1 jaar geleden

De profeet Daniël (07)

 

Daniël 3 vers 1-7

In hoofdstuk 2 hadden we de uiterlijke ontwikkeling van deze vier wereldrijken gezien. In de hoofdstukken 3 tot en met 6 vinden we nu historische gebeurtenissen, namelijk in Daniël 3-5 met betrekking tot het eerste wereldrijk van de Babyloniërs, en in Daniël 6 een historische gebeurtenis met betrekking tot het tweede wereldrijk van de Meden en Perzen. Maar het zijn niet alleen historische gebeurtenissen, ze hebben ook een profetisch karakter. In het beeld dat Nebukadnezar voor zichzelf opricht in dit hoofdstuk hebben we een hint van de gruwel der verwoesting die later in de tempel zal worden opgericht (Math. 24:15), afgoderij in zijn ergste vorm. En in de drie vrienden in de oven van vuur hebben we een hint van het lijden van het overblijfsel in de periode van de grote verdrukking.

Deze vier hoofdstukken kunnen als volgt worden gekarakteriseerd:

  • Hoofdstuk 3: de poging om eenheid te bereiken door wereldse religiositeit;
  • hoofdstuk 4: het hoofd wordt een beest, alle bewustzijn van God gaat verloren;
  • hoofdstuk 5: de goddeloosheid en aanmatiging van Belsazar, waarin hij God te schande maakt;
  • hoofdstuk 6: de mens maakt zichzelf tot God in koning Darius van de Meden.

En toch heeft God op al deze verschrikkelijke dwalingen een antwoord, en alle vier de hoofdstukken eindigen ermee dat God zegeviert. Als we bedenken, dat we nu in deze tijden van de volkeren leven, dan moeten we toch beseffen dat ook de huidige regeringen uiteindelijk deze tekenen dragen. We moeten ons geen valse indrukken maken van onze zogenaamde christelijke regeringen; het morele karakter voor de hele periode van de tijden van de volkeren is altijd hetzelfde.

“Koning Nebukadnezar maakte een gouden beeld, waarvan de hoogte zestig el was, en zijn breedte zes el. Hij richtte het op in het dal Dura, in het gewest Babel” (vs. 1).

Nebukadnezar had kort daarvoor een openbaring van de God van de hemel gehoord, maar zijn reactie daarop was slechts een kortstondige religieuze opleving geweest, een vorm van godsvrucht, een vrome belijdenis, in zijn hart was hij nog ver van God (Matth. 15:8). Zijn lippen spraken schijnbaar welluidende woorden, maar zijn hart kon niet geloven. Wat zijn hart werkelijk bewoog vinden we in dit hoofdstuk. Deze zelfverheerlijking in openbaar gevierde afgoderij is het bijtende element van wereldse heersers en is de wortel van hun naderend einde. In dit en de volgende hoofdstukken kunnen we zien waar deze wereldse koninkrijken onder hebben geleden en uiteindelijk aan ten onder zijn gegaan.

Nebukadnezar is een verbijsterend voorbeeld, dat er een vergeefs geloof bestaat (1 Kor. 15:2). Als men alleen gelooft op grond van uitwendige effecten en manifestaties van kracht, als alleen dat de inhoud van het geloof is en niet tegelijkertijd het geweten wordt aangeraakt en een werk van God aan de ziel kan worden gedaan, dan is wat men pretendeert te geloven tevergeefs. Johannes 2 vers 23-25 toont ons ook zo’n voorbeeld van geloof, een voor waar houden op grond van bewijzen, waar geen beweging in het hart was, waar geen werk van God in de ziel had plaatsgevonden. Nebukadnezar had ook geloofd, dat de God van Daniël de ware God was en dat deze God de bron was van de openbaring die Daniël had ontvangen. Maar dit was te weinig. Daniël 4 vers 5 laat duidelijk zien dat hij altijd aan zijn God had vastgehouden. Als men alleen kennis neemt van het uiterlijke bewijs en gelooft dat het waar is, en dan zijn weg vervolgt, dan is dat de weg naar de ondergang. Hetzelfde zien we bij Simon de tovenaar (Hand. 8:13-21).

Van Genesis 10 tot Openbaring 18 is Babel steeds het beeld van religieuze macht, gekenmerkt door de verheerlijking van de mens tot aan de vergoddelijking van de mens en het gebruik van geweld. Dit blijkt al bij Nimrod, de eerste koning van Babel, die een machtig jager was (Gen. 10:8,9). Jagen is het gebruik van geweld dat niet nodig is, het plezier van het doden. En dan vinden we het tweede kenmerk in Genesis 11 vers 4, waar het volk van Babel naam wilde maken door een toren te bouwen die tot in de hemel reikt. En deze twee kenmerken vinden we nog steeds in het Babel van de eindtijd, hoewel het dan alleen een religieus machtssysteem zal zijn, de verheerlijking van de mens en het gebruik van geweld.

Het lijkt er bijna op dat Nebukadnezar werd geïnspireerd tot het oprichten van dit gouden beeld door de uitleg van de droom waarin hem werd verteld, dat hijzelf het hoofd van goud was. Hij maakte dit beeld uit zichzelf, waarvoor iedereen dan moest buigen. Later deed Rome iets soortgelijks tijdens de christenvervolgingen, waarbij de gelovigen werd beloofd dat als zij neerknielden voor de keizer, zij in leven zouden blijven. De afmetingen van dit beeld zijn enorm, het was tien keer zo hoog als breed, 30 meter hoog en 3 meter breed. Het herinnert inderdaad ook aan de gruwel der verwoesting in Openbaring 13 vers 15-17, waar de antichrist dit beeld zal oprichten en wie er niet voor neervalt, zal omkomen. Nebukadnezar had zijn andere goden niet afgeschaft, dat blijkt uit Daniel 3 vers 14; maar met deze superidool wilde hij alle verschillende religieuze stromingen en godsculturen van zijn enorme rijk op een eenvoudige manier samenbrengen. Hij introduceert hier een eenheidsreligie op het eenvoudigste niveau om de politieke eenheid en misschien ook het voortbestaan van zijn rijk veilig te stellen. Deze afgodsbeeld spreekt de natuurlijke mens aan, want ieder mens draagt een zekere religiositeit in zich, en als die dan zo indrukwekkend wordt gepresenteerd als dit 30 meter hoge beeld van goud hier, dan verbindt dat de mensen.

Daniël 3 vers 2-7:
2. En koning Nebukadnezar stuurde een boodschap om de stadhouders, de machthebbers, de landvoogden, de raadsheren, de schatbewaarders, de rechters, de magistraten en al de autoriteiten van de gewesten te verzamelen, om naar de inwijding van het beeld te komen dat koning Nebukadnezar had opgericht.
3. Toen kwamen de stadhouders, de machthebbers, de landvoogden, de raadsheren, de schatbewaarders, de rechters, de magistraten en al de autoriteiten van de gewesten bijeen voor de inwijding van het beeld dat koning Nebukadnezar had laten oprichten. En zij stonden voor het beeld dat Nebukadnezar had opgericht.
4. En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan, volken, natiën en talen:
5. Op het moment dat u het geluid hoort van de hoorn, fluit, citer, luit, lier, panfluit [1], en allerlei muziekinstrumenten, moet u neervallen en het gouden beeld aanbidden dat koning Nebukadnezar heeft opgericht.
6. Wie niet neervalt en aanbidt, zal op hetzelfde ogenblik midden in de brandende vuuroven worden geworpen.
7. Daarom, zodra al de volken het geluid hoorden van de hoorn, fluit, citer, luit, lier, en allerlei muziekinstrumenten, vielen op datzelfde tijdstip alle volken, natiën en talen neer, en aanbaden het gouden beeld dat koning Nebukadnezar had opgericht.

Wanneer God in de tijd van de volkeren de mens macht geeft, rijst altijd de vraag of de mens zich deze gegeven macht waardig zal bewijzen. Dit hoofdstuk laat ook zien, zoals destijds bij Mozes, dat macht in de handen van mensen een slang wordt (Ex. 7:10), de mens heeft zich nooit waardig bewezen voor deze macht.

Voor de inwijding van het beeld werden de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht, alle ambtenaren, machten en vertegenwoordigers van de heersende klasse van het land bijeengeroepen om dit beeld te aanbidden. In feite moesten zij het gewone volk laten zien, dat dit nu de te volgen religie was. En allen volgden deze oproep, misschien niet allemaal vrijwillig, maar ze volgden omdat ze wisten, dat de dood hen bedreigde als ze niet gingen. Wanneer een massabeweging opgestookt door Satan begint, moeten allen volgen. Behoren wij vandaag tot de massa die ook achter bepaalde afgoden aanloopt?

Onze voorvaderen hebben een dergelijke machtsuitoefening op religieus gebied ook meegemaakt toen het verbodstijdperk aanbrak. Adolf Hitler liet zich met de kreet “Heil Hitler” aanbidden als de vermeende redder van zijn volk, en gaf vervolgens ook bepaalde voorwaarden aan de gelovigen als ze wilden samenkomen. En een schrikbarend aantal gelovigen stemde in met deze statuten, alleen maar om te kunnen samenkomen. Maar laten we ook niet vergeten hoe gelovigen in deze tijd de kracht hadden om zich hiertegen te verzetten en vervolgingen en gevangenschap op zich te nemen – de Heer verheerlijkte Zichzelf in deze tijd doordat Hij een zwak getuigenis kreeg van Zijn gemeente. En wat een zegeningen hebben wij daardoor ontvangen! Onze voorvaderen hebben geleden, en wij mogen ook vandaag nog de zegen van hun trouw ervaren.

De verschillende muziekinstrumenten worden hier vooral gebruikt als signaal om aan te geven wanneer men voor het beeld moest neervallen. Maar muziek heeft ook een verleidelijke invloed op de gevoeligheden van mensen. En zo zien we ook hier dat Nebukadnezar eigenlijk twee middelen gebruikt om de gevoelens van de natuurlijke mens en zijn vlees aan te spreken:

  • Het oog wordt geboeid door dit indrukwekkende en machtige beeld van goud; dit beeld is een visuele poort – ware aanbidding zet daartegenover het Woord van God;
  • het oor wordt aangesproken door middel van muziek; in muziek kan de stijl door de eeuwen heen veranderen, maar het doel van de invloed is altijd hetzelfde – in ware aanbidding heeft God liederen gegeven die opnieuw zijn Woord bevatten en uitdrukken. De vele verschillende muziekinstrumenten die in deze verzen drie keer worden herhaald, geven aan, dat er voor elk wat wils was. Zelfs in onze tijd bedreigen sommige gevaren ons via de poort van de muziek. De oorsprong van muziek vinden we in Genesis 4 vers 21, waar Jubal gescheiden van God vrolijk wilde zijn.

Vraag: Heeft Nebukadnezar ook een profetische betekenis in dit gedeelte? Staat hij misschien voor de antichrist of voor de vorst van het komende Romeinse Rijk?

Bij het bekijken van een passage zijn er altijd verschillende aspecten. Eerst en vooral willen wij altijd de concrete interpretatie van de betrokken passage in haar bijbelse context begrijpen en vaststellen. Toepassingen zijn altijd uitbreidingen van de leer naar geheel andere gebieden. Wij lopen gemakkelijk het gevaar te ver te gaan met toepassingen. Natuurlijk kan men toepassingen maken, maar we moeten ons dan altijd afvragen of we de eigenlijke interpretatie al goed begrepen hebben. En dan hebben we vaak nog het aspect van profetie van een passage, op welke toekomstige gebeurtenissen wijst een passage naast de letterlijke historische interpretatie ervan, want natuurlijk kan de geschiedenis ook profetische leringen bevatten.

In hoofdstuk 2 hebben we het door God geïnspireerde verslag van de vier wereldrijken die destijds met Nebukadnezar zijn begonnen en die tot een einde zullen komen bij de verschijning van de Heer voor de oprichting van Zijn koninkrijk. Deze vier koninkrijken zullen in volgorde verlopen en elkaar opvolgen. Vervolgens hebben we in de hoofdstukken 3 tot en met 6 beschrijvingen van het praktische gedrag van de koningen Nebukadnezar, Belsazar en Darius, die specifieke kenmerken van deze koninkrijken duidelijk maken. Dus wanneer Nebukadnezar dit beeld hier in hoofdstuk 3 laat oprichten, verwijst dit in de eerste plaats naar hemzelf en niet naar het vierde, nog toekomstige koninkrijk. Het moet duidelijk, zijn dat hier niet het karakter specifiek van de laatste dagen van het Romeinse Rijk wordt beschreven, maar dat van het Babylonische Rijk. Wanneer het Romeinse Rijk dan in toekomstige dagen wordt opgericht, zal het echter de karaktertrekken dragen van alle voorgaande rijken. Het karakter van het Babylonische Rijk zal ook in het Romeinse Rijk terugkeren.

 

NOOT:
1. 3:5 panfluit – Het gaat hier om een onbekend muziekinstrument; zie ook vers 10 en 15.

 

Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 10.02.2014.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW