4 jaar geleden

De raad van de ouden

“Maar hij verwierp de raad van de oudsten die zij hem hadden gegeven, en pleegde overleg met de jonge mannen die met hem waren opgegroeid en bij hem in dienst waren” (1 Kon. 12:8). Deze zin kenmerkt het begin van de regering van Rehabeam, de zoon van Salomo. En het zou verstrekkende gevolgen hebben, weliswaar niet voor altijd (1 Kon. 11:39), maar toch wel tot in de huidige tijd.

De splitsing van het twaalfstammen-rijk van Israël, die het resultaat zijn van dit handelen, zal pas kort vóór de oprichting van het vrederijk ten einde zijn.

Maar is het gewoon een oude geschiedenis, of moeten we vandaag er iets van leren? In het Nieuwe Testament zijn lessen die in deze richting verder gaan: “Evenzo, jongeren, wees aan de ouderen onderdanig” (1 Petr. 5:5). Deze woorden zijn in onze tijd en onze omgeving, waar jongeren zo veel mogelijk zich “vrij” moeten ontwikkelen en de mens zichzelf tot maatstaf moet zijn, zeer impopulair. Deze ontwikkeling zullen ook christenen die God en Zijn Woord willen volgen, niet gespaard blijven. En hoe ziet het er in dit verband bij ons “jongeren” eruit?

Het kan zijn dat jonge christenen al een zekere “kennis” van het Woord van God verwerven konden, wat positief is. Maar komen we dan niet heel gemakkelijk ertoe de ouderen (we bedoelen daarmee broeders en zusters die al een hele tijd op de weg van het geloof gaan en een zekere leeftijd bereikt hebben) en hun raad gering te achten en hen niet meer serieus nemen? Misschien denken we dat we alles beter doen. Het kan zijn dat er door de oudsten in het verleden fouten gemaakt zijn, die men toe moet geven en belijden moet. Dan is het goed dat het naar voren komt en een gemeenschappelijke verootmoediging plaatsvindt. Toch geeft dit jongeren niet het recht om de ouderen te verachten. Zij hebben een levenservaring die jongeren nog niet kunnen hebben.

Het zou niet goed en alleen tot onze eigen schade zijn, als ouderen vanwege de aanhoudende kritiek ontmoedigd worden en de toezicht alleen nog in gedwongen mate gebeuren kan (1 Petr. 5:2). En we denken eraan: wat zullen zij, die nu nog kinderen zijn, later van ons zeggen? We moeten aannemen dat ze ook fouten en mislukkingen bij ons vinden zullen. Elia geeft de volgende verklaring: “… want ik ben niet beter dan mijn vaderen” (1 Kon. 19:4).

Het kan zijn dat de Heer bij de een of andere zaak genade en succes geeft. Maar uit onszelf zijn we niet beter dan onze voorouders. En we houden vast dat de autoriteiten die God heeft gegeven, of het nu de ouders, de oudere broeders of zusters van de lokale gemeente (kerk) zijn, dat zij goed en geschikt voor ons waren/zijn, zelfs als we er soms moeite mee hebben. En laten we eerlijk zijn: Hoeveel zou u uit het woord van God begrijpen, als u niet de uitleggingen van hen zou hebben, die ons voorgegaan zijn? Ik ben bang dat het met “onze wijsheid” snel voorbij zou zijn. Daarom willen wij eerder dankbaar zijn en gehoor geven aan de adviezen van de ouderen en onszelf aan hen onderwerpen, zelfs als een besluit ons niet zo smaakt (tenzij het ​​echt tegen de heldere gedachte van de Heilige Schrift zou zijn). De Heer zal ons helpen om innerlijk rustig te worden en beslissingen van ouderen te accepteren.

Carsten Verwaal

© Bibelpraxis.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol