14 jaar geleden

De voetwassing

U echter, laat u niet rabbi noemen; want een is uw Meester en u bent allen broeders … Laat u ook niet leermeesters noemen, want een is uw Leermeester: de Christus.

Mattheüs 23:8,10

In onze tijd hebben VIP’s (Very Important Persons) veel invloed en krijgen ongekende aandacht in de culturele, de financiele en de politieke wereld. De media wordt er door beheerst. Hoeveel aandacht krijgen bijvoorbeeld niet president Bush, premier Blair, premier Balkenende. Is het onder het volk van God dan anders? Wel, kijk maar eens rond. Wat ziet u dan? Helaas, onder de Christenen is het niet anders. Is dat dan zo erg? De VIP’s (Very Important Persons) weten het toch ook veel beter dan wij? Misschien is dat op bepaalde terreinen in de wereld waar, maar onder de Christenen gaat dit helemaal niet op. Als we de eerste discipelen nagaan, dan zien we dat het eenvoudige vissers waren. Petrus en Johannes, de steunpilaren van de eerste gemeente waren zelfs ongeletterde en eenvoudige mensen (Handelingen 4:13; Galaten 2:9).

VIB’s (Very Important Brothers) moeten er onder de Christenen niet zijn, althans als zodanig behoren zij zichzelf niet te profileren. Dat er Christenen zijn die een “in het oog springende” plaats onder de gelovigen innemen, hoeft geen betoog. Dat komt omdat zij van God een gave ontvangen hebben die als vanzelf in het oog springt. Een mond valt immers ook op bij het menselijk lichaam. Maar is zij dan belangrijker als het hart bijvoorbeeld. Het hart zien we niet, maar kunnen wij zonder? Maar voor God is er geen onderscheid. Bij Hem is ook geen aanzien van de persoon, wat bij ons nog wel eens voorkomt. Een leraar in de gemeente zal opvallen omdat dit behoort bij zijn gave. Zo zal het ook zijn bij een evangelist, hoewel zijn arbeidsterrein niet in de gemeente is, maar in de wereld. Hij zal wel iemand die tot geloof in de Heer Jezus gekomen is, tonen dat er op aarde ook een “herberg” is, de gemeente, waar hij of zij verder opgevangen wordt en voeding kan ontvangen in de dingen van God. Dan komt de taak van een herder en leraar om de hoek kijken. Veel evangelisten denken dat zij ook leraars zijn met alle destrateuse gevolgen van dien. Dat is een ernstige misvatting. Er is daardoor al veel geestelijke schade aangericht en is de geestelijke groei bij een bekeerd persoon ernstig belemmerd. De Bijbel noemt wel herders en leraars in één adem, maar bij evangelisten komt dit niet voor (Efeze 4:11).

Nu moet ik mij wel haasten om te vermelden dat de Bijbel ons aanspoort om onze voorgangers te gehoorzamen en hen onderdanig te zijn. De voorgangers die onder ons het Woord van God gesproken hebben, ook te gedenken (zie Hebreeën 13:7,17). Dus moeten wij toch maar standbeelden oprichten voor hen, net zoals dat gedaan is bij Luther, Zwingli en Calvijn, om er enkele te noemen? Nee, dat is mijns inziens geen goed Bijbels idee. Het lijkt mij overigens wanneer ik de geschriften van deze broeders lees, dat zij hier ook niet zo erg blij geweest zouden zijn. De apostel Petrus zegt ook niet dat de herders “over” de kudde van God (de gemeente) gesteld of gekozen zijn, maar zegt dat zij de kudde van God moeten weiden die “bij hen” is. Bovenal dat zij voorbeelden moeten zijn en geen dictators. Hun beloning is dan ook geen standbeeld hier op aarde, en ook geen standbeeld in de hemel. Nee, wanneer de overste Herder (deze titel was en is alleen op de Heer Jezus van toepassing) verschenen is, komt er een onvergankelijke kroon (zie Petrus 5:1-4). Dat is wel eventjes iets anders dan een standbeeld.

Titels

Er is volgens de Bijbel absoluut geen plaats voor de titel Paus, bisschop of predikant, onder de Christenen. Als we de betekenis van de Paus tot ons laten doordringen, wordt het al duidelijk. Paus betekent namelijk volgens de Van Dale: “opperhoofd van de Rooms-Katholieke Kerk” (als je dit zo leest lijkt het wel van de Indianen te komen – Oefff …). En wat te denken van hoogleraar in de theologie (= Godgeleerdheid). Die titel kun je door studie verwerven. Daarvoor moet je naar de universiteit of hogeschool. Deze titels krijg je niet als je in de school van God komt. Deze studie kun je niet door een examen afronden. In de school van God blijf je student totdat de Heer je opneemt in Zijn heerlijkheid.

Voor sommigen die dit lezen lijkt dat wat hier wordt geschreven, misschien wel heilig-schennis. Geliefde broeder en zuster in Christus: dat is niet mijn bedoeling. Het enige waar ik op wijzen wil is, dat alleen wat we in de Schrift vinden, aangenomen dient te worden. Dat geldt ook voor eventuele titels, welke titels de mens in de loop der eeuwen ook heeft bedacht. Daarmee wil ik niets ten nadele zegen van de persoon die een van deze titels draagt. Wel zou ik zulke personen willen vragen: Heb de moed om ook uw titel en het gezag dat u daardoor meent te hebben te toetsen aan het heilig Woord van God. Want niet de kerk heeft absoluut gezag maar het Woord van God alleen, evenmin de Paus. Het is daarbij uitermate belangrijk om een titel niet te verwarren met een gave. Een gave ontvang je, een titel verwerf je.

Eén is uw Leermeester, de Christus – Mattheüs 23:8,10

De Heer Jezus zegt dan ook dat we ons geen rabbi (= leidsman) moeten laten noemen en ook geen leermeester. Dat is alleen maar goed voor de menselijke ego. Het streelt het vlees. Daarom is er op dit terrein al zoveel misgegaan. Immers de “zelfverhoging” maakt opgeblazen. “Wie nu zichzelf zal verhogen, zal worden vernederd; en wie zichzelf zal vernederen, zal worden verhoogd” (Mattheus 23:12).

De Bijbel leert trouwens ook helemaal niet dat je een geestelijke titel kunt “verwerven”. De hoogste titel – om deze uitdrukking dan ook maar even te gebruiken – die we hebben is “broeder” en “zuster”. Daarbij schroom ik niet om te zeggen dat dit een “eretitel” is. In deze eretitel ligt zoveel opgesloten. In de eerste plaats hebben alleen zij die de Heer Jezus als hun Heer en Heiland kennen deze titel. Zij hebben dit niet verworven, maar gekregen. Dat is pure genade van God.

Voetwassing – Johannes 13:1-20

Laten we ook eens kijken wat de Heer Jezus zegt over “wie de meeste” is. Ook dat vinden we in Mattheüs 23:11. Dat is iemand die zijn brusters dient. “De grootste van u echter zal uw dienstknecht zijn”. Dat wordt vaak vergeten. Het wordt dan: “Maar de meeste van u zal veel dienaars hebben”.

De voetwassing in Johannes 13 is in dit verband een zeer leerzaam voorbeeld. Nadat de Heer daar de voeten van zijn discipelen gewassen heeft, zegt Hij: “Begrijpt u wat Ik u heb gedaan? U noemt Mij Meester en Heer, en u zegt het terecht, want Ik ben het. Als dan Ik, de Heer en Meester, uw voeten heb gewassen, dan behoort u ook elkaars voeten te wassen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook u doet zoals Ik u heb gedaan. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een slaaf is niet groter dan zijn heer, en een gezant niet groter dan hij die hem heeft gezonden. Als u deze dingen weet, gelukkig bent u als u ze doet” (Johannes 13:13-18).

Als we dus gelukkig willen zijn, hier is de weg. Elkaar de voeten wassen. Het gaat hier niet om een letterlijke voetwassing. Dat blijkt alleen al uit de woorden van de Heer, wanneer Hij zegt: “Begrijpt u wat Ik u heb gedaan?” (vers 13).

De joden waren gewoon om zich voor de hoofdmaaltijd door een slaaf de voeten te laten wassen. In Zijn laatste nacht voor Zijn kruisiging verrichtte de Heer Jezus deze dienst. Wat een voorbeeld van Zijn nederigheid en goedheid! Maar ook een voorbeeld van hoe wij elkaar te dienen hebben hier op aarde.

Als wij dan dit voorbeeld volgen, is het goed om niet met “heet water” aan te komen. De broeder of zuster kan dan haast niet anders dan de voeten terugtrekken. Wanneer we menen dat we “heetgeblakerd” op iemand af kunnen gaan, zullen we van een “koude” kermis terugkomen. De Heer Jezus deed het uit liefde. Zijn liefde was niet “heetgeblakerd”. Zijn liefde was vurig en van Goddelijke kom-af. Het was “agape”-liefde. Zo waste Hij de voeten van de Zijn discipelen. En wij?

Ook “koud water” is niet prettig bij het wassen van je voeten. Er hoort een warm hart bij deze dienst en geen koude douche. Nee, er hoort een hart bij dat zichzelf verloochent en wegcijfert voor de ander. Dan ben je niet “softy” maar hartelijk. Een hart dat met liefde een dienst voor de broeder of zuster verricht. God Zelf zegt bij monde van de apostel Paulus: “Wat de broederliefde betreft, weest hartelijk voor elkaar” (Romeinen 12:10). Kennen wij dat?

Om iemand de voeten te kunnen wassen, moet je ook bukken. Dat is ook iets om over na te denken. Daar kun je niet omheen. Voetwassing is een daad van nederigheid en toewijding. Het toont gastvrijheid. Het Oude Testament vertelt daar ook over. Lees maar eens Genesis 18:4; 19:2; 24:32; 43:24; Richteren 19:21. Het Nieuwe Testament zegt: “Legt u toe op de gastvrijheid” (Romeinen 12:13); “Vergeet de gastvrijheid niet …” (Hebreeën 13:2). En Petrus schrijft over iets wat alles te maken heeft met ons onderwerp en actueel is: “Het einde van alle dingen is nabij; weest dus bezonnen en nuchter tot gebeden. Voor alles, hebt vurige liefde tot elkaar, want liefde bedekt een menigte van zonden. Weest gastvrij voor elkaar, zonder mopperen” (1 Petrus 4:7-9).

We kunnen ons voorstellen dat het na de woorden van de Heer: “Begrijpt u wat Ik u heb gedaan?” een poosje stil is geweest. Ja, Hij DE Heer en DE Meester had hun voeten gewassen. Zelfs Judas voeten werden door de Heer gewassen, want hij was er hier ook nog bij. Als in de tijd van Petrus het einde van alle dingen al nabij was, hoe is dat dan vandaag? Je ziet hier hoe actueel deze praktische aansporingen zijn. Nuchterheid, bezonnenheid in het gebed, vurige liefde tot elkaar … als ik dit schrijf durf ik haast niet verder. Want o, hoe droevig is het daarmee bij mij soms gesteld! Waar is die vurige liefde gebleven? Is het niet vaak eigenliefde en het bezig zijn met onszelf? Maar aansporingen worden niet gegeven om ons te ontmoedigen maar om ons juist aan te sporen. Daarom ga ik toch maar verder.

“Weest gastvrij voor elkaar …”. Gastvrijheid. Ja, prachtig. Maar dan wel voor diegenen die mij liggen. Dat is wel zo gemakkelijk. Denken wij niet vaak zo? De Heer Jezus was dan zeker Judas voorbij gegaan, en misschien Petrus ook wel. En wat denk je van Johannes en zijn broer, de zonen van Zebedeus? Zij wilden dan toch maar graag een ereplaats. Deze zou de Heer dan ook wel gepasseerd zijn. En de anderen? Dat weet ik niet. Ik ken ze niet. Maar de Heer kende hen wel, maar gaat toch niemand voor bij. Zo gaat Hij ook ons niet voorbij!

De apostel Petrus zegt er wel iets bij, namelijk “zonder mopperen”. Wel, dat is heel praktisch, maar misschien ook wel heel moeilijk. Want mopperen is misschien, met het negatieve kritiek hebben op elkaar, wel een van de grootste “gaven” van ons. Dat verhindert een hartelijke, liefdevolle dienstbetoning aan elkaar. Dat is zeker. Hoe is onze Heer en Heiland ons ook hierin tot een voorbeeld! Hij “mopperde” nooit. Heel Zijn dienst werd gekenmerkt door een vrijwillige, liefdevolle en hartelijke toewijding aan de Zijnen die Hij liefgehad heeft tot het einde (Johannes 13:1). Hij gaf alles over aan Hem die rechtvaardig oordeelt (1 Petrus 2:23). Ook Petrus verbindt zijn aansporingen met het dienen (1 Petrus 4:11).

Heer, niet alleen mijn voeten …

Terug naar Johannes 13. Misschien vragen we ons af waarom de Heer alleen de voeten waste en niet de handen. Handen zijn om te werken, voeten zijn er om te wandelen. Onze wandel is nog in steeds in de woestijn waar voeten vuil kunnen worden. De woestijn is een beeld van de boze wereld waarin wij nu leven. Wij leven in deze wereld maar wij behoren niet meer bij deze wereld. We mogen dan ook rustig tegen elkaar zeggen: “daar horen wij gelukkig niet meer bij”. Dat is geen hoogmoed maar genade van God als je dit weet. Je zegt in feite hetzelfde als de Heer Jezus die het zo zei: “… en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet van de wereld zijn zoals Ik niet van de wereld ben” en “Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben” (Johannes 17:14,16).

Het is daarbij echter goed en noodzakelijk om te beseffen dat de satan de “overste” van deze wereld is (Johannes 12:31; 14:30; 16:11). Luther zei eens over hem: “De duivel zorgt er wel voor dat een Christen die op weg is naar de hemel, geen schone voeten houdt”. We worden dus gemakkelijk verontreinigd, en moeten daarom gereinigd worden. Door de besmetting van deze wereld wordt onze gemeenschap met de Heer verstoord. Om de gemeenschap met de Heer Jezus en met God de Vader blijvend te smaken, is het nodig dat we gereinigd worden. Dat doet God door Zijn Woord. Het Woord van God heeft een reinigende kracht (Efeze 5:26). Daarom moeten we dagelijks Zijn Woord lezen. De apostel Paulus zegt: “… evenals ook Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven, opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door het Woord …” (Efeze 5:25-26). Het is noodzakelijk om dagelijks onze voeten te laten wassen door Hem. Wanneer we dat doen erkennen we dat we gezondigd hebben en zonder Zijn reiniging niet verder kunnen. Het erkennen houdt in dat we bij Hem komen en Hem vertellen van onze zonden, van onze zwakheden en tekortkomingen, van onze falen, van onze besmetting. We geven ons daarbij over aan Hem zoals de discipelen Hem hun voeten toestaken om te gewassen worden. Zo vinden we als kinderen van God herstel van de verloren of verstoorde gemeenschap met de Vader. “Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid” (1 Johannes 1:9). De Heer Jezus is onze Voorspraak bij de Vader. Als wij gezondigd hebben, geldt deze waarheid voor ons, dat wil zeggen voor hen die al geheel gereinigd zijn. Daarom staat er ook “Vader” en niet God. Wanneer het om de verzoening van onze zonden gaat, spreekt de Schrift over God. Het gaat daarbij dan ook om bloed, en niet om water. Bijvoorbeeld: “Laat u met God verzoenen” (2 Korinthe 5:20); verzoening met God kan alleen plaats vinden door het storten van bloed.

Zijn voorspraak zorgt er dus voor dat Hij ons reinigt door de wassing met water door het Woord. De Heilige Geest laat ons door het Woord onze zonden ontdekken en brengt ons tegelijkertijd tot erkenning en belijdenis ervan. Het resultaat van de Voorspraak van de Heer Jezus. God kan en wil dan ook niet anders dan ons onze zonden vergeven, want Hij is rechtvaardig. Het gevolg is dus dat onze verloren gegane gemeenschap met de Vader weer hersteld wordt. We zien dus dat de Heer Jezus Zijn discipelen een voorbeeld liet zien van wat Hij straks in de hemel voor hen (en ook voor ons) zou doen, namelijk Voorspraak zijn.

God heeft er dus voor gezorgd dat de gelovige weer hersteld kan worden. Wat een genade. En ongetwijfeld hebben wij – die opnieuw geboren zijn – allemaal met deze dingen te maken.

Waarschijnlijk heeft Petrus al even kunnen kijken wat de Heer deed bij de andere discipelen, want er staat: “Hij kwam dan tot Simon Petrus …” (vers 6a). DE Meester voor hem geknield om zijn voeten te wassen … dat ging hem te ver. Petrus zegt dan ook: “Heer, wast U mijn voeten?” (vers 6b). Dat kon toch niet! Petrus begreep het (nog) niet. De Heer zegt dan ook tegen Petrus dat wat Ik nu doe, weet jij nu niet, maar later zul je het begrijpen (vers 7). Daarbij mogen we denken aan de tijd dat de Heilige Geest gekomen zou zijn; Die zou het ook hem duidelijk maken, leren en in herinnering brengen wat de Heer gezegd en gedaan heeft (Johannes 16:12-15).

Maar Petrus trekt toch zijn voeten terug en zegt: “U zult mijn voeten geenszins wassen tot in eeuwigheid” (vers 8). Het waren sterke woorden. Maar hij komt er even zo snel weer op terug. De Heer zei namelijk tegen hem dat wanneer Hij niet de voeten van Petrus waste, deze geen deel met Hem zou hebben. Petrus zei daarop: “Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd” (vers 9). Behoorlijk extreem, zou je denken. Radicaal. Dat was vaak zo bij Petrus.

“Met Mij”, zei de Heer. Niet “aan Mij”. Dat maakt het verschil uit. “Aan Hem” had Petrus al deel, want hij was tot de Heer gekomen en later heeft hij beleden: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God” (Mattheüs 16:16-17). Later heeft Petrus ook ervaren wat het betekent geen deel meer te hebben “met Hem”, want hij had de Heer Jezus verloochend en dat was een heel beroerde tijd. Dat is gelukkig wel weer goed gekomen.

Hier zegt de Heer dus tegen Petrus “met Mij”. Als Petrus en ook wij het geluk met Hem willen delen, met Hem gemeenschap willen hebben en houden, dan is het nodig dat onze voeten gewassen worden. Het verschil tussen “met Mij” en “aan Mij” wordt in vers 10 verklaard.

“Wie gebaad is, heeft alleen nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen” (vers 10).

Hier worden twee verschillende woorden voor “wassen” gebruikt. Het eerste woord is een vervoeging van het woord baden, namelijk “gebaad is”. De betekenis is dat je dan “helemaal” gewassen bent. Het tweede woord “wassen” wordt gebruikt om aan te geven dat er een beperking is. De Heer geeft dat hier ook duidelijk aan. Hij zegt: “alleen de voeten”. Dit herinnert ons aan de tweevoudige wassing bij de inwijding van de priesters. Eerst waste Mozes Aaron en zijn zonen met water dat eens en voor altijd gold (Leviticus 8:6); later volgden dan de andere wassingen – in het koperen wasvat – die steeds gedaan moesten worden, wanneer zij het heiligdom binnen gingen (Exodus 30:17-21). Ook wij kennen het eenmalige bad van de wedergeboorte. Daar hoef je ook geen opleiding voor gehad te hebben – om terug te komen op iets wat we in het begin van dit artikel al aangaven – maar een ontmoeting met Jezus Christus. Nicodemus (zie Johannes 3:1-21) moest ook opnieuw geboren worden. Je kunt van deze man ook zeggen dat hij een groot “theoloog” was in die tijd. Dat hielp hem echter niet. Ook hij moest geboren worden uit “water en geest” (Johannes 3:5-6). Als je geboren bent uit “water en Geest”, heb je het eenmalige bad gehad. Je bent dan geheel rein. Dat zegt de Heer Jezus dan ook in vers 10: “… maar is geheel rein”. Wat er ook gebeurt, hoe je gezindheid ook is of wordt: “Je bent afgewassen”. Dat zei de apostel Paulus ook tegen de Korinthiërs in hoofdstuk 6:11: “… maar u bent afgewassen …”. Er heerste daar nogal wat onder hen. Hun toestand was helemaal niet geestelijk en er werd zelfs een hoererij onder hen gevonden die in de wereld haar weerga niet kende (1 Korinthe 5). Toch sprak de apostel over hen als “afgewassenen”. De Heer zegt dat hier ook tegen de discipelen, met de ene uitzondering – zodat wij ons daarin niet kunnen vergissen – namelijk Judas. “… maar niet allen. Want Hij wist wie Hem zou overleveren; daarom zei Hij: U bent niet allen rein” (Johannes 13:10-11). Je kunt dus uiterlijk wel een Christen lijken, maar toch niet opnieuw geboren zijn. Zoals de priesters dagelijks hun handen en voeten moesten wassen, zo moeten wij na iedere verontreiniging in ons dagelijks leven gereinigd worden. Dat gebeurt niet door bloed maar door water. Dan krijgen wij deel “met Hem”.

Het kostbare bloed van Christus neemt onze zonde weg; het water reinigt hen die al opnieuw geboren zijn. Toen de Heer gestorven was op het kruis stak een soldaat zijn speer in zijn zijde en terstond kwam er water en bloed uit (Johannes 19:34). Water is het symbool voor reiniging en het bloed voor verzoening. Dit wordt ook door Johannes nog eens bevestigd in 1 Johannes 5:6. We kunnen bij het “eenmalige bad” ook denken aan de woorden uit Titus 3:5: “… heeft Hij ons behouden, niet op grond van werken in gerechtigheid, die wij hadden gedaan, maar naar Zijn barmhartigheid, door de wassing van de wedergeboorte en de vernieuwing van de Heilige Geest, die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort …”.

Het kenmerk van een “echte” VIB …

Om nu op ons onderwerp terug te komen, namelijk VIB of gewoon bruster (= broeder en zuster), dan leert de Heer ons Zijn voorbeeld van de voetwassing na te volgen. Zoals Hij de laagste plaats innam onder hen, terwijl Hij DE Heer en DE Meester was, zo moeten ook wij de laagste plaats innemen onder de brusters. Zoals Hij ons wast van onze besmetting door het water van het Woord, zo moeten wij elkaar dienen als we onze voeten vuil hebben gemaakt, als we gezondigd hebben. Dienen in die zin dat wij elkaar in liefde en nederigheid opzoeken met het doel te herstellen wat verbroken is, namelijk de gemeenschap met de Heer Jezus en met God de Vader. Daar kunnen we elkaar bij helpen. Daarbij is geen koud of heet water nodig maar behaaglijk warm water. Water dat geschikt is en niet afstoot. We hebben ook geen geweer nodig om de bruster af te schieten. Een mes is ook niet erg geschikt, dat verwond alleen maar. Nee, als we dit doen hebben we de gezindheid van de Heer Jezus nodig. Een schaal met warm water en een doek om af te drogen. Het gereedschap van iemand die dient: geloof, liefde, nederigheid. “Zelfs als iemand door een overtreding overvallen wordt, brengt u die geestelijk bent zo iemand terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf, opdat ook u niet in verzoeking komt” (Galaten 6:1). “… maar laat elk in nederigheid de ander uitnemender achten dan zichzelf; laat ieder niet alleen op zijn eigen belangen, maar ook op die van anderen zien. Want laat die gezndheid in u zijn die ook in Christus Jezus was …” (Filippi 2:3-6).

Een echte VIB is dus iemand die dienst als DE Meester en DE Heer. “Een slaaf is niet groter dan zijn heer, en een gezant niet groter dan hij die hem heeft gezonden” (vers 16). Dan ben je belangrijk in het oog van God, dan kan Hij je gebruiken, dan ben je een beeld van Hem. Zou dit niet veel twist en verdeeldheid voorkomen? Zou dit niet de weg kunnen zijn waardoor de Heilige Geest de Heer Jezus kan verheerlijken in onze harten en in ons midden. Want dan kan Hij in ons allen werken. Ja, dan ben je gelukkig als je deze dingen doet!

Maak mij een beeld van U,
zo vol van ootmoed, liefde en trouw,
Maak mij een beeld van U.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol