14 jaar geleden

De vijf tegenwerpingen van Mozes (II)

Toen Mozes door de Heer geroepen werd om naar de farao te gaan kwam hij met vijf tegenwerpingen. Iets wat ons ook allemaal wel in het bloed zit. De één misschien wat meer dan de ander. Hier volgen dan de eerste twee …

De eerste tegenwerping – “Wie ben ik?”

Exodus 3:1-12.

Hoe gemakkelijk valt een mens van het ene in het andere uiterste! Dat zien we ook bij Mozes. Hij acht zichzelf volkomen onbekwaam, zo’n grote opdracht uit te voeren, hoewel God hem dit uitdrukkelijk beveelt. “Zo kom nu, en Ik zal u tot farao zenden …” (vers 10). Wat zegt Mozes dan? “Wie ben ik?” (vers 11). Dit lijkt op een uiterst bescheiden houding, maar in feite verraadt dit zijn gebrek aan vertrouwen op de Heer. Als ik op mijzelf zie, komt er ook niets van terecht. Mozes hoefde ook helemaal niet iemand te zijn. God moest alles voor hem zijn, dan was het helemaal niet meer belangrijk of hij zichzelf wel of niet capabel vond voor deze dienst voor de Heer. Datzelfde geldt voor ons natuurlijk ook. Dan is het volgende van toepassing: “Ik vermag alles door hem die mij kracht geeft” (Filippi 4:13).
Wat doet God dan? Stuurt Hij dan Mozes weg, zet Hij hem aan de kant? Neen! De Heer geeft hem een belofte. O, het Woord van God staat zo vol met beloften. Zij alle voorzien in onze behoeften. Zo ook hier. “Ik zal met u zijn”, was het antwoord van God op Mozes bedenking. Toen Mozes honderdtwintig jaar oud was en de gevolgen van zijn ‘weerspannigheid’ onder ogen zag (zie Numeri 27:12-23) zei hij ondermeer het volgende tegen Israël: “… Weest sterk en hebt goede moed, en vreest niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht; want het is de HEERE, uw God, Die met u gaat; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten” en “De HEERE nu is Degene, Die voor uw aangezicht gaat; Die zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten; vrees niet en ontzet u niet” (Deuteronomium 31:6, 8). Ongetwijfeld heeft Mozes dit door schade en schande geleerd. Deze les vangt hier al aan bij het begin van zijn dienst voor de Heer. Maar de Heer bemoedigt hem, want het was Zijn plan om Mozes tot redder van Zijn volk te doen zijn. Zo bemoedigt de Heer ook ons. We lezen immers ook in het Nieuwe Testament: “… weest tevreden met wat u hebt; want Hij zelf heeft gezegd: ‘Ik zal u geenszins begeven en u geenszins verlaten’, zodat wij vrijmoedig mogen zeggen: [De] Heer is mij een helper en ik zal niet vrezen; wat zal een mens mij doen?”. Wat zei de Heer tegen de apostel Paulus? “Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht” (2 Korinthe 12:9).

God is genadig. De eerste tegenwerping gaat dus over de persoon van Mozes zelf. God gaat op deze tegenwerping van Zijn knecht in en zegt: “Ik zal voorzeker met u zijn”. Bovendien krijgt Mozes nog een bepaald teken, dat God hem gezonden had, namelijk “gij zult God dienen op deze berg” (vers 12). Dat is dus de berg Horeb waar God Mozes ontmoette en Zich in het brandende braambos aan hem openbaarde. Vanaf die plaats zond God Mozes als “Bevrijder” naar zijn volk.
Hoe had deze genadige verzekering al zijn bedenkingen moeten doen verdwijnen! Maar Mozes is nog vol onrust, ook met het oog op het gedrag van het volk, dat hem immers een scherpe berisping gegeven had.
Dat wij mogen leren onze trouwe Heer volledig en zonder voorbehoud te vertrouwen, ook wanneer naar onze mening er vragen overblijven!
God staat boven alles en Hij is in staat alle dingen naar Zijn gedachten uit te voeren, ook wanneer het volgens ons onmogelijk lijkt.

De tweede tegenwerping

Het hart van de mens zit vol met vragen. En juist wanneer God onvoorwaardelijke gehoorzaamheid vraagt, zitten die vragen ons in de weg. Dan gaan we filosoferen, dan overleggen we bij ‘onszelf’, dan gaan we vaak te rade bij ‘vlees en bloed’ (zie Galaten 1:16). En dat moet nu juist net niet. We zouden bij Hem te rade moeten gaan. Mozes vroeg zich af of het volk hem wel geloven zou wanneer hij zei op gezag van welke naam hij tot hen kwam. Dit baarde hem grote zorgen. Hij had zijn twijfels of het volk zijn legitimatie wel zouden aannemen. Maar God ging ook op deze tegenwerping in en nam het juist tot aanleiding om Zijn Naam in een nieuwe, tot nu toe nog niet gekende verhouding tot Zijn volk, te openbaren. En wel als de “IK ZAL ZIJN DIE IK ZIJN ZAL”, of “IK BEN, DIE IK BEN”. In deze naam liggen al Zijn andere namen opgesloten. De namen waarin God Zich aan de Zijnen openbaart, hebben alle in zich, dat het voorziet in de verschillende behoeften van Zijn volk. Denk maar aan “Jehovah-Jireh”, dit is: de Heer zal voorzien (Genesis 22:14); “JehovahNissi”, dit is: de Heer is mijn banier (Exodus 17:15); “JehovahTsidkenu”, dit is: de Heer is onze gerechtigheid (Jeremia 23:6). Zo zijn er nog meer namen. Dit is dus wat we kunnen lezen in Hebreeën 1:1: “Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had”.

Er ligt een geweldige rijkdom in al die verschillende namen van de Heer. Hier wijs ik op de meest verheven naam die wij als Christenen mogen kennen, namelijk de Vadernaam. De Heer Jezus heeft ons deze naam geopenbaard na Zijn opstanding (Johannes 20:17). Het volk Israël kende (en kent) God dus in deze naam niet!!! Het is ook door de Heilige Geest dat wij deze naam aanroepen: Abba, Vader! (Galaten 4:6-7). Dit staat in nauw verband met het kennen van het kindschap en het zoonschap van God. Maar wat is het een intense vreugde en zegen dat wij gemeenschap mogen hebben met de Vader en met Zijn Zoon (1 Johannes 1:3).

Ook kennen we de naam “IK BEN” in het Nieuwe Testament. De Heer Jezus zei immers: “Ik ben de weg en de waarheid en het leven”; “Ik ben het brood van het leven”; “Ik ben de goede herder”; “Ik ben het licht van het leven”; “Ik ben de opstanding en het leven”, enzovoorts?

Gevolgen van de inwoning van de Heilige Geest

Het volk Israël had de Heilige Geest niet inwonend. Dit in tegenstelling tot ons (zie onder andere Johannes 14:18). Het zou hier te ver voeren om na te gaan wat de gevolgen van de inwoning van de Heilige Geest zijn, maar ik beveel het van harte aan om er eens over na te denken en er bij stil te staan. Het volgende overzicht kunnen je daarbij helpen:

  1. Maakt ons tot Christenen (Handelingen 11:26; Romeinen 8:9; 1 Petrus 4:16; Judas :19);
  2. geeft inzicht in het kindschap en zoonschap en van de Vader (Galaten 4:6; Romeinen 8:15-16; Efeze 2:18; Markus 14:36);
  3. geeft kennis van de liefde van God (Romeinen 5:5);
  4. is de bron om voor anderen tot zegen te kunnen zijn (Johannes 7:38);
  5. geeft leiding in ons leven (Romeinen 8:14; Galaten 5:16-18, 25);
  6. geeft leiding in het dienen van de Heer (Handelingen 16:6-10, 13:1-4, 20:28);
  7. geeft kracht en bekwaamheid voor het dienen (Lukas 24:49; Handelingen 1:8; 1 Korinthe 2:13, 12:1-11; 1 Petrus 1:12);
  8. is het onderpand van God (Romeinen 8:11; 2 Korinthe 1:22, 5:5; Efeze 1:14).

God heeft een eeuwige band met het volk Israël!

“Toen zeide God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: De HEERE, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dat is Mijn Naam eeuwig, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht” (Exodus 3:15).
Hieruit blijkt duidelijk dat God nu in onze dagen nog altijd de God van Israël is. Dat was Hij toen Hij dit volk uit Egypte verloste, dat was Hij in de 2e wereldoorlog toen de joden vervolgd werden en dat is Hij nu nog! “Dat is Mijn Naam eeuwig”, zegt God hier. Hoewel Hij Zich nu anders bezig houdt met hen, blijft waar dat God Zijn volk niet voor eeuwig verstoten heeft (Romeinen 11:2). Israël was, is en blijft het volk van God. Het is zelfs zo, dat God de grenzen van de volkeren heeft vastgesteld met Israël als uitgangspunt. Daar hield God als eerste rekening mee. Israël is het middelpunt van de raadsbesluiten van God; het is Zijn volk, Zijn Eerstgeborene. Een eerstgeborenen heeft de eerste rechten. Daar verandert geen enkele Palestijn iets aan (als u hierover meer wilt lezen, verwijs ik u naar het artikel: “Blijf van de joden af” uit nr. 36, dit nummer dus). Uit de geschiedenis van de verlossing uit Egypte zien we dat ook duidelijk. Farao wilde het volk Israël niet laten gaan. Toch moest hij wel en het kostte hem uiteindelijk zijn leven.
Tot aan het brandende braambos toe had God Zijn volk ontmoet als de Almachtige, de God van de vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob. Maar vanaf hier noemt Hij Zich dus met een naam voor de ‘eeuwigheid’, als gedachtenis van geslacht tot geslacht.

Wat een kostbare openbaring van God, Die omzag naar Zijn volk, hun ellende zag en kwam om dit ‘onwaardige’ volk uit liefde te redden en hen uit de slavernij te voeren. Zo heeft God ook ons getrokken uit de duisternis, uit de slavernij van de zonde en de slavernij van deze wereld, uit de slavernij van satan, de overste van deze wereld. God bracht ons op de weg van het leven en zette ons over in een land, dat het nieuwe testament de ‘hemelse gewesten’ noemt (Efeze 1:3), dat geestelijk gezien overvloeit van melk en honig. Zo schenkt God ons hemelse zegeningen van boven. Ook wil Hij voor ons hier op aarde in alle omstandigheden zorgen (Filippi 4:4-7; 1 Petrus 5:7). Als we dit inzien, dit geloven en ervaren, brengt dit ons tot dankbaarheid en zullen we God onze Vader en onze Heer en Heiland, Jezus Christus, loven en prijzen!

Wordt zo de Heer wil vervolgd.

Bronnen: Door het oog der profeten, A. Luijben

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW