1 maand geleden

De weergave van de eenheid

Sommige gelovigen beschouwen het samenkomen alleen van de kant van de mens. Ze zien als het doel van het samenkomen, dat ze door het Woord van God een zegen ontvangen. Het verlangen om verfrist en onderwezen te worden door het Woord van God, werkt de Geest van God in het hart van elke christen. Zou Hij dit verlangen, dat Hij zelf bewerkt, niet stillen? Zeer zeker!

Veel gelovigen zullen met dit doel tevreden zijn om de bijeenkomsten van christenen te bezoeken, en ze zullen dan zeker een zegen ontvangen. Beschouwt men de vraag van het samenkomen alleen van deze kant, wat men echter nooit zou moeten doen, zou het zeker van ondergeschikt belang zijn, wáár men onder de klanken van het Woord komt, wanneer het maar duidelijk en puur wordt verkondigd.

Uitdrukking van het behoren tot de ene gemeente

Maar er is nog iets anders wat heel belangrijk is in verband met het samenkomen: men geeft aan het behoren tot een of ander genootschap van christenen uitdrukking, want de christenen in kwestie vergaderen zich op een bepaalde grondslag en op een vastgelegde basis. Daarbij heeft het de christenen de nodige zorgvuldigheid en gehoorzaamheid aan Gods Woord ontbroken, zodat een groot aantal gemeenschappen en kerken zijn ontstaan.

Nu is het een onbetwistbaar feit, dat de Heilige Schrift slechts één lichaam op christelijke bodem kent, de gemeente, die door de Heilige Geest op Pinksteren in het leven geroepen werd: “Er is één lichaam en één Geest” (zie Ef. 4:4); “Immers wij allen zijn door één Geest tot in één lichaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken, hetzij slaven hetzij vrijen, en ons allen is van één Geest te drinken gegeven“ (1 Kor. 12:13).

Deze zeer belangrijke waarheid over de eenheid van het lichaam, de eenheid van alle kinderen van God, is zeer helder. Waarom zouden degenen die door dezelfde Verlosser gered zijn van het eeuwig verderf, die dezelfde Heilige Geest hebben ontvangen en de ene God als hun Vader aanroepen, die op hetzelfde Woord vertrouwen en hetzelfde doel, de hemelse heerlijkheid, tegemoet snellen, niet één zijn? Het zou heel onnatuurlijk en onbegrijpelijk zijn als het anders was.

De gemeente – het lichaam van Christus

De eerste keer dat de gemeente in het Nieuwe Testament wordt genoemd is in Mattheüs 16. De Heer Jezus Zelf zegt: “…op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen” (vs. 18); het was toen nog toekomstig, maar de Heer deelt Zijn bedoelingen aan de discipelen mee. Dat de vergadering, of gemeente, hoe men haar noemt is niet zo belangrijk, maar het is belangrijk dat men met het woord de juiste gedachte verbindt – dit lichaam, zo nauw verbonden met Hem, is het lichaam van Christus, hetgeen duidelijk in Kolosse 1 vers 18 te zien is: “… en Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente”; en ook in Efeze 1 vers 22 en 23: “… en Hem als hoofd over alles gegeven aan de gemeente, die Zijn lichaam is, de volheid van Hem die alles in allen vervult”. De gemeente is dus het lichaam van Christus, en Hij is het hoofd van dit lichaam, Hij regeert het. Uit de laatst genoemde Schriftplaats komt het overweldigende gedachte naar voren, dat dit lichaam de volheid, dat betekent is de voltooiing van het Hoofd is.

Verschillende “gemeenschappen” zijn onverenigbaar met de eenheid van het lichaam

Het is duidelijk dat, wetende de bovenstaande waarheid, het niet alleen daarop aankomt, dat het Woord van God helder wordt verkondigd en met een bereidwillig hart wordt ontvangen, maar dat door de wijze van samenkomen ook de waarheid van de éne gemeente, van het éne lichaam en haar hemelse Hoofd, niet geloochend wordt. Omdat de kinderen van God op aarde één zijn, is het hiermee onverenigbaar als ze zichzelf speciale en verschillende namen geven. De eenheid van het lichaam wordt door het opstellen van reglementen of statuten, of door onderscheidende namen praktisch geloochend. Als gevolg hiervan scheiden zulken zich praktisch van overige christenen af, die de betreffende namen of de respectievelijke gemeenschapsordening niet kunnen erkennen. Daarbij ligt er ook tegenstrijdigheid in, wanneer men de eenheid van de kinderen van God als zodanig erkent en nog steeds in bepaalde christelijke namen en systemen blijft volharden. Want niet wat men zegt, maar wat men doet is maatgevend. Niemand beoordeelt een mens op zijn misschien mooie woorden, maar alleen op zijn daden, en dat is ook geheel in orde. De Heer Zelf zegt: “U zult hen dus aan hun vruchten kennen” (Matth. 7:20; verg. ook 12:33). Daarom is het volkomen waardeloos om met de mond de eenheid van alle gelovigen te erkennen, terwijl men zich met anderen vergaderd op de bodem van een christelijke unie met een speciale naam. Wie zo handelt, spreekt zijn belijdenis tegen.

Zo veroordeelde ook de Geest van God bij de Korinthiërs, dat elk van hen zei: “Ik ben van Paulus, ik van Apollos, ik van Kefas, en ik van Christus” (1 Kor. 1:12). Het gaat net zo tegen de leer van de Schrift in, als iemand vandaag zichzelf bijvoorbeeld naar deze man of die man noemt, die God, zoals eens Paulus en Apollos, als dienstknechten gebruikte.

Verbondenheid van de afzonderlijke leden van het lichaam

De waarheid van het éne lichaam laat ons ook zien dat al zijn leden nauw met elkaar zijn verbonden, en wel zo dat deze verbinding niet inniger zou kunnen zijn dan het in werkelijkheid is. Als men daarnaast andere verbindingen wil introduceren, toont men daarmee aan dat de door de Geest van God bewerkte eenheid, men niet voldoende vindt. Welk doel kan het hebben wanneer Gods kinderen met elkaar verbonden sluiten? Als men de verschillende leden van een menselijk lichaam nog door meerdere banden met elkaar zou verbinden, dan zou de verbinding van de leden met elkaar geenszins inniger zijn geworden, maar ze zouden enkel maar in hun bewegingsvrijheid worden belemmerd. Deze banden zijn niet alleen onnodig, ze zijn zelfs schadelijk, en precies zo is het met  geestelijke lichaam.

Oecumene is NIET de eenheid van het lichaam

Wat moeten we nu doen met het oog op de verdeeldheid van het volk van God in onze tijd? Zullen we proberen de kinderen van God zoveel mogelijk zien te verenigen, met andere woorden: moeten we proberen de “eenheid” tot stand te brengen? Zodra we dit doen, verklaren we de eenheid van de Geest, dat is de eenheid die de Heilige Geest tot stand heeft gebracht, als niet-bestaand.

We zien echter in de Schrift, dat God Zijn gedachten nooit opgeeft noch van Zijn doelen afziet. Wanneer vandaag een ziel door geloof in het verlossingswerk van Christus in een of andere christelijke denominatie opnieuw geboren wordt, tot welk lichaam voegt de Geest van God hem dan toe? Aan het lichaam van de betreffende denominatie? In geen geval, want anders zou Hij deze denominatie erkennen als rechtmatig bestaand in tegenstelling tot anderen. Integendeel, de Geest van God voegt deze ziel toe aan het éne lichaam, die Hij zelf op de Pinksterdag heeft gesticht, namelijk de gemeente van de levende God. Hij kent geen ander lichaam, en wij zouden ook geen ander moeten kennen, dat wil zeggen erkennen. We kunnen geen eenheid bewerkstelligen, maar moeten haar bewaren, zoals er staat geschreven, “… u beijvert de eenheid van de Geest te bewaren in de band van vrede” (Ef. 4:3).

Bewaar de eenheid van de Heilige Geest

De ware christenen moeten daarom de reeds bestaande eenheid van de Heilige Geest bewaren en niet vervangen door een menselijk kunstwerk. “Bewaren” betekent, zich zó te vergaderen en te gedragen, dat men zich verre houdt van alles wat de eenheid van de Geest praktisch loochent of opheft; en dat veronderstelt, dat men dit – en daartoe behoort ook het bewaren van de leer van deze eenheid – alleen erkent en vasthoudt. Ondanks het verval temidden van het christendom, de vele richtingen en partijen, ziet de Heilige Geest alle wedergeborenen in één lichaam, het lichaam van Christus, verenigd en door de band van liefde met elkaar verbonden. Ja, ze zijn allen door één Geest te drinken gegeven. Het geloof stelt zich op dezelfde grondslag, en als een christen dat niet doet, gaat hij een eigenzinnige weg met betrekking tot het getuigenis van God in de dagen van het verval.

Iemand afzonderlijk kan ook in deze donkere dagen met anderen, die zich op dezelfde grondslag bevinden, die zich alleen vergaderen tot de naam van de Heer Jezus, de voorstelling van het éne lichaam, de gemeente van God, verwerkelijken. Hij kan in trouw aan het hele Woord van God vasthouden, zowel met betrekking tot de leer over de gemeente en haar getuigenis op aarde, als ook aan de werking en leiding van de Geest te midden van de heiligen en het gebruik van de gaven die door Hem zijn gegeven. Iemand afzonderlijk kan voor het evangelie bidden en meehelpen, voor zover God hem de gelegenheid geeft; hij kan zijn plaats in het gezin en ook in het beroepsleven volgens de gedachten van God innemen, en zo zal hij een licht zijn tot lof en heerlijkheid van zijn Heer. Het is buitengewoon belangrijk en gezegend om de gemeente, die het voorwerp is van Zijn tederste genegenheid en hoogste zegen, in de dagen van verwarring en verval met Zijn ogen te beschouwen, en met gelijkgezinden voor te stellen.

Het is zeer bemoedigend voor ons om te zien, dat de gelovigen in het Oude Testament zich ook vasthielden aan de gedachten van de eenheid van het volk Israël, hoewel zij, zoals wij, geen aansporing bezaten om “de eenheid te bewaren”. Het twaalfstammige volk Israël vormde één koninkrijk onder David en Salomo, maar werd na de dood van Salomo verdeeld in een tienstammenrijk (Israël) onder leiding van Jerobeam en een tweestammenrijk (Juda) onder het bewind van Rehabeam. De profeet Elia bouwde een altaar van twaalf stenen, hij dacht in geloof aan alle twaalf stammen, hoewel er slechts tien stammen aanwezig waren. Er staat in 1 Koningen 18 vers 31: “Elia nam twaalf stenen, overeenkomstig het getal van de stammen van de zonen van Jakob …”. We zien ook hetzelfde geloof in het geval van Hizkia, de koning van Juda, het tweestammenrijk; ook hij dacht aan heel Israël, want zo lezen we: “… dat men door heel Israël, van Berseba tot Dan, een oproep zou laten uitgaan dat zij moesten komen om in Jeruzalem het Pascha te houden voor de HEERE, de God van Israël … De ijlboden gingen door heel Israël en Juda op weg met de brieven van de hand van de koning en zijn leiders …” (2 Kron. 30:5-6).

In latere dagen zien we hetzelfde principe bij het overblijfsel dat terugkeerde uit de gevangenschap. Hoewel er slechts twee stammen in het land waren, staat er van hen in Ezra 6 vers 17: “Zij offerden ter inwijding van dit huis van God honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en als zondoffer voor heel Israël twaalf geitenbokken, naar het aantal stammen van Israël” (Ezra 6:17). Spoedig daarna offerden de kinderen uit de gevangenschap “brandoffers voor de God van Israël: twaalf jonge stieren voor heel Israël …” (Ezra 8:35).

Wanneer we in deze gebeurtenissen zien dat de gelovige Israëlieten aan alle twaalf afstammelingen dachten, hoewel er maar een deel aanwezig was, en we het christendom, of meer specifiek de wedergeboren christenen, met hen vergelijken, hebben ze alle reden om zich te schamen. Hoevelen of hoe weinigen denken in werkelijkheid aan het hele volk van God, en niet alleen aan het deel waartoe ze misschien behoren onder een speciale naam! En hebben degenen die zich afgezonderd van menselijke systemen vergaderen tot de naam van de Heer alleen, meer dan ooit reden om de eenheid van het volk van God te gedenken, vertegenwoordigd in het éne brood? Mogen zij allen met vreugde eraan denken, dat ze de verheven viering van het avondmaal van de Heer op basis van de eenheid van de Geest mogen bijwonen! Het is die zijde van de tafel van de Heer, die nooit tot uitdrukking kan komen, waar men zich tot een genootschap heeft verenigd.

De weergave van de eenheid op één plaats

Er zullen in de dagen van verval slechts weinigen zijn, die de eenheid van de Geest willen bewaren, en de meeste anderen staan onverschillig tegenover deze zo belangrijke waarheid. Omdat er gewoonlijk nog andere christenen in de plaats zijn, zijn er misschien maar weinig die samenkomen tot de naam van de Heer Jezus. De Heer Jezus noemt de kleinste aantallen van de gemeenschap, twee of drie, in wiens midden te zijn Hij niet versmaadt. Deze weinigen vergaderd om de Heer Jezus alleen, vormen weliswaar niet de gemeente van God in de betreffende plaats – want daartoe behoren alle gelovigen die zich daar bevinden -, maar zij zijn de weergave van de gemeente1. Het is ook een verheven plaats, die de ‘telbare’ kleine groep inneemt: de Heer Jezus is in hun midden. Hun samenkomen ontvangt autoriteit door Zijn tegenwoordigheid, maar daaruit komt ook hun verantwoordelijkheid voort, namelijk om alleen dat te doen, wat overeenkomt met Zijn wil.

Hoe belangrijk is toch zelfs een kleine gemeente, wanneer zij iemand toestaat of uitsluit van gemeenschap aan de tafel van de Heer, want haar handeling is geldig voor alle gemeenten van de hele aarde! Daarom moeten de broeders2 geestelijk zijn, zodat zij bij voorkomende aangelegenheden geestelijk kunnen zijn, dat wil zeggen in overeenstemming met de gedachten van de Heer kunnen beoordelen. Wat een ernstige aanmaning voor alle broeders, die het hoge voorrecht hebben deel te mogen nemen aan deze dienst! Mogen ze allen een voorbeeld zijn in een waarachtig geestelijke gezindheid, doordat ze hun beoordeling eerst op zichzelf en vervolgens op hun huis en pas daarna daar bovenuit toepassen!

Mogen het bij ons allen ernst zijn met het oog op de eenheid van de kinderen van God, deze als kostbaarheid in het hart te bewaren en in het praktische leven te verwerkelijken!

NOOT VERTALER:
1. Daarbij kunnen we denken aan 1 Kor. 11:18: “Wanneer u als gemeente samenkomt”, d.w.z. in het karakter van de ‘ene gemeente’.
2. Waarbij in geen geval de zusters buiten beschouwing gelaten mogen worden, omdat het ons ‘allen’ aangaat.

 

Walter Briem; © www.bibelpraxis.de

Ondertitels van Bibel Forum.
Online in het Duits sinds 24.02.2006.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW