5 maanden geleden

De wereld

De wereld als woonoord van de mensen wordt in de Schrift op drie manieren gezien:

  1. Als het domein van Adam in onschuld, ingebracht door God (Gen. 1:28);
  2. als het domein van Satan en de verdorvenheid, door onwettig in bezit name (Luk. 4:5,6);
  3. als het domein van Christus in gerechtigheid, door redding en overwinning (Ps. 2:8; 72:8).

Zoals we weten duurde de eerste toestand slechts een korte tijd. Adam viel en verloor alles. De derde zal bij de regering van de Messias de macht ontvangen. Maar de tweede bestaat nog steeds en is een blijvend element van gevaar. De jongste gelovige wordt opgeroepen om dit gevaar te herkennen en de oudste gelovige moet zich daarvan bewust blijven. Maar Gods bedoelingen zullen bereikt worden.

Bij de verzoeking van Jezus beroemde de duivel zich erop dat alle koninkrijken van de wereld tot zijn beschikking stonden (Matth. 4:8,9). Daarom wordt materiële rijkdom in Lukas 16 vers 9 de “onrechtvaardige Mammon” genoemd en spreekt de Heer Jezus driemaal over satan als de “overste van deze wereld” (Joh. 12:31; 14:30; 16:11).

In dit opzicht wordt de wereld gezien als een enorme organisatie tegenover God en degenen die uit Hem zijn geboren. De regering van deze wereld is onzichtbaar, maar wordt uitgevoerd door de meester van de misleiding met een alomvattende toewijding. De tijdgeest van deze wereld (Ef. 2:2) is een overeenkomstige invloed uitgeoefend door zijn overste, door de geest, die nu werkzaam is in de zonen van de ongehoorzaamheid. Haar karakter wordt gekenmerkt door vastberaden vijandigheid jegens Christus. Toen Hij in de wereld kwam, vond Hij haat voor de liefde die Hij bood; Hij werd uit zijn erfenis geworpen en gekruisigd tussen twee rovers.

Wat is de positie van de gelovigen in de wereld? Ze nemen in haar de plaats van getuigen en wachtenden in. Ze getuigen hoe de Heer Jezus het deed (Zijn werk volbracht heeft), van de zegen die met het aannemen en doen van de wil van God verbonden is, temidden van de mensen die hun eigen wil doen. Ze wachten op Zijn terugkeer, wanneer Hij de teugels van de heerschappij zal grijpen om de wil van God in kracht uit te voeren. Dan zal Hij de valse heerser uitwerpen en de koers en het karakter van de wereld volledig veranderen. Hemel en aarde zullen dan volkomen overeenstemmen, dat de heilige wil van God en het ware geluk van de mens door de band van die ene kostbare Naam, de Naam van Jezus, die tot Heer en Christus gemaakt is, verbonden zijn.

In de tussentijd moeten we waakzaam zijn over de bedoelingen en methoden van de tegenwoordige overste van de wereld. Vanaf het begin was het zijn bedoeling om God te lasteren en de mensen te verderven. Dat zal zo blijven tot het einde. Zijn resultaat ligt in het misleiden. Zie 1 Timotheüs 2 vers 14; Openbaring 20 vers 10.

Zijn methoden veranderen. Hij verblindt de gedachten van de ongelovigen (2 Kor. 4:4). Hij verleidt de gelovige waar hij maar kan (2 Kor. 11:3) en slaat hem als hij hem niet kan misleiden (2 Kor. 12:7). Wanneer de apostel Petrus over hem spreekt, zegt hij: “Weest nuchter, waakt”. En voorwaar, er is reden genoeg om waakzaam te zijn, rekening houdend met het doel van de duivel om ons te verslinden (1 Petr. 5:7-8). Hij wil niet alleen onze vreugde bederven en onze dienst verlammen; hij zou ons zelfs, als hij kon, geheel vernietigen. Hij doet alsof hij onze belijdenis louter als een soort komedie beschouwt, en dat hij op de lange duur het ook zou kunnen bewijzen. God zij geprezen! Als de dief ons ook probeert, zoals de goede Herder zegt, uit Zijn hand en uit de hand van Zijn Vader te rukken, dan hebben we de Goddelijke verzekering dat niemand het kan doen. De raadbesluiten van eeuwige liefde kunnen onmogelijk door de vijand van God worden vernietigd! (Zie Joh. 10:27-30; 17:12).

Satan heeft reeds fouten gemaakt tot zijn eigen ondergang, en hij zal dit tot het einde toe doen. Hij kan niet in de harten van mensen lezen. “U alleen” – zegt Salomo in zijn gebed tot God “kent immers het hart van alle mensenkinderen” (1 Kon. 8:39). Satan heeft geen geestelijk onderscheidingsvermogen en kan noch de bedoelingen van God noch de geestelijke oefeningen van Zijn heiligen begrijpen; maar hij kan zijn eigen oordeel vormen op basis van de handelingen van de mensen en hen grote schade toebrengen. In Mattheüs 4 wordt hij de “verzoeker” genoemd, en er bestaat geen twijfel over ​​dat hij, met het oog op een of andere manier de eigenwilligen te kunnen verleiden, de natuurlijke neigingen en zwakheden van iedere gelovige op aarde net zo zorgvuldig bestudeert, zoals hij eens met Job en zijn omstandigheden gedaan heeft. Als hij ziet dat een gelovige op het ogenblik tegen de verleidingen van de lust van het vlees standvastig is, zal hij proberen om hem te verstrikken in iets, dat hem leidt tot de hoogmoed van het leven, misschien zelfs tot religieuze zelf-bewondering. (zie 1 Joh. 2:16).

Hoe heilzaam is het om te onthouden dat noch een speciale gave, noch succes in de bediening, noch kennis van de Bijbel, noch ervaringen van de ouderdom, of dit alles samen voor de doeleinden van satan ook maar enigszins een obstakel is. In dit alles kan de zelfzucht binnensluipen, en hoe meer deze ingang heeft, des te gemakkelijker de vijand een open deur vindt. Hij kan de toegang niet met geweld openen, maar waar hij ook maar kan verleiden en verlokken tot de verborgen werking van de eigen wil, zal hij toegang krijgen. En als de eigen wil de deur voor hem opent, dan houdt het zelfvertrouwen het open.

Aan de andere kant kunnen we met onwankelbaar vertrouwen vasthouden, dat daar, waar gewillige gehoorzaamheid en bewuste afhankelijkheid van de Heer is, de vijand absoluut niets kan doen. Gehoorzaamheid sluit met succes de deur voor hem en afhankelijkheid houdt haar gesloten.

Volmaakte gehoorzaamheid zou kunnen zeggen: “De overste van de wereld komt en heeft in mij helemaal niets” (Joh. 14:30). Als bij ons de wil van het vlees wordt onderdrukt door het oordeel van de dood, kan het ook in ons niets vinden. Ongetwijfeld is de huidige gang van zaken in de wereld de weg van de menselijke wil, terwijl satan zich achter het gordijn schuilhoudt om overal waar hij kan toe te slaan.

Toen de Heer Jezus, die Zichzelf volledig aan de wil van God overgaf, in deze wereld kwam, steeg het menselijke verzet onmiddellijk tegen Hem op. En de laatste raad van de mens tegen Hem openbaarde het ware karakter van de wereld. Laten we even stilstaan bij de twee mannen van wie toen sprake was. In Barabbas hebben we een bijzonder passend beeld van de menselijke wil, maar in de Heer Jezus daarentegen de volmaakte uitdrukking van de Goddelijke wil. Barabbas deed zijn eigen wil met roekeloze energie en negeerde wat dit anderen kostte.

Hij pleegde gewelddadige acties (rebellie), plunderde het bezit van anderen (diefstal) en nam zelfs het leven van een mens (moord). De Heer Jezus volbracht Gods wil, maar dat heeft Hem zijn eigen leven gekost; Zijn doen is onze eeuwige winst. Nu kwam de test: op welke man zal de keus van de wereld vallen? Er wordt een openbare stemming geëist, en het komt met geschreeuw. Niet de genadige Gever die Zijn leven wilde geven aan anderen, maar de beruchte rover, die het leven van anderen nam om zijn doel te bereiken, werd gekozen om te worden vrijgelaten.

Zij kozen niet Hem die Gods wil deed tot zegen voor de mensen, maar degene die zijn eigen wil tot het uiterste uitvoerde, tot oneer van God en tot schade van zijn naaste. Ze riepen: “Weg met Hem, en laat ons Barabbas los!”“Wij willen niet dat deze over ons regeert!” (Luk. 23:18; 19:14). Vreselijke beslissing; maar de motivatie is duidelijk. De wil van God was de vreugde van Christus; maar toen de wil van God werd geïntroduceerd, nam deze de plaats in van de menselijke wil. Dat zou de hele gang van zaken hebben veranderd, en noch de wereld noch zijn overste wilden dit hebben.

De positie van de gelovige in zo’n wereld is geen eenvoudige zaak, vooral in een tijd waarin zovelen onder hen die belijden te behoren bij de Verworpene, het risico lopen de vriendschap van de wereld die Hem verworpen heeft, aan te nemen, ja zelfs te zoeken!

Vroeger hebben we allen de loop van deze wereld gevolgd. Het ging alleen om ons eigen ik. Maar toen door het werk van de Geest van God de grote verandering in ons tot kwam kwam en een wedergeboorte plaats vond, werd een nieuw Voorwerp voor onze harten gesteld: Jezus, Die stierf voor ons en voor ons leeft om ons te dienen en ons tot in alle eeuwigheid lief te hebben. Deze Gezegende is door mensen verworpen, maar bij God uitverkoren, kostbaar, (1 Petr. 2:4). Wanneer Hij echter voor God kostbaar is, zo is Hij het ook voor ons: “Hoewel u Hem niet gezien hebt [1], hebt u Hem lief; hoewel u Hem nu niet ziet, maar gelooft, verheugt u zich in Hem met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde …” (1 Petr. 1:8).

Het ware geheim van de juiste houding van de gelovige tegenover de wereld in deze tijd is liefde, maar een liefde waarmee God mensen liefheeft en die Hij in onze harten geeft. Geen ander motief kan ons hart meer beïnvloeden dan zij.

Zo is het ook met de kinderen van wijsheid: de stroom van de tijden van deze wereld en hun overste zijn tegen hen. Om hun vooruitgang in het zwemmen tegen de stroom in te verhinderen, zal hij hen misschien schrik aanjagen; maar om haar te verleiden om met de stroom mee te gaan, zal hij vriendelijk doen. Maar met het heerlijke doel voor ogen kunnen ze vreugdevol zingen:

Daar is helder licht en leven,
daar worden we met glans omgeven.

De Heiland is daar, hoe zouden ze weer terugkeren? Bovendien worden ze door de Geest ernstig vermaand: “Weet u niet dat de vriendschap jegens de wereld vijandschap is jegens God? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, maakt zich tot een vijand van God” (Jak. 4:4). “Hebt de wereld niet lief, noch wat in de wereld is. Als iemand de wereld liefheeft” – hier wordt bedoeld vleselijke, zondige liefde – “is de liefde van de Vader niet in hem” (1 Joh. 2:15). Hoe moet een wereldse houding weerzinwekkend voor God zijn, vooral als het zich onder de mantel van religiositeit verbergt!

We kunnen veel geestelijk verlies lijden door de vriendelijkheid van de wereld, maar we hoeven niet bang te zijn voor hun afkeuring. De liefde van onze Heer, Zijn gemeenschap en Zijn erkenning compenseren ons er ruimschoots voor. Wat doet dat als het ons bedreigt? Hij zegt ons: “Hebt goede moed!” Op Petrus rustte de glimlach van de Heer en hij werd uit de gevangenis bevrijd toen Herodes hem bedreigde. Johannes heeft het op Patmos ervaren. Hoewel de wereld hem verbannen had, heeft de Heer Zijn rechten op hem gevestigd (Openb. 1). Ook Paulus had het in de gevangenis in Filippi, en dit zorgde ervoor dat hij en zijn vriend midden in de nacht zongen.

Dezelfde stem die hen en nog duizenden anderen bemoedigde, zegt nu ook tot onze harten: “In de wereld heb u verdrukking, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen” (Joh. 16:33). Met de troost van Zijn liefde in onze harten, kunnen we zeker “goede moed” hebben. “… in dit vertrouwen, dat Hij die in u een goed werk begonnen is, het ook zal voltooien tot op [de] dag van Christus Jezus” (Fil. 1:6). Hoe begon dit “goede werk”? Met zo’n gevoel van zondige onwaardigheid, dat we naar Christus verlangden en het vreselijk vonden om Hem niet te hebben! Hoe zal dit eindigen? In een “eeuwig gewicht van heerlijkheid” (2 Kor. 4:17).

Schrijver: G.C.

NOOT:
1. Of ‘Geloofd’.

© www.haltefest.ch; jaargang: 1973 – bladzij 277.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW