4 jaar geleden

De verwerkelijking van de eenheid

Sommige gelovigen beschouwen het samenkomen alleen van de kant van de mens. Zij zien als doel van het samenkomen, dat zij door het ​​Woord van God een zegen ontvangen. Het verlangen, door Gods Woord gebouwd, verkwikt en onderwezen te worden, werkt de Geest van God in het hart van iedere christen. Zou Hij dit door Hem zelf verwekte verlangen niet stillen? Zeker!

Onderverdelingen van BijbelSE SAMENKOMSTEN

Veel gelovigen zijn bij deze aangelegenheid tevreden met het bezoeken van samenkomsten van christenen, en dan zullen ze zeker een zegen ontvangen. Beziet men de vraag van het samenkomen alleen van deze zijde, wat men eigenlijk nooit doen moet, dan zou het van ondergeschikt belang zijn, waar je onder de klank van het Woord komt, als het maar luid en duidelijk verkondigd wordt.

Uitdrukking van het lid zijn van de ene gemeente

Alleen, er staat nog iets anders, wat heel belangrijk is, in verbinding met het ​​samenkomen: men geeft aan het behoren tot een of andere organisatie van christenen uitdrukking, want de betrokken christenen komen samen op een bepaalde bodem, op een bepaalde grondslag. Daarbij heeft deze christenen ontbroken aan de nodige zorgvuldigheid en zijn wat de gehoorzaamheid aan Gods Woord in gebreke gebleven, zodat een groot aantal gemeenschappen en kerken ontstonden.

Nu is het een onmiskenbaar feit dat de Heilige Schrift slechts één lidmaatschap op christelijke bodem kent, de vergadering of gemeente die door de Heilige Geest op Pinksteren in het leven geroepen is. “Er is één lichaam en één Geest” (Ef. 4:4). “Ook wij allen immers zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij dat wij Joden zijn, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en wij allen zijn van één Geest doordrenkt” (1 Kor. 12:13).

Deze uiterst belangrijke waarheid van de eenheid van het lichaam, de eenheid van al Gods kinderen, is zeer overduidelijk. Waarom zouden zij, die door dezelfde Verlosser van de eeuwige verdoemenis gered werden, die dezelfde Heilige Geest ontvangen hebben en de ene God als hun Vader aanroepen, die zich op hetzelfde woord baseren en zich tot hetzelfde doel, de hemelse heerlijkheid tegemoet haasten, niet één zijn? Het zou heel onnatuurlijk en onbegrijpelijk zijn als het anders was.

De gemeente – het lichaam van Christus

De eerste keer dat de gemeente in het Nieuwe Testament genoemd wordt, is in Mattheüs 16. De Heer Jezus Zelf zei: ” … op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen” (vs. 18); zij was dus toen nog toekomstig, maar de Heer deelt Zijn bedoeling aan de discipelen mee. Dat de vergadering of gemeente- hóe men haar noemt, is niet zo belangrijk, maar het is belangrijk welk woord er ook wordt gebruikt, dat men daaraan de juiste gedachten verbindt – dit zo innig met Hem verbonden lichaam, het lichaam van Christus is, blijkt duidelijk uitKolosse 1 vers 18: ” … en Hij is het hoofd van het lichaam, namelijk van de gemeente”, of uit Efeze 1 vers 22-23: “… en heeft Hem als hoofd over alle dingen gegeven aan de gemeente, die Zijn lichaam is en de vervulling van Hem Die alles in allen vervult.” De vergadering is dus het lichaam van Christus, en Hij is het hoofd van dit lichaam, Hij regeert haar. Uit de laatst genoemde schriftplaats komt nog de overweldigende gedachte naar voren, dat dit lichaam de volheid, dat betekent de voltooiing van het Hoofd is.

Verschillende “gemeenten” zijn onverenigbaar met de eenheid van het lichaam

Het is duidelijk dat het bij de kennis van de bovenstaande waarheid niet alleen erop aankomt, dat het Woord van God zuiver verkondigd en met een gewillig hart ontvangen wordt, maar dat door de manier van samenkomen de waarheid van de ene gemeente, het ene lichaam en zijn hemels Hoofd, niet verloochend wordt. Omdat de kinderen van God op aarde zijn, is hiermee onverenigbaar als ze zich bijzondere en verschillende namen geven. De eenheid van het lichaam wordt door het opstellen van reglementen of statuten of door verschillende namen praktisch verloochend. Hierdoor scheiden zij zich praktisch van de overige christenen die de betreffende namen of de onderscheidenlijke gemeente-ordening niet erkennen kunnen. Het is een contradictio in terminis (tegenspraak in termen), als men de eenheid van de kinderen van God als zodanig erkent, maar niettemin in bepaalde christelijke denominaties en systemen volhardt. Want het is niet wat je zegt, maar wat je doet is relevant. Niemand beoordeelt een mens naar zijn misschien mooie woorden, maar alleen naar zijn daden, en dat is ook heel goed. De Heer Zelf zegt: “Aan hun vruchten zult u hen kennen”. Het is daarom volkomen waardeloos met uw mond de eenheid van alle gelovigen te erkennen, terwijl men zich met anderen op de bodem van een christelijke vereniging met een bepaalde naam vergaderd. Wie zo handelt, weerspreekt zijn belijdenis.

Zo veroordeelt ook de Geest van God in de Korinthiërs, dat elk van hen zei: “Ik ben van Paulus ik van Apollos, ik van Kefas, en ik van Christus” (1 Kor. 1:12). Precies zo druist het in tegen de leer van de Schrift, als men vandaag zich naar deze of gene mens noemt, die God, zoals eens Paulus en Apollos, als instrument gebruikte.

Verbondenheid van de individuele leden van het lichaam

De waarheid van het ene lichaam laat ons ook zien, dat alle leden nauw met elkaar verbonden zijn, zodanig dat deze verbinding niet inniger zou kunnen zijn, dan zij daadwerkelijk is. Wilt men daartoe nog andere verbindingen invoeren, dan geeft men daardoor te kennen, dat de door de Geest van God bewerkte eenheid niet genoeg is. Welk doel kan het hebben dat Gods kinderen verbonden (verdragen) met elkaar sluiten? Zou men de verschillende leden van een menselijk lichaam nog door andere banden met elkaar willen verbinden, dan zouden de verbindingen van de leden onderling in geen geval inniger geworden zijn, maar ze zouden alleen maar in hun bewegingsvrijheid beperkt worden. Deze banden zijn dus niet alleen onnodig, maar zelfs schadelijk, en precies zo is het met het geestelijk lichaam.

Oecumene is NIET de eenheid van het Lichaam

Wat hebben we nu gezien de verdeeldheid van het volk van God in onze tijd te doen? Moeten de kinderen van God zo veel mogelijk op zoek gaan naar samenvoegingen, met andere woorden, moeten we de “eenheid” teweegbrengen? Zodra we dit doen, verklaren we de eenheid van de Geest, dat is de eenheid die de Heilige Geest bewerkt heeft, als niet bestaand.

Maar we zien in de Schrift dat God Zijn gedachten nooit opgeeft noch van Zijn bedoelingen afwijkt. Wanneer vandaag een ziel door het geloof in het verlossingswerk van Christus in een of andere christelijke denominatie wedergeboren wordt, tot welke ‘organisatie’ voegt de Geest van God hen toe? Tot lid van de desbetreffende denominatie? In geen geval, anders zou hij deze ‘organisatie’ als terecht bestaand erkennen in tegenstelling tot andere. Integendeel, de Geest van God voegt deze ziel toe aan een orgaan, die Hij zelf opgericht heeft op de Pinksterdag, namelijk de gemeente van de levende God. Een ander lichaam kent Hij niet, en wij moeten ook geen andere kennen, dat betekent erkennen. Die eenheid kunnen we niet bewerken maar moeten het bewaren, zoals geschreven staat: “… en u te beijveren om de eenheid van de Geest te bewaren door de band van de vrede” (Ef. 4:3).

De eenheid van de Heilige Geest bewaren

De ware Christenen zijn dus verplicht om de reeds bestaande eenheid van de Heilige Geest te bewaren en niet in haar plaats een menselijk bouwwerk te stellen. “bewaren” betekent zich zo te vergaderen en te gedragen, dat men alles op afstand houdt, wat de eenheid van de Geest in de praktijk loochent of opheft; en dit veronderstelt dat men de leer van deze eenheid – en daartoe behoort ook het bewaren ervan – alleen erkent en vasthoudt. Ondanks het verval in het midden van het christendom, de vele richtingen en partijen, ziet de Heilige Geest allen die wedergeboren zijn in één lichaam, het lichaam van Christus, verenigd en met elkaar verbonden door de band van liefde. Ja, ze zijn allen van één Geest doordrenkt. Het geloof stelt zich op dezelfde grondslag, en doet een christen die niet, dan gaat hij een eigenwillige weg met betrekking tot het getuigenis van God in de dagen van verval.

Het individu kan ook in deze donkere dagen met anderen die op dezelfde grondslag staan, die alleen tot de naam van de Heer Jezus samenkomen, de vertegenwoordiging van het ene lichaam, de gemeente van God, verwerkelijken. Hij kan in trouw aan het hele Woord van God vasthouden, zowel met betrekking tot de leer over de gemeente en haar getuigenis op aarde, alsook de leiding en de werking van de Geest in het midden van de heiligen en het gebruik van de door Hem geschonken gaven. Het individu kan voor het evangelie bidden en mee helpen voor zover God hem de gelegenheid geeft; en hij kan zijn plaats in het gezin en beroepsleven innemen volgens de gedachten God, en zo zal hij een licht zijn tot lof en tot verheerlijking van zijn Heer. Het is heel belangrijk en gezegend, de gemeente, die het voorwerp van Zijn meest intieme genegenheid en hoogste zegening is, in de dagen van verwarring en verval met zijn ogen te overwegen en met gelijkgezinden weer te geven.

Het is voor ons zeer bemoedigend om te zien dat ook de oudtestamentische gelovigen zich vast klampten aan de gedachte van de eenheid van het volk van Israël, hoewel zij geen vermaning als wij bezaten, “om de eenheid te bewaren”. Het twaalfstammige volk Israël vormde onder David en Salomo een koninkrijk, maar werd na de dood van Salomo in een tienstammenrijk (Israël) onder leiding van Jerobeam, en een tweestammenrijk (Juda) tijdens de regering van Rehabeam gedeeld. De profeet Elia bouwde een altaar van twaalf stenen, hij dacht in geloof aan alle twaalf stammen, hoewel slechts tien stammen aanwezig waren. Er staat in 1 Koningen 18 vers 31: “Elia nam twaalf stenen, overeenkomstig het getal van de stammen van de zonen van Jakob”. We zien hetzelfde geloof ook bij Hizkia, de koning van Juda, het tweestammenrijk; ook hij dacht ook aan gans Israël want hij liet een oproep uitgaan. “Zo stelden zij vast dat men door heel Israël, van Berseba tot Dan, een oproep zou laten uitgaan dat zij moesten komen om in Jeruzalem het Pascha te houden voor de HEERE, de God van Israël …”. “De ijlboden gingen door heel Israël en Juda op weg met de brieven van de hand van de koning en zijn leiders” (2 Kron. 30:5-6).

In latere dagen zien we bij het uit de ballingschap teruggekeerd overblijfsel hetzelfde principe. Hoewel slechts twee stammen in het land waren, wordt gezegd van hen in Ezra 6:17: “Zij offerden ter inwijding van dit huis van God honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en als zondoffer voor heel Israël twaalf geitenbokken, naar het aantal stammen van Israël”. Spoedig daarna brachten zij die uit de gevangenschap waren teruggekomen “… brandoffers voor de God van Israël: twaalf jonge stieren voor heel Israël … twaalf geitenbokken als zondoffer; alles als brandoffer voor de HEERE” (hfdst. 8:35).

Als we in deze gebeurtenissen zien, dat de gelovige Israëlieten aan het gehele twaalfstammige volk dachten, hoewel slechts een deel aanwezig was, en we de christenheid, of beter gezegd de wedergeboren christenen met hen vergelijken, dan hebben zij alle reden om zich te schamen. Hoeveel of hoe weinig denken in werkelijkheid aan het gehele volk van God, en niet alleen aan het deel, waartoe zij, onder een bepaalde naam misschien, behoren! En hebben niet degenen die zich afgezonderd van menselijke systemen alleen tot de naam van de Heer vergaderen, ook redenen, om bij de aanbidding meer dan ooit de eenheid van het volk van God, voorgesteld in het ene brood, te gedenken? Mogen zij allen met vreugde eraan denken, dat ze de verheven viering van de maaltijd van de Heer op grond van de eenheid van de Geest bij mogen wonen! Het is die zijde van de tafel van de Heer, die nooit daar tot uitdrukking komen kan, waar men zich tot een bepaalde naam verenigd heeft.

De verwerkelijking van de eenheid op een plaats

Er zullen in dagen van verval slechts een weinigen zijn, die de eenheid van de Geest bewaren  willen, de meeste van de overigen zijn onverschillig tegenover deze belangrijke waarheid. Aangezien er meestal nog andere christenen zijn in de plaats, dan zijn het maar een paar mensen die tot de naam van de Heer Jezus samenkomen. De Heer Jezus noemt de kleinste aantallen van de gemeenschap, twee of drie, en minacht het niet om in hun midden te zijn. Deze weinigen die alleen rondom de Heer Jezus vergaderd zijn, vormen weliswaar niet de gemeente van God in de plaats in kwestie – want daartoe behoren alle gelovigen die zich daar bevinden -, maar zij vertegenwoordigen de gemeente daar. Het is een sublieme plaats, die het kleine aantal inneemt: De Heer Jezus is in hun midden. Hun samenkomen ontvangt autoriteit door Zijn aanwezigheid, maar het resulteert ook hun verantwoordelijkheid, namelijk om alleen dat te doen wat overeenkomt met Zijn wil.

Hoe belangrijk is dan zelfs een kleine vergadering, als zij iemand naar tot gemeenschap aan de tafel van de Heer toelaat of van iemand daar van uitsluit, omdat hun handeling geldig is voor alle vergaderingen over de gehele aarde! Daarom moeten die broeders geestelijk zijn, zodat zij voorkomende zaken ook geestelijk, dat betekent volgens de gedachten van de Heer kunnen beoordelen. Wat een ernstige waarschuwing voor alle broeders die het hoge voorrecht hebben, om aan de genoemde dienst deel te mogen nemen! Mogen zij allen in een waarlijk geestelijke gezindheid voorgaan, doordat zij hun beoordeling eerst bij zichzelf en dan bij hun huis en pas dan daarbuiten verder werken laten!

Moge het ons allemaal ernst zijn met het oog op de eenheid van de kinderen van God, het als een schat in het hart te bewaren en in de praktijk van het leven te verwerkelijken!

Walter Briem

© www.bibelpraxis.de

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol