1 jaar geleden

De profeet Daniël (06)

Daniel 2 vers 46-49

Toen wierp koning Nebukadnezar zich met het gezicht ter aarde en hij aanbad Daniël. En hij beval dat men hem een offergave en aangenaam reukwerk zou brengen. De koning antwoordde Daniël en zei: Waarlijk, uw God is de God der goden en de Heere der koningen. Hij openbaart verborgenheden, zodat u déze verborgenheid kon openbaren” (vs. 46,47).

Daniël en zijn drie vrienden zijn een beeld van het toekomstige gelovige Joodse overblijfsel. God zorgt ervoor, dat de vijanden van dit overblijfsel moeten erkennen dat God dit overblijfsel bevestigt (Deut. 28:9,10). Overigens geldt dit ten aanzien van Israël en ook ten aanzien van ons (Openb. 3:9). God erkent de trouw van een overblijfsel – zij het toen of nu.

Daniëls reactie op de openbaring van de droom was lovend geweest (vs. 20-23), in deze verzen vinden we nu de reactie van Nebukadnezar op de uitleg van de droom. Als eerste vinden we een typische heidense reactie (Hand. 14:11-13), hij valt voor Daniël neer om hem te aanbidden. Soortgelijk gedrag vinden we ook bij Cornelius (Hand. 10:25), evenals bij Johannes (Openb. 19:10; 22:8). Als het gaat om de verering van mensen of wezens, is het opvallend dat Petrus en Paulus deze afwezen, terwijl Herodes deze verering accepteerde en daarmee Gods oordeel over zich afriep (Hand. 12:21-23). Waarom wees Daniël deze verering niet af? God vertelt het ons niet, maar zijn houding in deze situatie vinden we in vers 49, waar hij voor zijn vrienden pleit. Het was niet zijn ondergang.

Nebukadnezar keek naar de mens en had niet begrepen dat God de bron was van deze openbaring, zoals bij Paulus in Handelingen 14. Als een mens geen relatie met God heeft, dan moet zijn geweten getroffen worden, en dat was bij Nebukadnezar nog niet het geval. Het is praktisch een illustratie van Romeinen 1 vers 25, en het moet voor Daniël een vreselijk benauwende situatie zijn geweest. Satan probeerde, door deze hulde aan de koning, hem innerlijk ten val te brengen. Het grootste gevaar voor ons is niet het hol van de leeuw of de oven van vuur, maar wanneer wij door mensen worden aangebeden! Wij moeten er ook voor waken broeders wier dienst wij waarderen een zekere verering te tonen.

Ook wat Nebukadnezar vervolgens over God tot uitdrukking brengt, laat zien dat hij nog steeds gevangen zit in zijn heidense idee van goden. Hij kent Hem wel het hoogste gezag toe en ook de macht over elke heerser op deze aarde, maar hij spreekt tot Daniël over uw God, zelf heeft hij nog steeds geen persoonlijke relatie met deze God. Voor hem is hij de God der goden, de Overste van alle afgoden. Maar wat hij zo over God zegt, is natuurlijk helemaal niet waar. 1 Korinthe 8 vers 4-6 laat duidelijk zien, dat er maar één ware en levende God is en dat alle afgoden en goden niets zijn. Wat mensen goden noemen is niets anders dan dode materie, zelfs als er demonen achter zitten. We kunnen echter niet zeggen, dat ze helemaal niet bestaan, het zijn schepsels van de duivel; maar het zijn geen goden die aanbidding waard zijn. Satan, de god van deze wereld (2 Kor. 4:4) houdt deze valse goden in stand; en als we ontkennen dat ze bestaan, spelen we hem recht in de kaart. Maar wanneer ons in Psalm 136 vers 2 wordt gezegd de God der goden te loven, is dat niet dezelfde betekenis als die welke Nebukadnezar uitdrukt. Het is de erkenning van het feit, dat God boven alles staat.

Nebukadnezar had ook erkend, dat God de Heer der koningen is. Dit lijkt erop te wijzen, dat hij begreep dat zijn macht slechts van beperkte duur was, dat er een God is die koningen afzet en koningen aanstelt. En tenslotte had hij ook erkend, dat er geen wijsheid was onder zijn elite, dat ware wijsheid alleen te vinden is bij deze God van de Joden, die een onthuller van verborgenheden is. Als onze God communiceert, doet Hij dat op zo’n manier dat het begrepen kan worden.

Nebukadnezar geeft hier slechts blijk van een uiterlijk onder de indruk zijn van wat hij had meegemaakt, zonder zich te buigen onder deze God. Hij komt tot de rationele conclusie, dat wat Daniël voor hem had gedaan, een normaal mens helemaal niet had kunnen doen. Het is dan ook zijn conclusie, dat dit wezen dat Daniël daartoe had aangezet, hoger moet zijn dan al zijn goden. Nebukadnezar was dus helemaal niet dichter bij God gekomen; hij moest alleen erkennen, wilde hij zijn verstand niet helemaal uitschakelen, dat er een hogere God moest zijn dan alles wat hij kende. Er is dus uiteindelijk een grote kloof tussen een zekere intellectuele of emotionele erkenning van God en het reddend geloof, waartoe men alleen kan komen wanneer het hart en het geweten zijn bereikt.

En als de kennis van God alleen emotioneel of intellectueel blijft, dan zal ze niet erg blijvend zijn en kan ze zelfs omslaan in het tegendeel. Dit wordt ook duidelijk bij Nebukadnezar in Daniël 3, waar hij kennelijk helemaal niet meer denkt aan een God der goden, maar dat enorme beeld van goud en dus in principe zichzelf aanbidt, en er dan zelfs van overtuigd is dat er geen god is die uit zijn hand kan redden (Dan. 3:15).

Vraag: In hoeverre kan de natuurlijke mens eigenlijk God kennen of in een relatie met God komen? In Romeinen 1 wordt voorgesteld, dat iemand die onbevooroordeeld naar de schepping kijkt, tot de conclusie moet komen dat er een wezen moet zijn, dat dit alles tot stand heeft gebracht. Dit is een kennis die God via het verstand aan de mens geeft; het menselijk verstand moet door de heerlijkheid van de schepping tot de conclusie komen, dat er een God in de hemel is. Het vergroot zijn verantwoordelijkheid, maar het helpt hem nog niet goed. Daarvoor is dan het evangelie nodig. In die zin zijn Daniël 2 en Romeinen 1 geen evangelie. Het laat de mens zien, dat hij een relatie met God heeft, een positie van verantwoordelijkheid tegenover God. De enige manier om God te kennen en een relatie met Hem aan te gaan is alleen door het hart en geweten van ieder mens zelf.

“Toen bevorderde de koning Daniël. Hij gaf hem vele grote geschenken en stelde hem aan als heerser over heel het gewest Babel en als hoofd van alle machthebbers over alle wijzen van Babel. Omdat Daniël de koning daarom verzocht, stelde hij Sadrach, Mesach en Abed-Nego aan over het bestuur van het gewest Babel. Daniël bleef echter in de poort van de koning” (vs. 48,49).

Daniël en zijn vrienden hadden God geëerd, en nu zorgt God ervoor dat zij geëerd worden en op de plaats komen die Hij voor hen bestemd heeft (1 Sam. 2:30; Spr. 15:33). We vinden hier ook de zo belangrijke innerlijke samenhang onder gelovigen. Daniël had de openbaring ontvangen, maar hij wilde de eer niet voor zichzelf alleen, maar zette zich in voor hen die met hem hadden gebeden. Zo zijn er verschillende taken onder gelovigen, maar de zegen die de Heer hierin geeft is voor allen, niet alleen voor hen die vooraan staan (1 Sam. 30:24)! Dus ook de zegen van deze conferentie is niet alleen voor de broeders die erbij konden zijn, maar ook voor alle broeders en zusters die er niet bij konden zijn en die thuis voor deze conferentie hebben gebeden.

Daniël wordt hier twee grote eerbewijzen aangeboden, hij zou heerser moeten worden over het centrale landschap van Babel en tevens het hoofd van alle wijzen. Maar in plaats van dit voor zichzelf aan te nemen, zet hij zich in voor zijn vrienden en stelt de koning voor het bestuur over het landschap van Babel aan hen te geven. Hij had het aanbod om over alle wijzen gesteld te worden niet afgeslagen, en dat is trouwens de reden waarom hij aan het hof van de koning blijft en de drie vrienden in hoofdstuk 3 zonder Daniël worden aangetroffen. Vers 49 is dan ook in zekere zin een inleiding op het volgende hoofdstuk. Daar worden alle overheidsfunctionarissen opgeroepen voor de inwijding van het beeld, maar Daniël was geen ambtenaar, maar hoofd van de wijzen van Babel. Daniël zocht nooit hoge dingen (Rom. 12:16; Matth. 6:33; Spr. 16:7), maar waardeerde in alle bescheidenheid en eenvoud eer van God hoger dan eer van de mensen. Hij wilde geen succes, hij wilde alleen trouw zijn aan zijn God. Laten wij deze houding voor onszelf en ook in de opvoeding van onze kinderen navolgen!

Deze twee verzen hebben ook een profetische uitspraak. Wij vinden hier een hint dat de Heer Jezus eens groot gemaakt zal worden, dat Hij eens zal regeren. En zoals Daniël hier zijn drie vrienden niet vergeten was en ook verhoogd zal worden vanwege het werk van Daniël, zo zal ook de Heer Jezus Zijn heerschappij niet alleen uitoefenen. Zij die Hem bijgestaan hebben, zullen delen in Zijn heerlijkheid.

 

Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 08.02.2014.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW