11 maanden geleden

De profeet Daniël (04)

Daniël 2 vers 27-36

“Daniël antwoordde in de tegenwoordigheid van de koning en zei: De verborgenheid die de koning vraagt, kunnen wijzen, bezweerders, magiërs en toekomstvoorspellers de koning niet te kennen geven. Maar er is een God in de hemel Die verborgenheden openbaart. Hij heeft koning Nebukadnezar laten weten wat er in later tijd gebeuren zal. Uw droom en de visioenen die u voor ogen kwamen op uw bed, zijn deze: Terwijl u, o koning, op uw bed lag, kwamen er gedachten in u op over wat hierna gebeuren zal. En Hij Die de verborgenheden openbaart, heeft u laten weten wat er gebeuren zal. Mij nu, aan mij is deze verborgenheid geopenbaard, niet door een wijsheid die in mij is boven alle levenden, maar daarom dat men de koning de uitleg ervan zou laten weten en dat u de gedachten van uw hart zou weten” (vs. 27–30).

Daniël staat nu waarschijnlijk voor de derde keer voor de koning, als 20-jarige voor de machtigste man op aarde! Hoe zou hij de vraag van de koning beantwoorden? Zou hij zichzelf of Gods volk in het beste licht stellen, eer voor zichzelf zoeken? We zien in zijn antwoord, dat ware kennis zich nooit opblaast. Ware kennis leidt tot nederigheid. Daniël verschuilt zich achter God en geeft Hem de eer. Een ware dienaar van de Heer streeft er niet naar zichzelf op de voorgrond te plaatsen. Het is immers niet alleen een gevaar voor ons om eer te zoeken in de wereld, eer onder broeders kan ook een drijfveer voor ons zijn!

Daniël toont de koning niet alleen de droom en de uitleg ervan, maar hij vertelt ook wat er aan deze droom was voorafgegaan, wat Nebukadnezar’s persoonlijke gevoeligheden en innerlijke drijfveren waren die God ertoe hadden gebracht hem deze droom te tonen. De koning had duidelijk nagedacht en zich zorgen gemaakt over de toekomstige politieke ontwikkeling van zijn eigen Babylonische rijk, wat zijn opvolgers op een dag waarschijnlijk zouden doen. In zijn droom geeft God hem echter een visioen dat veel verder gaat dan wat hij eigenlijk had willen weten.

Het antwoord van Daniël bestaat uit drie delen:

  • Vers 27-30: Daniël laat hier zien wie de bron van deze openbaring is. Hij verwerpt het idee, dat hij de bron is. De bron van alles is God in de hemel. En de bedoeling die God had met deze openbaring is, dat Nebukadnezar zou weten wat er aan het einde der dagen zou gebeuren. En dan laat Daniël zien, dat God geïnteresseerd is in deze heidense koning. Daarna verbergt Daniël zich; de openbaring leidt zowel tot aanbidding als tot echte nederigheid van de kant van de dienaar.
  • Vers 31–36: Hier wordt het beeld in al zijn details getoond.
  • Vers 37–45: de buitengewoon belangrijke betekenis van het beeld.

Nebukadnezar moest weten wat er aan het einde der dagen zou gebeuren. Met deze woorden wordt aangeduid, dat deze droom een openbaring van God was die niet alleen Nebukadnezar zou treffen, maar zijn uitwerking zou hebben tot aan het einde der dagen. Dit verwijst naar het einde van de tijden van de volken, dat zal worden bereikt met het einde van het herstelde Romeinse Rijk. Deze uitdrukking wordt verscheidene malen in het Oude Testament gebruikt, voor het eerst in Genesis 49 vers 1; en deze profetie van Jakob strekt zich ook uit tot de eindtijd (verg. ook de profetie van Bileam in Num. 24:14). Zo groot is de reikwijdte van wat God aan Nebukadnezar ging openbaren. Het is een machtige zaak, dat God Zijn hele raad, die zal uitmonden in de heerschappij van Christus op aarde, in deze korte woorden openbaart! Het einde der dagen moet dus niet verward worden met de laatste dagen (bijv. 2 Tim. 3:1; 2 Petr. 3:3) uit het Nieuwe Testament, waar het gaat over de laatste dagen van de christelijke bedeling.

Drie keer vinden we in deze verzen de uitdrukking openbaren en drie keer ook de uitdrukking bekendmaken. Het is iets wat ongekend is, dat God Zichzelf openbaart in zo’n machtige wereldveranderende zaak, niet aan Zijn profeten, maar aan deze ongelovige koning die Hijzelf in Zijn voorzienigheid heeft uitgekozen om het hoofd van het goud te zijn (verg. vs. 38). Nebukadnezar is niet de enige ongelovige persoon die ooit een openbaring van God heeft ontvangen (bijv. Claudia Procula, de vrouw van Pilatus), maar het is al iets heel bijzonders dat God dingen openbaart aan ongelovige mensen.

“U, o koning, keek toe, en zie: een groot beeld. Dit beeld was hoog, de glans ervan uitzonderlijk. Het stond voor u. De aanblik ervan was schrikwekkend. Het hoofd van dit beeld was van goed goud, zijn borst en zijn armen waren van zilver, zijn buik en zijn dijen van brons, zijn benen van ijzer, zijn voeten gedeeltelijk van ijzer, gedeeltelijk van leem” (vs. 31–33).

Het gaat niet om vier afbeeldingen van vier koninkrijken, maar om één verenigd, samenhangend beeld, zodat de vier koninkrijken die elkaar opvolgen één geheel vormen en niet in vier afzonderlijke delen worden gezien. Het gaat om een verenigde tijdsperiode waarin vier wereldrijken elkaar opvolgen. Het gaat om veranderingen in de wereldgeschiedenis die van fundamenteel belang zijn voor het begrijpen van de hele profetie van het Oude Testament en het Nieuwe Testament. Met de geschiedenis van Nebukadnezar is een geheel nieuwe tijdsperiode begonnen. Het begint met de wegvoering van Juda in Babylonische gevangenschap, en het einde van dit beeld is, dat de Heer hier op aarde Zelf het laatste hier beschreven koninkrijk zal wegnemen en er Zijn eigen 1000-jarig koninkrijk voor in de plaats zal stellen. Overigens verandert in deze periode van de tijden der volken ook een periode van de heilsgeschiedenis, de bedeling van de wet eindigt, en met de eerste komst van de Heer naar deze aarde (tijdens het vierde wereldrijk) begint de bedeling van de genade.

Dat het beeld groot en machtig was, wijst op de volle omvang van deze koninkrijken, het zijn wereldrijken. En dat het beeld schrikwekkend was, wijst op de wreedheden die in deze wereldrijken werden bedreven; wat God gegeven had, werd weer verdorven in de handen van mensen. De hele beschrijving van het beeld wijst op een mens, en dit laat duidelijk zien, dat de macht nu door God in de handen van mensen wordt gegeven.

Het beeld wordt van boven naar beneden beschreven en gepresenteerd in vier gebieden van afnemende waarde maar toenemende hardheid van het metaal. Er is een voortschrijdend verval in deze wereldrijken, en dit heeft zijn oorzaak in het feit, dat de mensen steeds verder zijn afgeweken van de bron van hun geschonken macht, van God Zelf. Hoe verder men van God afwijkt, hoe meer men ook van God afwijkt in de wijze waarop men deze macht uitoefent. Daniël vertelde Nebukadnezar in Daniël 4 vers 27 dat hij in plaats van zonden recht moest doen en in plaats van ongerechtigheden genade moest betonen aan de ellendigen, wilde zijn vrede standhouden. Volgens Gods wil zouden gerechtigheid en genade de beginselen van Zijn heerschappij moeten zijn. Helaas leert de geschiedenis juist het tegenovergestelde!

  • Hoofd van fijn goud: het Babylonische wereldrijk; ca. 606 – 538 v. Chr. = ca. 68 jaar.
  • Borst en armen van zilver: het Medo-Perzische wereldrijk; ca. 538 – 336 v. Chr. = ca. 202 jaar.
  • Buik en dijen van koper: het Griekse wereldrijk; ca. 336 – 30 v. Chr. = ca. 306 jaar.
  • IJzeren benen en voeten deels van ijzer, deels van leem: het Romeinse Rijk; ca. vanaf 30 v. Chr.

In Lukas 21 vers 24 spreekt de Heer Jezus profetisch over de duur van de tijden der volkeren. Deze tijden begonnen met Nebukadnezar, en het koninkrijk van Christus zal een einde maken aan deze tijden en aan de macht van de volken. Tussen Lukas 21 vers 24 en Lukas 21 vers 25 ligt de genadetijd, een tijd van onbepaalde lengte, die in het Oude Testament niet voorkomt, hoogstens in zwakke aanduidingen. Het grote beeld is dus een afbeelding van verschillende stadia van de tijden der volkeren, die begonnen met het Babylonische rijk en zullen eindigen met de verschijning van Christus in heerlijkheid. Deze steen die dit alles zal verbrijzelen is dus een verwijzing naar de komst van de Heer in macht en heerlijkheid (verg. Matth. 24:30; Hebr. 1:6; Openb. 19:11 e.v.) om de rechten van God hier op aarde te bewerkstelligen in de allerlaatste dagen van het herrezen Romeinse Rijk.

“Hier keek u naar, totdat er, niet door mensenhanden, een steen werd afgehouwen. Die trof dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en verbrijzelde die. Toen werden het ijzer, het leem, het brons, het zilver en het goud tegelijk verbrijzeld. Ze werden als kaf op een zomerdorsvloer. De wind voerde ze weg, zodat er geen spoor van teruggevonden werd. Maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg en vulde de hele aarde. Dit is de droom. Nu zullen wij de uitleg ervan in de tegenwoordigheid van de koning vertellen:” (vs. 34–36).

Opvallend is dat de beschrijvingen van de vier opeenvolgende wereldrijken hier relatief kort worden gehouden, terwijl de verschijning van de steen en de bijbehorende gevolgen zeer gedetailleerd worden beschreven. Ook in de uitleg in de verzen 44+45 wordt dit niet nader uitgewerkt. Deze steen zal het monumentale beeld volledig en plotseling vernietigen. Zonder twijfel is dit een beeld van de Heer Jezus (verg. Gen. 49:24). Wanneer vervolgens wordt gezegd dat deze steen het beeld aan zijn voeten zal treffen, wijst dit erop, dat dit zal gebeuren ten tijde van het herstelde Romeinse Rijk. En de vernietiging van deze wereldrijken wordt dan niet van boven naar beneden beschreven, maar van beneden naar boven – het hele beeld zal worden vernietigd, het einde van het Romeinse Rijk zal ook het einde zijn van alle andere vroegere wereldrijken. Dat de steen een berg wordt en de hele aarde vult, is een verwijzing naar het 1000-jarig rijk (Ps. 72:8). De steen brak los zonder handen, zonder menselijke bemiddeling en niet uit deze schepping (verg. Hebr. 9:11). Dit ingrijpen van God gaat alles wat de mens zou kunnen zien of zelfs maar beïnvloeden volledig te boven. Er zal geen grote hoop puin overblijven bij deze vernietiging van de koninkrijken van de wereld, alles zal worden weggeblazen; en wat overblijft is de heerlijkheid van de Heer!

Vraag: Waarom wordt hier beschreven alsof alle vier de rijken alleen door de steen zouden instorten? Zijn ze niet al eerder ingestort? In het verleden zijn ze natuurlijk al als wereldmacht vernietigd, eerst het Babylonische, daarna het Medo-Perzische en daarna het Griekse rijk. Maar als overblijfselen blijven ze onder een andere naam in alle landen bestaan – tot op de dag van vandaag. Alle vier de landen op deze afbeelding bestaan vandaag en tot het einde toe als overblijfselen. Perzië bestaat bijvoorbeeld, Irak bestaat, en we zien vandaag, dat al deze landen weer actief worden. Geeft dat niet aan hoe dichtbij het einde kan zijn? Een adembenemende gedachte! Een tweede gedachte bij deze vraag is dat het gaat om het morele bederf, dat deze vier wereldrijken kenmerkte. En het herrezen Romeinse wereldrijk zal een morele samenvatting zijn van wat Satan in de vorige wereldrijken al heeft aangericht. Aan dat alles komt een einde als deze steen de voeten raakt.

Het ’totdat’ in vers 34 geeft waarschijnlijk al aan, dat Nebukadnezar in zijn droom een tijdje naar het beeld heeft kunnen kijken. Maar dit totdat is zeker ook een verwijzing naar hetzelfde tijdstip dat in Psalm 110 vers 2 wordt beschreven, waar de Heer Jezus dan zal opstaan en Zijn koninkrijk zal beginnen.

Dat is de droom. Wij kunnen ons voorstellen, dat Nebukadnezar ademloos moet hebben geluisterd; en wij zijn vandaag niet veel anders. Voelen wij niet een zeker ontzag bij deze mededelingen van de Geest van God door Daniël? Het gaat hier om geweldige gebeurtenissen! Ze betreffen weliswaar deze wereld en hebben uiteindelijk niets te maken met de hoop van de Christen. Maar ze zijn toch belangrijk voor ons. Zijn wij niet soms wat lichtzinnig als het gaat om dingen die ons niet direct aangaan? Maar ze betreffen onze Heer Jezus en Zijn uiteindelijke heerschappij. Vanwege Hem is dit alles toch belangrijk voor ons. God verwacht, dat wij geïnteresseerd zijn in wat Zijn geliefde Zoon aangaat.

 

Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 03.02.2014.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW