14 jaar geleden

De theologie van Rome (2)

Afgoderij van de Rooms-Katholieke kerk was in haar geschiedenis (en is nu nog) rijkelijk aanwezig. Wel zie je dat deze menselijke organisatie in onze dagen weer duidelijk aan de weg timmert en zich overal mee bemoeit in deze wereld en nog steeds haar relikwieën heeft en deze onverstoorbaar koestert. We willen dit fenomeen alsmede een ander fenomeen – het vagevuur – en de oorsprong ervan wat nader bekijken.

De verering van relikwieën1

De zucht, wij mogen wel zeggen de zwakheid, van onze menselijke natuur om waarde te hechten aan gedachtenissen van onze geliefden, werd door de vijand misbruikt om de Christenen tot de vernederendste soort van aanbidding af te voeren. Indien – zo redeneerde men – ons gevoel met betrekking op de gedenkstukken van onze menselijke liefde zo verklaarbaar, ja beminnelijk is, hoeveel te meer dan, waar het voorwerpen geldt van onze heiligste liefde, zoals de martelaren, de maagd Maria, de Heiland zelf! Doch de satan wist te bewerken, dat de Rooms-Katholieke Kerk een inwendige, onvernietigbare kracht toeschreef aan de overblijfsels van heiligen om wonderwerken te verrichten. Reeds in de dagen van Constantijn had de verering van relikwieën de vorm van bepaalde aanbidding aangenomen. Keizerin Helena, de moeder van Constantijn, in haar bijgelovige ijver om eer te bewijzen aan de plaatsen in Palestina, die getuigen waren geweest van ‘s Heilands leven en sterven, richtte prachtige gebouwen op boven de plaatsen, waar men vooronderstelde, dat Hij geboren, gestorven en opgevaren was. Gedurende de noodzakelijke uitgravingen, zo beweerde men, kwam het heilige graf aan het licht; en in het graf werden gevonden de drie kruisen en het door Pilatus in drie talen geschreven opschrift. De tijding van deze wondervolle ontdekking verbreidde zich snel in de gehele Christenheid, en verwekte grote beroering. Daar het de vraag was, tot welk van de kruisen het opschrift behoorde, besliste een wonder de aanspraken daarop van het ware kruis. Vreemd genoeg werden ook de nagels, waarmee de Heer aan het kruis gehecht was geweest, in het heilige graf gevonden. Deze kostbare schatten leverden een onuitputtelijk kapitaal voor de handel in relikwieën. Stukken van het kruis werden gemaakt tot kruisbeelden voor de rijken, en andere delen werden in de voornaamste kerken van het Oosten en Westen in kasten bewaard. Zo snel groeide het hout des kruises, dat er spoedig een heel woud uit voortkwam.

De zucht naar relikwieën nam door de kruistochten niet weinig toe. Uit Cesaréa werd naar Europa een groene glazen kelk overgebracht, die, naar men zegt, van smaragd is, en die beschouwd en vereerd werd als de “heilige beker”, die bij de instelling van het avondmaal gediend had. Een andere relikwie van veel vermaardheid was de rok zonder naad, in 1156, naar men voorwendde, gevonden te Argenteuil, alsook het overkleed, beiden door de Heer gedragen, en door keizerin Helena aan de aartsbisschop van Trier geschonken. In de Paasweek gaan jaarlijks de paus en vele kardinalen in processie naar de Sint Pieterskerk in Rome, waar van een balkon boven het standbeeld van de heilige Veronica drie relikwieën aan de verering van de geknielde gelovigen,worden voorgehouden, namelijk een stuk hout van het ware kruis, de helft van de speer, die ‘s Heilands zijde doorboorde, en het “heilig gelaat”. Dit laatste bestaat uit een stuk kledingstof, waarop de Heer op wondere wijze Zijn gelaat afgedrukt heeft, en hetgeen naar Italië was overgebracht ter genezing van keizer Tiberius toen deze melaats was.

Zou het mogelijk zijn, mogen wij wel vragen, de dwaasheid of ongerijmdheid verder te drijven dan bij deze relikwieën-verering in de Rooms-Katholieke Kerk, waar men mannen van opvoeding en beschaving naast de onwetende menigte in aanbidding ziet neergeknield voor een stuk vermolmd hout, een gebroken speer en een beschilderd stuk kledingstof. De grootste duisternis moet wel heersen daar, waar Gods Woord verborgen en het licht van de Geest gedoofd wordt. “Geeft eer de HEERE, uw God, eer dat Hij het duister maakt, en eer uw voeten zich stoten aan de schemerende bergen; dat gij naar licht wacht, en Hij dat tot een schaduw des doods stelle, en tot een donkerheid zette” (Jeremia 13:16).

Het vagevuur

Augustinus, bisschop van Hippo, is de eerste, die het denkbeeld van een tussentoestand opperde; maar zijn gedachten daaromtrent zijn onbestemd en onzeker. Eerst in de tijd van Gregorius de Grote, omtrent het jaar 60, nam de kerk van Rome het leerstuk van het vagevuur onder haar geloofsartikelen op. Sprekende over de toestand van de ziel na de dood, zegt Gregorius: “Wij moeten geloven, dat er voor geringe overtredingen een vuur van de loutering bestaat, aleer de oordeelsdag is aangebroken”. De decreten2 van het concilie van Trente verklaart zich hierover als volgt: Er is een vagevuur en de zielen, daarin aanwezig, worden geholpen door de medewerking der gelovigen, maar vooral door de aangename offerande van de mis. Deze heilige kerkvergadering beveelt alle bisschoppen ijverig mee te werken, dat de gezonde leer omtrent het vagevuur, aan ons overgeleverd door eerwaardige kerkvaders en gewijde concilies door Christus’ getrouwen geloofd, bewaard, geleerd en alom verkondigd worde … In het vagevuur worden de zielen van de rechtvaardigen door een tijdelijke straf gereinigd, ten einde te worden toegelaten in die eeuwige gewesten, waar niets kan binnenkomen, hetwelk ontreinigt … De offerande van de mis wordt gebracht ten behoeve van hen, die in Christus gestorven, maar nog niet volkomen gereinigd zijn”.

Roomse schrijvers beproeven dit afschuwelijk leerstuk te verdedigen met enkele Schriftplaatsen, maar voornamelijk met de apocriefe boeken en de overlevering. Bij de laatste twee houden wij ons niet op, omdat zij geen gezag hebben. Uit de Heilige Schrift voert men teksten aan als Mattheüs 5:26: “Gij zult daar geenszins uitkomen, voordat gij de laatste penning betaald hebt”. Hier spreken de Roomsen zichzelf tegen; want als sommige zonden vergeven worden in het vagevuur, hoe kon dan Mattheüs spreken van het betalen van de laatste penning. Vergeven is, zoals ieder verstaat, het omgekeerde van de laatste penning te doen betaten. Verder 1 Petrus 3:18-19: “… levend gemaakt in de Geest, in welke Hij ook heengegaan is in de Geest en gepredikt heeft tot de geesten in gevangenschap”. Deze tekst kan geen betrekking hebben op de gewaande gevangenis van het vagevuur; want zij, die schuldig zijn aan doodzonde, komen daar niet. Die vóór de zondvloed leefden, waren nochtans aan doodzonde schuldig, omdat zij ongelovig waren; terwijl het concilie van Trente zegt, dat het vagevuur is voor hen, “die in Christus gestorven, maar nog niet volkomen gereinigd zijn”. Ook leert Petrus volstrekt niet, dat Christus in persoon predikte. Hij predikte in de Geest in de persoon van Noach aan de mensen vóór de zondvloed, die nu in de gevangenis zijn.

Er is veel onbestemdheid bij de Roomse schrijvers, en zelfs bij het concilie van Trente, omtrent de plaats waar het vagevuur, en wat het werkelijk is. Meest wordt gedacht, dat het zich bevindt onder de aarde dicht bij de hel; dat het een tussenruimte beslaat tussen de hemel en de hel, waar de ziel door het vuur gaat, alvorens de hemel te bereiken. Op welke manier een geest door stoffelijk vuur gereinigd wordt, dit hebben de Roomse schrijvers zich wel gewacht te bepalen. “Die in de tussentoestand verkeren”, zegt het concilie van Florence in 1439, zijn in een plaats van kwelling, maar of het een vuur zij, of onweer, of iets anders, daarover twisten wij niet”. Zo verdeeld zijn de beste Roomse godgeleerden hieromtrent, dat enigen menen, dat de ziel plotseling wordt overgebracht uit een buitengewone hitte in een ongemene koude. Door de vage bespiegelingen van Augustinus en de gewaagde leerstukken van Gregorius werden spoedig voor echte munt verklaard door middel van dromen en visioenen. In de Middeleeuwen had men reizigers naar deze onderaardse gewesten, die een onderzoek naar de geheimen van het vagevuur instelden en publiek maakten. Ziehier een voorbeeld, dat het minst stuitende is, wat wij kunnen vinden.

Het gewest van het vagevuur

Drithelm, wiens geschiedenis meegedeeld wordt door geen minder gezaghebbende schrijvers dan Beda en Bellarminus, werd op zijn reis begeleid door een engel in blinkende kleding, en schreed in dit gezelschap voort naar de opgaande zon. De reizigers kwamen ten laatste in een heel groot dal. Deze streek was aan de linkerzijde bedekt met brandende ovens, aan de rechterzijde met ijs, hagel en sneeuw. Het hele dal was vol mensenzielen, die door een storm naar alle richtingen heengeslingerd schenen te worden. De ongelukkige geesten, niet in staat in het ene gedeelte de hevige hitte te verdragen, ijlden naar het andere gedeelte in de ijzige koude, dat hen opnieuw terugdreef in de verzengende vlammen, die niet geblust konden worden. Een talloze menigte misvormde zielen werden op deze manier gejaagd en geplaagd zonder enige onderbreking. De engel, die Drithelm geleidde, verklaarde, dat hier de strafplaats was voor hen, die hun biecht en bekering uitstelden tot het uur van de dood. Zij allen zullen nochtans op de jongste dag worden toegelaten in de hemel, terwijl sommigen tengevolge van aalmoezen, waken en bidden, maar vooral de mis, nog vóór het laatste oordeel ontslagen zullen worden”. Gelijk men met een oogopslag ziet, is dit visioen behendig gekozen om krachtig te werken op de vreesachtigen, om de priestermacht te vermeerderen, en de legaten aan de kerk ruim te doen vloeien. En dat dit gelukte, bewijst het geval van een oprecht gelovige vrouw, die door het pauselijk stelsel verblind, tot de Rooms-Katholieke Kerk was overgegaan en nu haar hoop uitdrukte niet langer dan vijfhonderd jaar in het vagevuur te zullen moeten blijven. Had de arme ziel slechts gelezen en geloofd, wat Paulus zegt aan de Kolossers (1:12): “En dankt de Vader, die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben aan de erfenis van de heiligen in het licht”; of wat de Heer zei tot de moordenaar: “Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn!” (Lukas 23:43).

De aanwending van de leer van het vagevuur

Hetgeen, waartoe de leer omtrent het vagevuur wordt aangewend, is in de eerste plaats om te werken op de vrees en de hoop der menigte. Wat zou de jonge vrouw, hierboven bedoeld, of wat zou, die haar liefhad, niet geven om haar te redden van die vijfhonderdjarige kwelling in deze plaats van schrik? Zielen uit het vagevuur te bidden door middel van missen, ten hare behoeve gevierd, werd een rijke bron van inkomsten voor de Rooms-Katholieke Kerk. Ten tweede ontsproot mede uit dit bijgeloof de schandelijke handel in pauselijke aflaten, teneinde de smarten in deze tussentoestand te lenigen. Doch er is nog een ander ontzettend kwaad aan dit dogma verbonden, namelijk de macht de priesters over zijn slachtoffer, zelfs na de dood. Hij maakt de scheidende ziel wijs, dat zij altijd nog van zijn invloed afhankelijk blijft; dat hij de sleutels van het vagevuur bezit, en dat van het woord van zijn lippen vrijspraak of veroordeling afhangt. Zeker, dit zijn de diepten van de satan, waarin door te dringen ons verschrikken doet.

De Griekse, Abessinische en Armeense kerken verwerpen in naam de leer van het vagevuur, maar in wezen hangen zij haar aan. Gebeden en missen voor de gestorvenen worden opgezegd, en wierook gebrand boven hun grafsteden.

Wordt D.V. vervolgd.

A. Miller, Algemene Geschiedenis van de Christelijke Kerk

NOTEN BEWERKER:
1. Relikwie: benaming voor de vereerde overblijfsels van heiligen, of van dingen die met Christus of de heiligen in aanraking zijn geweest (van Dale).
2. Decreten: verordeningen.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW