maar door deze verandering direct naar de Heer zullen gaan. De mensen zonder God zullen op dat moment nog steeds sterven, zoals in Genesis 2 vers 17 is beschreven. Maar ook zij zullen opgewekt worden, en wel op de “dag van het oordeel” (Openb. 20:11-15). Zo maken we, door het argument van Genesis 2 vers 17 aan te halen, God niet tot een leugenaar. Elke ongelovige zal eenmaal moeten sterven. En iedereen die zonder Christus de eeuwigheid in gaat (Openb. 20:11,12) zal op de dag van het oordeel worden opgewekt om zich voor de grote witte troon te verantwoorden. Daarvoor lees je nog, dat de valse profeet en de duivel al in de poel van vuur en zwavel gepijnigd worden van “eeuwigheid tot eeuwigheid” (Openb. 20:10). Daarna volgt de zitting voor de grote witte troon (Openb. 20,11,12), die daarmee eindigt dat ook de ongelovigen in de poel van vuur geworpen worden. Daar zal hen dan hetzelfde oordeel wachten als de duivel en de valse profeten.

Eigenlijk was de poel van vuur alleen voor de duivel en zijn engelen gereserveerd, want er staat in Mattheüs 25 vers 41: “Dan zal Hij ook zeggen tot hen aan zijn linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen bereid is” {Voorhoeve Vertaling 4e druk}. God wilde ieder mens redden, Hij had alles daarvoor gedaan, iedereen had kunnen komen. Maar – wat een ernst voor iedereen die nog niet tot Christus gekomen is – niet iedereen kwam. Velen zal het op die dag zo vergaan, die het geweldige aanbod van God niet aannamen en de liefde van God niet beantwoordden. Zeker kun je dit “zijn” in de poel van vuur – in het eeuwig verlaten zijn van God – niet vergelijken met het “eeuwige leven”, dat alleen Christus geven kan. Maar het “eeuwig leven” is niet eerst kwantitatief bedoeld, maar kwalitatief. Het leven in het eeuwig verlaten zijn van God is meer een “eeuwig bestaan”, dan “eeuwig leven”. Christus is het eeuwige leven volgens de eerste 1 Johannes 5 vers 20, en dat toont de kwaliteit van dit leven aan.

Daarnaast spreken de volgende bijbelpassages over de eeuwige verdoemenis:

Markus 9 vers 47-48:
“En als uw oog u doet struikelen, werp het dan uit; het is beter voor u met één oog het Koninkrijk van God in te gaan dan met twee ogen in het helse vuur geworpen te worden, waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt”. {HSV}

Mattheüs 18 vers 8:
“Als dan uw hand of uw voet u doet struikelen, hak hem af en werp hem van u. Het is beter voor u kreupel of verminkt tot het leven in te gaan, dan met twee handen of twee voeten in het eeuwige vuur geworpen te worden”. {HSV}

Mattheüs 25 vers 41:
“Dan zal Hij ook zeggen tot hen aan zijn linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen bereid is”. {Voorhoeve Vertaling 4e druk}

Hoe men Markus 9 vers 48 met de leer van de beperkte straf van de hel in overeenstemming brengen wil, blijft raadselachtig.

Bij Mattheüs 18 vers 8 en Mattheüs 25 vers 41 wordt betoogd, dat het woord “eeuwig” niet echt “eeuwig” betekent, maar een beperking aangeeft. Nu, als het gaat om de Bijbelse passages waarin van eeuwig leven sprake is, zou men graag willen aannemen dat het ook werkelijk “eeuwig” betekent – waarom maakt men dan bij het woord “eeuwig” met betrekking tot de eeuwige straf van de hel een uitzondering? Is dat niet erg willekeurig, en komt dat niet eerder overeen met onze menselijke gevoelens dan met de goddelijke oorsprong? Gods natuur is niet alleen liefde, maar ook licht. Net zoals het eeuwige leven  met de grote liefde van God overeen komt, zo staat de eeuwige scheiding van God tegenover Zijn natuur als licht, want licht is de heiligheid van God. Overigens dient nog op Mattheüs 25 vers 46 gewezen te worden: “En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn {of straf}, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven” – In een enkele zin kan het woord “eeuwig” niet eerst “beperkt” en daarna “onbeperkt” betekenen, dat zou volledig met elkaar in strijd zijn.

Over het bijbelvers uit 1 Timotheüs 6 vers 14-16:

1 Timotheüs 6:16:
“… Hij, die alleen onsterfelijkheid heeft, die een ontoegankelijk licht bewoont, die geen mens gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen”. {Voorhoeve Vertaling 4e druk}

Deze passage toont aan dat God enkel en alleen onsterfelijkheid in Zichzelf heeft. Dit betekent ook dat de Heer Jezus niet had moeten sterven toen Hij op deze aarde was, omdat Hij geen zonde deed, geen zonde kende en dat zonde ook niet in Hem was. Hij zei in Johannes 10:18: “Niemand neemt het van Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af; Ik heb macht het af te leggen en heb macht het weer te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen”.

Ieder mens moet de natuurlijke dood sterven, tenzij hij bij de wederkomst van Christus met onsterfelijkheid bekleed wordt, omdat hij als in Christus bevonden wordt. Sterven betekent onder meer de scheiding van ziel, geest en lichaam, maar heeft met het eeuwig bestaan van de ziel niets te maken en ook niet daarmee, dat de doden eens zullen worden opgewekt om voor de grote witte troon te verschijnen en vervolgens het oordeel van de eeuwige straf in de hel ontvangen.

Zie hiervoor ook het artikel: ‘Is de eeuwige verdoemenis eeuwig?’ en ‘de eeuwige verdoemenis’.

Wordt D.V. vervolgd.

© www.soundwords.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol