4 jaar geleden

De verootmoediging van Daniël

Een Bijbelse houding – naar het voorbeeld van Daniël

Daniël 9 vers 1-19

Daniël was ongetwijfeld iemand, die veel met de bijbelse profetie bezig was. Hij had een diep bewustzijn van het volgende: “alle Schrift is door God ingegeven en nuttig om te leren, te weerleggen, te verbeteren en te onderwijzen in de gerechtigheid” (2 Tim. 3:16).

Natuurlijk bezat hij geen Bijbel in de vorm waarin wij die vandaag in handen hebben. Echter, we weten dat hij in het bezit was van het boek Jeremia en het aandachtig bestudeerde. Toen hij dit boek las, realiseerde hij zich dat God de verwoesting van Jeruzalem in een beperkte periode van 70 jaar (verg. Jer. 25:11,12) had vastgesteld.

Nu keek de profeet Daniël terug in het verleden en herinnerde zich de jaren die hij aan het hof van Nebukadnezar had doorgebracht. Hij voegde aan deze tijd toe de jaren onder de Medische en Perzische heerschappij en kwam tot de conclusie, dat de 70 jaar bijna verstreken moest zijn (Dan. 9:2).

De dag die de Joden bevrijding zou brengen, was nabij gekomen. Daniël kon terugkijken op zeven decennia en herinnerde zich, hoe hij als jonge man onder Jojakim naar Babel was weggevoerd. Ondertussen was hij oud geworden.

Wat kunnen we daaruit voor ons leren? Het is duidelijk dat het hart en geweten van Daniël door het bestuderen van de profetie onder de indruk waren gekomen. Hij beoordeelde het minder vanuit intellectueel oogpunt, maar boog zijn knieën bij de gedachte aan het herstel van Juda.

Daniël zou ook gezegd kunnen hebben: “Als het Gods bedoeling is om Zijn volk te herstellen, zal Hij dit uitvoeren, onder welke omstandigheden dan ook. Daarover moet ik me nu werkelijk geen zorgen maken”.

Maar nee, dat God op het punt stond de harten van het volk om te keren en hen naar de plaats van vernedering en zelf-oordeel te leiden, bewoog hem diep.

Wat een zegen zou het voor ons betekenen, wanneer het bestuderen van dit boek op ons hetzelfde effect zou hebben. Als dit niet het geval is, dan ben ik bang dat het bezighouden met de profetie ons eerder zal verharden, dan dat onze toestand verbeteren zou. Moge dit toch niet het geval zijn! De studie van de profetie zou voor ons veelmeer een gelegenheid daartoe moeten zijn om uit te roepen: “O Heer, onze God, wij hebben gezondigd, wij hebben veel reden om te belijden. Uw volk heeft gefaald: Uw volk, tot wie wij behoren”. De zegen van God zou zeker ons deel worden als deze instelling bij ons gevonden zou worden!

In feite hebben wij veel reden om op onze knieën te gaan. Laten we alleen maar eens denken aan al het falen en de zonde die ons gemeenschappelijk getuigenis reeds verzwakt hebben.

Dit besef zal ons helpen om te vermijden, dat wij de fouten bij anderen zoeken. In plaats daarvan zullen we bereid zijn om ons onze eigen schande toe te geven. Soms hoor ik gelovigen die zich tegen deze of gene christelijke groep beroemen en opscheppen over hun eigen houding. En dat in onwetendheid omtrent hun eigen toestand. Hoe weinig zijn bij deze personen die gedachten en gevoelens binnengedrongen, die het hart van Daniël vervulden en hem aanleiding tot zijn belijdenis gaven.

Daniël klaagde noch de Joden aan, die in het verleden vele malen hadden gefaald, noch beschuldigde hij zijn tijdgenoten. In plaats daarvan richtte hij zijn blik omhoog naar God, en wel doordat hij vastte en zich kleedde in zak en as – een uitdrukking van zijn diepe berouw.

Verder lezen we dat Daniël bad en beleed: “Wij hebben gezondigd, wij hebben onrecht gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld, wij zijn in opstand gekomen door af te wijken van Uw geboden en bepalingen. Wij hebben niet geluisterd naar Uw dienaren, de profeten, die in Uw Naam spraken …” (Dan. 9:5,6). God had over Israël een oordeel laten komen en Daniël rechtvaardigt dit handelen hier.

Dan vraagt hij God om genade en vergeving, hoewel de mensen zoveel tegen Hem gerebelleerd hadden.

Hoeveel kunnen we toch van Daniël leren! Als we om ons heenkijken dan moeten we het falen onder ons christenen vaststellen: vleselijk gedrag en aanpassing aan de wereld. Laten we in het licht van deze dingen onze medebroeders en medezusters niet veroordelen! We willen niet in geestelijke hoogmoed vallen en zeggen: “Dank U, God, dat wij niet zo zijn als de anderen”. Nee, we willen veeleer daaraan denken, dat wij deel van deze christenheid zijn! Zo gemakkelijk kunnen we ons niet van andere christenen losmaken! We moeten de plaats van berouw met hen innemen en onze knieën in de tegenwoordigheid van God buigen – wij hebben gezondigd. Als we dit altijd in gedachten houden, zullen we ervoor bewaard worden, dat we ons boven andere kinderen van God verheffen, van wie we misschien denken dat ze veel minder licht hebben dan wij.

Zo willen we nu gemeenschappelijk in trouw jegens God onze weg gaan, gescheiden van alle onheilige verbindingen. Niet door over onze medechristenen recht te spreken, maar onze liefde en trouw veelmeer als voorbeeld  te laten dienen.

Wij willen graag de plaats van Daniël innemen: nederig en boetvaardig in de tegenwoordigheid van God komen. “O, God, wij” – niet zij – “Wij hebben gezondigd, wij hebben onrecht gedaan” (Dan. 9:5).

Als deze toestand bij ons aanwezig zou zijn, zouden we op Gods zegen kunnen rekenen en met vreugdevolle verwachting op een herstel mogen hopen.

Dit is wat in onze profeet zo helder straalt. Hij identificeert zich met zijn gevallen volk, hoewel hij een buitengewoon trouw man was.

Eenvoudig en gelovig ziet hij op naar God en vraagt Hem, dat Hij Zijn toorn van Jeruzalem afwenden zou en Zijn aangezicht weer over het verwoeste heiligdom zou laten schijnen. Wat een ernst en wat een waardigheid komen in de verzen 18 en 19 op de voorgrond: “Neig Uw oor, mijn God, en hoor! Open Uw ogen om onze verwoestingen en de stad te zien waarover Uw Naam is uitgeroepen, want wij werpen onze smeekbeden niet voor U neer op grond van onze gerechtigheden, maar op grond van Uw grote barmhartigheid. Heere, luister. Heere, vergeef. Heere, sla er acht op en doe het, wacht niet langer – omwille van Uzelf, mijn God. Over Uw stad en over Uw volk is immers Uw Naam uitgeroepen” (Dan. 9:18-19).

Wanneer gebeden  zo’n karakter hebben, zal een antwoord zeker niet uitblijven!

H.A. Ironside: ‘Lectures on Daniel’, bladz. 155-162.

© Bibelwork.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol