1 jaar geleden

De profeet Daniël (01)

Daniel 1 vers 1-21

Historische achtergrond van de tijd van Daniël

Hier aan het begin van het boek Daniël zijn we in het jaar 606 vóór Chr. De eerste verzen tonen ons de eerste reis van het volk der Joden onder Nebukadnezar. Toen Hizkia hersteld was van zijn ernstige ziekte, hoorde de koning van Babel ervan en stuurde hem een boodschap. En de genezen Hizkia toonde al zijn schatten aan de boodschappers uit Babel. Toen zij weer weggegaan waren, liet God Jesaja dit oordeel voorspellen, dat wij hier in Daniël 1 vinden (Jes. 39:4-7). Hierop volgde een tweede reis onder Jojachin in 597 vóór Chr. (2 Kon. 24:8-17), waarbij alle gebruiksvoorwerpen van het heiligdom werden gestolen; en vervolgens werd Jeruzalem onder Zedekia, in de derde reis, volledig verwoest in 586 vóór Chr. (2 Kon. 25:1-12).

Om het boek Daniël en het standpunt dat God hier inneemt te begrijpen, moeten we enkele passages uit het OT lezen over de historische achtergrond. Ze laten zien hoe wonderlijk de geschiedenis van het volk Israël begon, en hoe verbijsterend ernstig het einde was. Hier is God niet langer de God van Israël en het volk niet langer Zijn volk.

  • Deuteronomium 32 vers 8 toont een principe van God met betrekking tot Zijn volk, zo begon de geschiedenis van het volk van God. Alle volken rondom kregen hun bestemming alleen door het volk Israël, alles draaide om dit volk.
  • In 1 Kronieken 29 vers 23 wordt van Salomo gezegd, dat hij op de troon van de HEER zat in de plaats van David, zijn vader. Dat was het uitgangspunt, er was een troon van God die eerst door David en daarna door Salomo werd bestegen. 
  • Amos 3 vers 2 laat zien hoe God in Zijn soevereine genade alles afmeet aan Zijn gedachten over Israël. Maar omdat Israël Zijn aardse volk was, zou Hij juist daarom hun ongerechtigheden over hen bezoeken. 
  • En dan zien we in de loop van de geschiedenis hoe eerst de tien stammen in gevangenschap gingen naar Assyrië, en hoe later ook Juda – en dat vinden we hier in het boek Daniël – geoordeeld moest worden. Wij lezen bijvoorbeeld van Manasse, dat hij Juda meer kwaad deed dan de volken (2 Kron. 33:9), dat wil zeggen dat Juda verdorvener was dan de heidenvolken van deze aarde met al hun verdorvenheden. 
  • En toen heeft God gezegd, dat zij niet langer Zijn volk waren en dat Hij niet langer hun God was – Lo-Ammi (Hos. 1:9). En nu komt de boodschap door één man, door Daniël.

Het had God niet behaagd, zolang Hij nog in verbinding stond met Israël, om een volk van deze aarde zo’n supermacht te laten worden zoals het toen werd onder de vier wereldrijken, waarvan Nebukadnezar het gouden hoofd was. Deze wereldrijken werden gekenmerkt door zeer hoge persoonlijkheden, en hun rijk omvatte min of meer de hele toen bekende wereld. God had dit niet toegestaan zolang er nog verbinding bestond met Israël. Er waren machtige staten, bijvoorbeeld het hoogontwikkelde Egypte, de Sumeriërs1, de Assyriërs, maar God stond niet toe dat zij een superieure positie innamen zolang Israël nog bestond. Maar nu werd Israël apart gezet, en dat is het uitgangspunt van het boek van de profeet Daniël.

Nu gebruikt God geen profeten meer om tot Zijn volk te spreken. Het is een eigenschap van God in het algemeen dat Hij profeten stuurde wanneer het verval onder Zijn volk was ingetreden. Het zenden van profeten is op zich geen goed teken. Als er profeten kwamen en God door hen sprak, was het volk op de een of andere manier afgedwaald. Uiteindelijk was het verschijnen van profeten natuurlijk ook genade, maar het was ook een teken, dat de dingen in wanorde waren. Het feit dat God tot Zijn volk sprak via profeten ontbreekt volledig in het boek Daniël. Hier wordt niet meer op de een of andere manier tot een overblijfsel gesproken, maar het is een enkele persoon – deze godvrezende Daniël – aan wie God Zich openbaart, aan niemand anders. Het is geen boodschap van God aan Zijn volk. Het feit, dat we in de loop van het boek ook steeds weer verwijzingen krijgen naar de komende Vorst, de Heer Jezus, maakt dit boek zo heerlijk. Maar verder is het een boek van zeer ernstige aard.

Zo zien we in het boek Daniël dat de tijden van de volken (Luk. 21:24) zijn begonnen. Deze tijden van de volken zullen doorgaan totdat de Heer terugkeert voor de vestiging van Zijn koninkrijk en dan ook deze volken zal oordelen omdat ook zij niet hebben voldaan aan hun verantwoordelijkheid. Maar in deze tijden van de volken bewaart God een overblijfsel, en wij vinden dit vertegenwoordigd in het boek Daniël in Daniël en zijn vrienden. En er zijn twee dingen die dit overblijfsel in het bijzonder kenmerken:

  • Zij bewaren zichzelf zuiver in een vreemd land, en
  • God geeft hun kennis en inzicht in Zijn gedachten vanwege hun trouw (verg. Ps. 25:14).

Het is opmerkelijk, dat God zelfs eerst niet aan Daniël openbaart wat Hij zou doen, maar het koning Nebukadnezar in een droom laat zien. En deze koning heeft Daniël nodig om te begrijpen wat hij heeft gezien. Dit is ook een teken dat God Zich in de hemel had teruggetrokken en dat dit de tijden van de volkeren zijn. Typerend voor het boek Daniël is dan ook de uitdrukking God van de hemel, deze komt vier keer voor in dit boek (Dan. 2:18,19,37,44), verder voornamelijk in de boeken Ezra en Nehemia. God als Koning is in de hemel, Hij spreekt nog steeds tot afzonderlijke personen in Zijn genade, maar gedurende de tijd van de vier wereldrijken heeft Hij Zijn plaats in de hemel en openbaart Hij Zich niet en heeft Hij de macht op aarde overgelaten aan deze vier wereldrijken.

Een andere aanwijzing hiervoor is de taal waarin God een groot deel van het boek Daniël liet schrijven; van Daniël 2 vers 4 – 7 vers 28 is de tekst geschreven in het Aramees (zie voetnoot bij Dan. 2:4). Dit drukt ook een soort oordeel van God uit, omdat het Aramees voor het volk Israël een vreemde taal was, die zij niet verstonden (verg. 2 Kon. 18:26).

Daniël

Het boek Daniël is één van de boeken uit de Bijbel die het meest door de vijand wordt aangevallen. Waarschijnlijk omdat Daniël historische waarheden voorspelde deels ver voordat het gebeurde. Het is zeer opvallend, dat telkens wanneer een bepaalde aanval van Satan dreigde, de Geest van God in het NT uitdrukkelijk bevestigde wat in het OT geschreven stond. Zo benadrukt het NT ook uitdrukkelijk dat Daniël een profeet was (Matth. 24:15), dat zijn profetieën het Woord van God zijn, en dat de Heer Jezus Zelf zijn uitspraken bevestigt (Mark. 13:14). Hij is dus de auteur van dit hele boek. Van de meeste schrijvende profeten weten we weinig van hun persoonlijke achtergrond. Met Daniël is dat anders, we weten veel over hem.

Daniël betekent ‘mijn rechter is God.’ Als jonge man wordt hij naar Babel gedeporteerd en daar blijft hij tot op hoge leeftijd trouw aan zijn God! Hij heeft niet alleen een goed begin gemaakt, maar bleef trouw en vastberaden tot het einde. Net als bij Jozef beschrijft het Woord van God geen zwakte, zonde of kwaad in zijn leven. Al in het eerste hoofdstuk wordt een hele reeks morele karaktertrekken van hem getoond, zijn daadkracht en trouw, zijn vastberadenheid van hart en zijn afzondering. Hij was een jongeman van misschien 16 jaar, die zich al ver van huis in de moeilijkste omstandigheden in een vreemd land met absolute vastberadenheid onderscheidde. Hij toonde ook diep medeleven en ontzetting over de verschrikkelijke dingen die zijn eigen aardse volk betroffen en die God hem in dit boek liet zien. Meermalen in dit boek wordt hij daarom door God aangesproken als de zeer gewenste man (Dan. 9:23; 10:11,19). God had Zijn bijzondere aandacht op hem gericht, omdat Hij zag hoe ernstig zijn geloof in de Heer was.

Ook buiten het boek Daniël zelf vinden we verschillende verwijzingen naar opmerkelijke eigenschappen van deze voorbeeldige persoon:

  • In Mattheüs 24 vers 15 wordt hij een profeet genoemd; de manier waarop God hem als profeet gebruikt, verschilt enigszins van de andere profeten, waar God zich via de profeet rechtstreeks tot het volk richtte. Profeet betekent iemand die een spreekbuis is voor iemand anders. Daniël is Gods spreekbuis voor ons; wat hij in dit boek opschrijft is God die zich tot ons richt, God die Daniël als spreekbuis gebruikt. Maar een profeet is ook een spreekbuis van mensen naar God, en ook Daniël neemt deze rol van profeet op zich in zijn indrukwekkende gebed in Daniël 9;
  • In Ezechiël 14 vers 14 en 20 wordt hij moreel op één lijn gesteld met Noach en Job, en God geeft hem hier een buitengewoon getuigenis van zijn praktische gerechtigheid, dat wil zeggen dat Daniël leefde in overeenstemming met wat hij wist van God en Zijn wil. Noach was een prediker van de gerechtigheid (2 Petr. 2:5), en in Job wordt zijn vroomheid en oprechtheid herhaaldelijk geprezen (Job 1:1,8). En God plaatst Daniël ook op dit niveau;
  • in Ezechiël 28 vers 3 wordt Daniël opnieuw genoemd, en God trekt daar een vergelijking om de wijsheid van de gevallen engelenvorst te beschrijven, en de verwijzing die Hij gebruikt is Daniël. Hij moet een buitengewoon wijs man zijn geweest (verg. Dan. 1:17);
  • Hebreeën 11 vers 33 noemt hem niet bij naam, maar van welke andere profeet kan worden gezegd, dat door zijn geloof de muilen van de leeuwen werden toegestopt?

Het boek Daniël

De eerste 6 hoofdstukken van Daniël tonen ons de uiterlijke ontwikkeling van de vier oude wereldrijken, die elkaar achtereenvolgens opvolgden, maar elk in macht afnamen, zoals ze ons worden voorgesteld in de droom van Nebukadnezar over het grote beeld (Dan. 2:31-33). Eerst hebben we het Babylonische wereldrijk (het hoofd van fijn goud), het grootste in macht dat ooit heeft bestaan; dan volgt het Medo-Perzische koninkrijk van koning Cyrus (borst en armen van zilver); dan het Griekse wereldrijk (buik en dijen van brons), en dan nog het Romeinse rijk (benen en voeten gedeeltelijk van ijzer en gedeeltelijk van leem). De hoogtijdagen van deze rijken zijn natuurlijk al lang voorbij. Het Romeinse Rijk is in zekere zin ook voorbij, ver voorbij zijn hoogtepunt, maar het zal herrijzen. God zal zich opnieuw met Rome verbinden, zoals Openbaring ons laat zien.

Dus terwijl de hoofdstukken 1-6 ons de uiterlijke ontwikkeling van deze 4 wereldrijken tonen, houden de hoofdstukken 7-13 zich meer bezig met het innerlijke wezen en karakter van deze wereldrijken. In dit tweede deel van het boek worden zij geïntroduceerd in het visioen van Daniël van de vier grote dieren (Dan. 7:3-7).

“In het derde jaar van de regering van Jojakim, de koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem en belegerde het. En de Heere gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en een deel van de voorwerpen van het huis van God. Hij bracht die naar het land Sinear, naar het huis van zijn god. Hij bracht de voorwerpen naar de schatkamer van zijn god” (vs. 1-2).

De eerste verzen van het boek Daniël geven de vervulling weer van de profetie van Jesaja aan Hizkia. Nebukadnezar kwam Jeruzalem belegeren in het derde jaar van de regering van Jojakim, en de Heer gaf de stad in zijn hand. We hebben hier een zeer ernstige ontwikkeling voor ons. God trekt zich als het ware terug in de hemel, zodat Daniël terecht zegt, dat het de macht en de wil van God was die Nebukadnezar tot koning der koningen maakte, terwijl Hij Zichzelf als de God van de hemel op de achtergrond hield in de hemel (Dan. 2:37).

Jojakim was de zoon van de Godvrezende koning Josia. Necho, de farao van Egypte, had hem koning gemaakt in de plaats van zijn vader en hem de naam Jojakim gegeven (2 Kon. 23:34,35). Wat een enorm verschil was er tussen Josia en zijn zoon Jojakim wat betreft het waarderen en erkennen van het Woord van God! Josia scheurde zijn kleren toen hij de woorden van dit boek hoorde (2 Kon. 22:11); terwijl Jojakim de boekrol met de woorden van God afsneed en in het vuur wierp (Jer. 36:23). Hij was als koning verantwoordelijk over het volk van God, maar hij maakte die verantwoordelijkheid niet waar. Jeremia 22 vers 18,19 beschrijft vervolgens het einde van deze koning.

Het land Sinear wordt al genoemd in Genesis 10 vers 10, daar wordt Babel beschreven als een deel van dit land, waarschijnlijk het hart van het land Sinear. De heerser van dit koninkrijk in die tijd was Nimrod. Babel is een beeld van deze wereld. De Bijbel toont ons vier kenmerken van Babel zoals we die vandaag de dag in de wereld aantreffen: de machtige jager Nimrod in Genesis 10 vers 8-10 toont ons haar hardheid en wreedheid. Zelfs als Babel soms glimlacht en vriendelijk lijkt, moeten we onszelf niet voor de gek houden. Wij moeten van deze wereld en haar vorst geen genade verwachten, er zit hardheid en wreedheid achter. Genesis 11 vers 1-9 toont ons vervolgens trots als de tweede eigenschap van deze wereld in de bouw van de toren van Babel. De profeet Daniël toont ons hier een derde eigenschap, die van vermenging of tolerantie. De duivel probeert, op welke manier dan ook, ons te vermengen met deze wereld. Als het om tolerantie gaat, is die vanuit het oogpunt van de wereld ook altijd eenzijdig, want christenen worden altijd geacht concessies te doen om zich aan de wereld aan te passen, nooit andersom. En dan vinden we in Openbaring 17 en 18 een vierde kenmerk, daar wordt Babel voorgesteld als een beeld van de religieuze wereld. Babel gaat niet alleen over morele vermenging, maar ook over religieuze vermenging.

Maar Nebukadnezar als koning van Babel is geen beeld van de duivel, de vorst der wereld. Hij was aangesteld door God, hij was het hoofd van goud. Door hem had God ervoor gezorgd, dat er stabiele regeringen op deze aarde zouden ontstaan nadat het volk Israël terzijde was gesteld. Natuurlijk was het hof van Nebukadnezar vol afgoderij, maar we kunnen hem niet alleen negatief zien, hij was een door God gegeven autoriteit (Dan. 2:37) – voor het welzijn van het volk en om de hartstochten van het volk te beteugelen. Hij was uiteindelijk zelfs een dienaar van God (Jer. 43:10).

“Toen beval de koning aan Aspenaz, het hoofd van zijn hovelingen, dat hij enigen van de Israëlieten moest laten komen, namelijk uit het koninklijk geslacht en uit de edelen, jongemannen zonder enig gebrek, knap van uiterlijk, bedreven in alle wijsheid, ervaren in wetenschap, helder van verstand, en die in staat waren dienst te doen in het paleis van de koning, en dat men hen moest onderwijzen in de geschriften en de taal van de Chaldeeën” (vs. 3-4).

Eerst gaat deze koning van Babylon naar Jeruzalem en brengt de elite van Jeruzalem naar Babylon, en dan volgt de integratie en heropvoeding volgens de principes van Babylon. Wat is het doel van de duivel vandaag? Hij wil ons in zijn invloedssfeer krijgen. In die tijd konden de discipelen niet anders, ze moesten van Jeruzalem naar Babel. Vandaag hebben we deze politieke dwang niet, maar er zijn bepaalde beperkingen. We gaan naar school in Babel, we worden opgeleid in Babel, we werken in Babel, in deze wereld.

De profetieën van Jesaja en Jeremia over dit oordeel van God over Zijn volk (Jes. 39:6,7; Jer. 25:11,12) waren dus uitgekomen (verg. ook Deut. 28:32). En Nebukadnezar doet nu iets heel ingenieus. Hij wil van deze jonge mannen uit Israël, die op zichzelf uitzonderlijk moesten zijn, Chaldeeën maken. En de beschrijving van de criteria die deze jonge mannen zouden moeten hebben, begint niet met hun innerlijke vermogens, maar met hun uiterlijke kwaliteiten. De duivel heeft altijd zijn oog laten vallen op wat uiterlijk indrukwekkend is, maar God kijkt naar het hart (1 Sam. 16:7). Deze jonge mannen moesten worden onderwezen in de taal en alle wijsheid van de Chaldeeën. Nebukadnezar wilde hen doen vergeten waar zij vandaan kwamen, dat zij tot het volk Israël behoorden. En hij bood hen ook de kans om op te klimmen in dit gigantische rijk en carrière te maken, een belangrijke rol te spelen. Natuurlijk is het doel van de duivel om ons allemaal in zijn invloedssfeer te krijgen en ons dan te heropvoeden. Maar we zien hier op wie hij zich vooral richt.

Zijn selectiecriteria kunnen worden samengevat in twee standpunten: hij wil de besten en hij wil de jongeren. Als hij ze kan krijgen, dan heeft hij niet alleen deze jongeren en de besten geschaad, maar ook de Heer. Napoleon Bonaparte heeft eens gezegd: Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Farao wist dat toen en ook Nebukadnezar wist dat hier. En vandaag is het niet anders. Zijn wij ouderen die ons met de jeugd bezighouden ons er ook van bewust, dat de duivel het vooral op jongeren gemunt heeft? Als hij ouderen van het pad trekt, is dat al erg genoeg, dan gaat er misschien een half leven verloren voor de Heer. Maar als hij een jongere aftrekt, gaat er een heel leven verloren voor de Heer! Als hij degenen die na hem komen kan manipuleren, dan heeft hij de Heer geschaad, en dat is altijd het uiteindelijke doel van al zijn inspanningen.

Het aantal jonge mannen in gevangenschap is niet bekend, het kunnen er honderden zijn geweest. Zij werden in feite blootgesteld aan drie kwade invloeden, eerst de geschriften en de taal van de Chaldeeën, daarna het tafelvoedsel en de wijn van de koning, en tenslotte kwam daar de naamsverandering bij. Dit waren enorme verleidingen voor hen; eerst een gratis hooggekwalificeerde opleiding, dan gratis voedsel en tenslotte de hoogste posities in vaktermen, de beste vooruitzichten op een carrière.

Wat de Chaldeeuwse geschriften en taal betreft, dit was gericht op hun intellect, hun geest moest worden omgebogen naar het Babylonisch. In het verdere verloop van het boek verwijzen de Chaldeeën rechtstreeks naar de waarzeggers die astrologische, heidense kennis bezaten. Overigens werkt hun vermeende wijsheid van toen door tot in onze tijd en in de schoolboeken van onze kinderen. Voelen wij geen ernstige parallellen met onze huidige tijd met dit gevaar van indoctrinatie van onze kinderen door de taal en de geschriften van de wereld? Tegenwoordig wordt onze jeugd niet alleen wiskunde en natuurkunde onderwezen, maar de vermeende kennis van de evolutie mag in geen enkel leerplan ontbreken.

“De koning nu stelde een dagelijkse hoeveelheid van de gerechten van de koning voor hen vast, en van de wijn die hij dronk, om hen in drie jaar zo op te voeden dat zij aan het einde daarvan in dienst konden treden van de koning” (vs. 5).

De training of heropvoeding moest drie jaar duren, en gedurende die drie jaar moesten zij zich voeden met het tafelvoedsel van de koning en zijn wijn drinken. Deelnemen aan het tafelvoedsel van koning Nebukadnezar was zeer gevaarlijk. Voedsel is datgene wat we binnenkrijgen. Dit tweede gevaar gaat niet over het intellectuele, maar over de invloeden op ons natuurlijke leven. Laten we denken aan seksuele voorlichting met alles wat daarbij hoort; vreselijke dingen die tegen het Woord van God ingaan. Dat is het voedsel, dat onze kinderen vandaag wordt voorgeschoteld. En hooggeplaatste politici leven het zelfs voor met betrekking tot homoseksualiteit. Dit tweede gevaar betrof hun moraal en ethiek, en hier probeerden zij zich tegen te verzetten. Dit verslag is ongeveer 2600 jaar oud, maar zeer actueel voor onze dagen, en we hebben de daadkracht van deze vier vrienden nodig in onze dagen. In de wereld wordt daadkracht helemaal niet meer verwacht, ze wordt zelfs veracht; tolerantie is vereist, alles moet geaccepteerd worden.

Dit tafelvoedsel was om verschillende redenen onrein. Het voedsel van Nebukadnezar kon onmogelijk voldoen aan de eisen van God in Leviticus. Maar ernstiger, wat Nebukadnezar at en dronk was vooraf aan afgoden geofferd. Dat maakte het zo ernstig.

Het is opvallend, dat telkens wanneer er sprake is van tafelvoedsel, wijn wordt genoemd als extra middel om te genieten. Wijn is op zichzelf een beeld van de natuurlijke, onschuldige, op zichzelf niet kwade vreugde op deze aarde (Richt. 9:13; Ps. 104:15). Maar hier is het de wijn van Babylon (Openb. 17:2), die wordt geassocieerd met het absolute wereldse kwaad. Wereldse lusten en pleziertjes verontreinigen zowel moreel als religieus. Het was dus een extra lokmiddel van de koning om deze jonge mannen corrupte en bezoedelende genoegens te willen geven. Dit is ook een zeer gevaarlijk punt voor ons allen in onze tijd, want wij leven in een wereld die op zoek is naar genot en die ons veel mooie dingen aanbiedt; maar wij mogen nooit vergeten, dat het de koning van Babel is die ons die dingen aanbiedt.

“Onder hen waren uit de Judeeërs: Daniël, Hananja, Misaël en Azarja. Het hoofd van de hovelingen gaf hun andere namen. Daniël noemde hij Beltsazar, Hananja Sadrach, Misaël Mesach en Azarja Abed-Nego” (vs. 6-7).

Het hoofd van de hovelingen zou gedacht kunnen hebben, dat de namen van deze vier vrienden niet pasten bij het hof van koning Nebukadnezar, omdat ze allemaal een verwijzing naar God hebben in hun respectievelijke namen:

  • Daniël: mijn rechter is God; deze naam was voor Daniël geprogrammeerd, hij zag zichzelf persoonlijk verantwoordelijk voor God als zijn rechter; hij wilde niet trouw zijn zodat God hem kon gebruiken, maar God kon hem gebruiken omdat hij trouw was;
  • Hananja: aan wie de Heer genadiglijk heeft gegeven, de Heer is genadig;
  • Misaël: Wie is wat God is?
  • Azarja: die de Heer helpt, de Heer helpt.

Deze namen getuigden duidelijk van de afkomst van deze mannen, maar ze pasten niet in het hof van de koning. Bij deze jonge mensen zou hun identiteit veranderen, zij zouden Chaldeeërs worden en het Jodendom en de God die zij tot dan toe hadden aanbeden, totaal vergeten. De herinnering aan de naam van God moest bij hen volledig worden uitgewist en door middel van hun nieuwe namen moest tot uitdrukking worden gebracht, dat de goden van de Chaldeeën sterker waren. Daarom liet deze overste hen nieuwe namen geven, die allemaal te maken hadden met de boze afgoden van deze volkeren:

  • Beltsazar:2 Bel begunstigt of beschermt; Nebukadnezar zegt zelf, dat dit een naam van zijn god is (Dan. 4:8), volgens Jesaja 46 vers 1 zelfs een van de belangrijkste goden van Babel;
  • Sadrach: bevel van Aku (de maangod);
  • Mesach: wie is als Aku;
  • Abednego: de dienaar van Nego (de god van de wijsheid); Nego is waarschijnlijk een opzettelijke vervorming van Nebo, een andere belangrijke godheid van Babel (Jes. 46:1).

En deze vier vrienden accepteerden eerst, dat hun namen werden veranderd; ze hadden geen andere keus, want ze waren slaven zonder rechten in een vreemd land. Maar het is opvallend, dat Daniel in het volgende vers bij zijn oude naam wordt genoemd. En hijzelf houdt ook vast aan zijn oude naam, zoals uit het verdere verloop van dit boek blijkt (bijv. Dan. 8:1,15,27; 9:2; 10:7,11,12). En ook de Heer Jezus zelf spreekt over hem als Daniël. Als wij trouwe dienaren van God zijn, als het ons verlangen is onze Heer te verheerlijken, zelfs in een vreemd land, dan zal Hij onze naam bewaren – voor eeuwig en altijd! Daniël blijft Daniël, zelfs in de hemel.

“Daniël nu nam zich in zijn hart voor zich niet te besmetten met de gerechten van de koning of met de wijn die hij dronk. Daarom verzocht hij het hoofd van de hovelingen of hij zich niet zou hoeven te verontreinigen” (vs. 8).

Daniël was een man van voornemens. Toen hij ongeveer 16 jaar oud was, had hij voornemens, en hij was er klaar voor toen die voornemens op de proef werden gesteld. Daniël was daarom later een zeer geliefde, een man naar Gods hart, want als jongeman was hij een standvastig man. Hij had principes van God waar hij voor wilde opkomen. En als hij ooit voorspoed zou hebben – en hij had voorspoed gehad gedurende verschillende dynastieën tot de tijd van Cyrus – dan was dat omdat hij als jonge man voornemens had gemaakt, die hij met de hulp van de Heer uitvoerde. Had God hen niet ver weg geleid? Konden ze zelfs hier in Babylon voorzichtig zijn om alleen te eten wat rein was? En toch was Daniël vastbesloten zich niet te verontreinigen met het tafelvoedsel van de koning. Welke instructies moet hij in zijn ouderlijk huis hebben gekregen, dat hij zich als jongeling niet heeft laten verleiden door de verleidingen van de wereld.

Dit spreekt ook over onze verantwoordelijkheid als ouders. Onze kinderen en jongeren zijn tegenwoordig omringd door het moeras van Babylon en blootgesteld aan deze invloeden. Het is onze verantwoordelijkheid om hen bij te staan en te helpen. Hebben wij als vaders tijd voor onze kinderen om ze tegen deze invloeden te beschermen? Welke geestelijke hulpmiddelen geven wij onze kinderen, welke principes leren zij in het ouderlijk huis? Als onze kinderen het huis verlaten, kennen ze dan de principes en gedachten van God voor ons leven? En hebben zij kunnen zien, dat wij er zelf naar leven?

In 1 Petrus 3 vers 15 worden wij aangespoord om Christus in ons hart te heiligen. Het is niet alleen een kwestie van uiterlijk vertoonde vroomheid, misschien zelfs gecombineerd met een zekere huichelarij, maar de beslissingen voor de Heer moeten uit ons hart komen. En als het uit het hart komt, dan zal het uiterlijke gedrag ook overeenstemmen met de toestand van het hart. Toen Barnabas in Antiochië kwam, vermaande hij de broeders daar om met een voornemen van het hart bij de Heer te blijven (Hand. 11:23). Wij hebben vandaag zulke vastberaden christenen nodig met hartenwensen voor de Heer! Hoe kostbaar wanneer onze harten gevuld zijn met de eer van God. Daniël en zijn vrienden tonen ons, dat men zelfs in slechte tijden trouw kan zijn. Dit is ook de boodschap van de brief van 2 Timotheüs, dit drievoudige “Maar jij” (2 Tim. 3:10,14; 4:5). Zo werd Daniël een voorbeeld voor alle jonge gelovigen, en zelfs ook voor de ouderen.

Daniël had dit hartenbesluit genomen toen de verzoeking hem concreet werd voorgelegd. Wat zou er in zijn hart zijn omgegaan toen hij in Jeruzalem gevangen werd genomen en naar Babylon werd gedeporteerd? We mogen aannemen, dat hij daar al om bescherming bad. Hij wist zeker nog niet in detail wat voor verzoeking hem in Babylon zou overkomen, maar hij wist, dat het een plaats was waar afgoderij werd vereerd. Wanneer een jongere tegenwoordig het ouderlijk huis moet verlaten vanwege onderwijs of studie of om andere redenen, weet hij meestal niet wat hem op de nieuwe plek te wachten staat. Maar één ding weet hij zeker: het gaat in deze wereld altijd om plaatsen waar ook verleidingen zijn. En daarom is dit verzoek om bescherming zo belangrijk voor iedereen. Maar het is ook van cruciaal belang, dat zo’n welgemeend besluit meteen in het begin in de nieuwe omgeving in praktijk wordt gebracht. Hoe langer we wachten, hoe moeilijker het wordt, want ons gedrag vooraf verzet zich vaak tegen een dergelijke beslissing.

Tot dit punt is het overigens alleen Daniël, nog niet zijn drie vrienden, die zich in zijn hart deze zaak voornam. Het is vaak in de Bijbel te vinden, dat de kracht en opwekking begint bij één persoon en zich dan verspreidt naar de rest, zoals hier met de drie vrienden van Daniël. Zijn voorbeeld spoort zijn drie vrienden aan, en zo ervaart hij wat Paulus aan Timotheüs schrijft in 2 Timotheüs 2 vers 19-22, dat het zich onttrekken aan ongerechtigheid en het ontvluchten van jeugdige begeerten gerealiseerd kan worden bij hen, die de Heer aanroepen uit een rein hart. Onze keuzes en ons gedrag hebben een invloed op anderen, of we dat nu willen of niet, en dat geldt zowel in positieve als in negatieve zin. Maar omdat Daniël zo’n hartebesluit had genomen, zegende God hem ook zo buitengewoon. Ja, Hij trekt Zijn ogen niet af van de rechtvaardigen (Job 36:7). Maar het is ook een trieste gedachte, dat er wellicht veel meer jonge mannen waren die Daniëls voorbeeld niet gevolgd hebben! Ze dachten niet zoals deze vier vrienden – en ze faalden in de beproeving. We leren hiervan, dat je zelfs onder gelovigen soms tegen de stroom in moet gaan.

Afzondering is een fundamenteel belangrijke gedachte voor ons geestelijk leven! Het komt hier tot uitdrukking in het feit, dat deze jongemannen zeggen dat zij dit voedsel niet kunnen eten en de wijn van de koning niet kunnen drinken. Er waren duidelijke bevelen van God betreffende het voedsel (Lev. 11), en de naleving van deze bevelen veroorzaakte praktisch de afscheiding van de omringende volkeren. Het ging erom onderscheid te maken tussen rein en onrein (Lev. 11:46,47; verg. Ezech. 22:26; 44:23). God wil ons steeds weer leren onderscheid te maken tussen het onreine en het reine, en de verantwoordelijkheid daarvoor begint in het gezin. De problemen van onze kinderen zijn in de eerste plaats de problemen van hun ouders! Jozef was de meest afgezonderde onder zijn broers (Gen. 49:26; Deut. 33:16), daarom kon het welbehagen van God op hem rusten. Waar komt al die zwakheid onder ons vandaan? Omdat we niet langer dit duidelijke standpunt innemen, omdat we niet langer in alle opzichten duidelijk aan de kant van de Heer staan. Zelfs als het gaat om schijnbaar onbelangrijke uiterlijkheden, zoals dit eten hier – het was het Woord van God, en in geen geval wilde je tegen de wil van God ingaan. Dat is geen sektarisme maar het ware karakter van het geloof! Ik kan geen hart voor de Heer hebben en dan zijn Woord negeren of het afdoen als een onbelangrijke zaak; zelfs niet als het mij onbelangrijk lijkt. Als wij onze persoonlijke mening naast het Woord van God leggen en daaraan meer gewicht toekennen, dan is dat een gebrek aan toewijding en trouw van onze kant.

Het is ook belangrijk om te zien hoe Daniël zijn beslissing presenteerde. Een hartenbesluit is niet iets, dat in het hart blijft, het moet worden uitgevoerd (Spr. 4:23). Soms verontschuldigen we ons eigen falen door te zeggen, dat we iets in ons hart hadden om te doen, maar het niet hebben gedaan. Daniël was anders. Hij had eerst een duidelijk oordeel over het aanbod van de koning, hij wist dat dit tafelvoedsel een bezoedelende werking op hem zou hebben. Maar hij deed ook een eerlijke bekentenis van zijn oordeel; hij gebruikte geen enkel excuus, maar getuigde duidelijk, dat hij zich hiermee zou verontreinigen. En tenslotte legde hij zijn besluit ook op gepaste wijze voor aan het hoofd van de hovelingen, want hij verzocht hem dat hij zich niet hoefde te verontreinigen. Geen oppositie of tegenstand of verzet, maar geformuleerd als een verzoek op een gepaste, nette wijze. Een voorbeeldig gedrag van deze 16-jarige jongere voor ons allen!

“God gaf Daniël genade en barmhartigheid bij het hoofd van de hovelingen” (vs. 9).

Wat Daniël had gedaan was niet geheel zonder gevaar. Als een slaaf in Babylon zijn mond open durfde te doen, kon dat de dood tot gevolg hebben. Maar God zat erachter en Daniël ervoer, dat zelfs zijn vijanden vrede met hem hadden omdat zijn wegen de Heer welgevallig waren (Spr. 16:7).

God gaf hem genade en barmhartigheid. Daniël had beide nodig. Hij had Gods onverdiende aandacht nodig, omdat hij deel uitmaakte van een volk, dat God niet langer Zijn volk noemt, deel van een volk dat zich totaal van God had afgekeerd. Toch geeft God Daniël zijn onverdiende aandacht. Maar Daniël had ook barmhartigheid nodig, want hij bevond zich in zeer moeilijke en benarde omstandigheden als gevangene in een vreemd land. Daarin had hij Gods medegevoel voor zijn situatie nodig. God geeft hem beide! Maar dit betekende niet, dat de wegen van Daniël onmiddellijk glad zouden zijn; ook zijn geloof zou verder op de proef worden gesteld.

Wat was het succesvolle recept van Daniël? Was het het besluit van zijn hart, of was het de genade en barmhartigheid van God? Beide zijn onmisbaar! Dit vers toont ons een principe van God, dat we steeds weer terugvinden in de Bijbel, zowel in het OT als in het NT, namelijk het principe van genade en verantwoordelijkheid. Deze twee beginselen lopen altijd parallel. Daniël was voor 100% afhankelijk van de genade en barmhartigheid van God; maar het was net zo goed 100% belangrijk, dat hij dat besluit van zijn hart genomen had en daarnaar gehandeld had door zijn pleidooi op gepaste wijze te presenteren. De genade van God neemt nooit onze verantwoordelijkheid weg; en onze verantwoordelijkheid neemt nooit de genade van God weg.

“Want het hoofd van de hovelingen zei tegen Daniël: Ik ben bevreesd voor mijn heer de koning, die uw eten en uw drinken heeft vastgesteld. Want waarom zou hij zien dat uw gezichten er slechter uitzien dan die van de andere jongemannen van uw groep? U zou bij de koning mijn hoofd met schuld beladen” (vs. 10).

Daniël schijnt zijn drie vrienden onmiddellijk bij deze zaak te hebben betrokken, want het hoofd van de hovelingen antwoordt hier al in het meervoud. Ze moeten hetzelfde gedacht hebben als hijzelf. Deze situatie ging over het afweren van verderfelijke invloeden, en de houding van Daniël was overgegaan op zijn geloofsgenoten.

Maar het hoofd vreesde voor zijn leven en wees het verzoek van de vier vrienden af. Angst voor de mens hangt samen met angst voor God. We zien duidelijk het verschil tussen geloof en ongeloof. Geloofsmoed is geen onbeschaamdheid, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit (1 Joh. 4:18). Geloof overwint tegengestelde hindernissen.

“Toen zei Daniël tegen de kamerheer die het hoofd van de hovelingen had aangesteld over Daniël, Hananja, Misaël en Azarja: Stel uw dienaren toch tien dagen op de proef, en laat men ons plantaardig voedsel geven, zodat wij dat eten, en water, zodat we dat drinken. En laat dan in uw tegenwoordigheid ons uiterlijk en het uiterlijk van de andere jongemannen, die de gerechten van de koning eten, bezien worden, en doe dan met uw dienaren naar wat u ziet” (vs. 11-13).

Maar Daniël geeft hierdoor niet op, hij toont al zijn vastberadenheid, doorzettingsvermogen en vertrouwen op God. Hij had tegen zichzelf kunnen zeggen, dat hij nu alles had geprobeerd wat in zijn macht lag, zelfs bij het hoofd van de hovelingen, en dat hij zich nu zou moeten onderwerpen en leven van dit tafelvoedsel en deze wijn. Maar in alle nederigheid en onderdanigheid zoekt hij een andere weg en wendt zich tot een ander. Deze keer gaat hij naar de kamerheer die de overste had aangesteld over deze kleine groep, dus een niveau lager. Als het erom gaat op te komen voor de Naam van de Heer in een wereld waar dat vaak moeilijk is, mogen we in geestelijke zin rustig vindingrijkheid tonen en moeten we niet overhaast toegeven. De Heer zal ons helpen als we de juiste instelling hebben en ons van stap tot stap juist gedragen (Hebr. 11:6).

In alle nederigheid en bescheidenheid toont Daniël de kamerheer een weg om in een overzichtelijke tijd van zeer eenvoudig doch voedzaam voedsel voorzien te worden en daarna een vergelijking met de anderen te maken. Kunnen wij ons voorstellen hoezeer Daniël en zijn vrienden gebeden hebben om de zegen van God over dit voedsel, vooral gedurende deze 10 dagen? Zij hadden toch zeker een heel ander idee dan wij tegenwoordig hebben als we voedsel uit de hand van God aannemen.

Het getal 10 is in de Bijbel altijd een verwijzing naar een tijd van beproeving, van testen; en Daniël en zijn vrienden zijn klaar voor deze test. We lezen niet, dat God hem succes had beloofd voor zijn hernieuwde verzoek, maar hij had vertrouwen in God dat Hij het zou zegenen.

“Hij luisterde naar hen in deze zaak. Tien dagen stelde hij hen op de proef. Aan het einde van die tien dagen zag men dat hun uiterlijk knapper was, en zagen zij er gezonder uit dan al de jongemannen die van de gerechten van de koning aten” (vs. 14-15).

God zorgt ervoor, dat het nieuwe voorstel van Daniël wordt aangenomen. Deze consequente trouw van Daniël en zijn vrienden leidt zelfs tot een drievoudig antwoord van God: eerst wordt hun voorstel ingewilligd, vervolgens wordt na de dagen van beproeving aangetoond, dat hun uiterlijk beter is dan dat van de rest, en tenslotte geeft God hun verder inzicht en begrip in de hele Schrift en wijsheid (vs. 17).

Een eigenlijk heel onnatuurlijk resultaat van dit verzoek. Natuurlijk konden ze er met groenten en water alleen na 10 dagen niet florissanter uitzien dan de rest. Hun gebeden, dat deze eenvoudige voedingsmiddelen hun werk zouden doen voor de eer van God, werden verhoord. God stond aan hun kant, en dit resultaat bij de vier vrienden was de uitdrukking van Zijn welbehagen in hen en hun trouw. God heeft altijd rijke beloningen voor degene die aan Zijn kant staat. Het is een groot goed de goedkeuring en bevestiging van God te ervaren (1 Sam 2:30; Spr. 16:7). Maar een werelds spreekwoord zegt ook: “Je bent wat je eet.” Het onreine voedsel van de koning liet zeker ook zijn sporen na op de rest.

“Toen gebeurde het dat de kamerheer hun gerechten, en de wijn die zij moesten drinken, wegnam en dat hij hun plantaardig voedsel gaf” (vs. 16).

Pas na de 10 dagen werden het tafelvoedsel en de wijn weggehaald, al die tijd stond het naast de groenten en het water waar Daniël om gevraagd had. Maar voor de rest van de drie jaar dat het wegbleef, was de verzoeking in dit opzicht voor de vrienden voorbij. Er kwamen later nieuwe beproevingen, maar dit proces was voorbij. Nadat de Heer 40 dagen en nachten in de woestijn was verzocht, week de duivel voor een tijd van hem (Luk. 4:13). Zo zal het ook in ons leven zijn: als we werkelijk standhouden in een beproeving, zal ook die beproeving ooit eindigen. Maar als we steeds weer toegeven aan een beproeving, zullen we vele jaren met zulke dingen moeten worstelen.

De vier vrienden hadden 10 dagen lang elke dag het tafelvoedsel voorgeschoteld gekregen – en ze lieten het elke dag staan! Dat was een harde verzoeking voor hen. En nu werd het eten van de koning alleen van hen afgenomen, niet van alle jonge mannen. Het was immers alleen de kamerheer over deze vier vrienden geweest die hen deze verzoeking had toegestaan (vs. 14).

“Aan deze vier jongemannen nu gaf God kennis en verstand van allerlei geschriften, en wijsheid, en Daniël gaf Hij inzicht in allerlei visioenen en dromen” (vs. 17).

We moeten in dit hoofdstuk onderscheid maken tussen twee verschillende soorten wijsheid. Wanneer in vers 4 over de jonge mannen wordt gezegd, dat zij reeds wijsheid zouden bezitten, gaat het om een aards, praktisch vermogen om verworven kennis toe te passen. Dit is ook het verschil tussen wijsheid en kennis in het algemeen. Wijze mensen zijn meestal oudere mensen die door hun ervaring de kennis die zij bezitten op de juiste wijze kunnen toepassen. In het geestelijke wordt dit onderscheid ook gemaakt in 1 Korinthe 12 vers 8, waar gesproken wordt over het woord der wijsheid en het woord der kennis. Wijsheid en kennis zijn dus niet identiek. Wijsheid is de juiste praktische toepassing van kennis. En dat was de eis van Nebukadnezar aan de jonge mannen in vers 4, en vervolgens past hij deze zelfde norm van inzichtelijke wijsheid toe op de proef aan het eind van de driejarige opleiding in vers 20. Als Daniël later zijn droom aan Nebukadnezar vertelt en uitlegt, spreekt hij in Daniël 2 vers 30 ook eerst over deze menselijke wijsheid. Maar hij zegt dan onmiddellijk, dat hij deze droomuitleg niet kon geven op grond van deze menselijke wijsheid, maar op grond van een openbaring van God.

Maar wat God de vier jongemannen hier geeft is de wijsheid van God, en ware wijsheid komt altijd van boven (Jak. 3:15,17). God geeft het ons graag als we erom vragen (Jak. 1:5), en de Heer Jezus is de belichaming van deze wijsheid van God (1 Kor. 1:30). Wij bezitten ook de geest van wijsheid (Ef. 1:17), dit betekent niet de Heilige Geest, maar dat wij door de Heilige Geest wijsheid ontvangen om de gedachten van God te begrijpen, omdat de natuurlijke mens ze niet kan begrijpen. De mens kan ook niet uit zichzelf in het bezit komen van wijsheid, God moet het ons geven (verg. Job 28:12-28). De wijsheid van God is voor ons beschikbaar (Kol. 1:9), maar zij kan alleen tot bloei komen in een Godvrezend hart, alleen daar zal de Heer haar tot bloei brengen. Dit is van fundamenteel belang. God geeft alleen de kennis van Zijn wil als we ophouden onze eigen gedachten na te jagen. Wij maken vaak de grote fout onze gedachten vast te houden en dan de Heer om inzicht te vragen. Maar we moeten onze eigen slechte gedachten volledig opgeven, en dan zal de Heer ons wijsheid en kennis van Zijn wil geven en geestelijk inzicht, een inzicht gevormd en gevoed door de Geest van God.

De kennis en het begrip van de hele Schrift verwijst hier duidelijk naar het Woord van God – in tegenstelling tot het doel van Nebukadnezar voor de discipelen in vers 4 met betrekking tot de geschriften van de Chaldeeën. Als wij verlangen dat God ons inzicht geeft in Zijn Woord, is dat onlosmakelijk verbonden met een leven van toewijding en afzondering. Wij zullen nooit kennis van het Woord van God opdoen als bijkomstigheid van een werelds leven (2 Tim. 2:7). De verborgenheid van de Heer is voor hen die Hem vrezen (Ps. 25:14 ; Spr. 3:32). En dit inzicht dat God hen hier geeft, wil Hij ook gebruiken om de rest van Zijn volk te onderwijzen en te instrueren (Dan. 11:33). De jonge koning Salomo had gevraagd om een verstandig hart om over het volk van God recht te kunnen spreken, en God had dit verzoek ingewilligd (1 Kon. 3:9-12; 5:12).

Daniël, als leider van de vier vrienden, krijgt ook een speciaal deel van God, een speciale gave. Maar deze verschillen dreven hen niet uit elkaar. Ze blijven vrienden, ze worden niet jaloers op elkaar of hoogmoedig, ze blijven bondgenoten (Dan. 2:17). Het is niet altijd gemakkelijk om vriendschap te onderhouden tussen hen die de Heer een andere gave heeft gegeven.

“Aan het einde van de dagen waarvan de koning had gezegd dat men hen moest laten komen, liet het hoofd van de hovelingen hen bij koning Nebukadnezar komen. De koning sprak met hen. Maar onder hen allen werd niemand gevonden als Daniël, Hananja, Misaël en Azarja. Zij traden in dienst van de koning. In alle zaken waar het aankomt op een wijs inzicht, waarover de koning hen ondervroeg, vond hij hen tienmaal beter dan alle magiërs en bezweerders die er in heel zijn koninkrijk waren” (vs. 18-20).

Voor ons ligt nu het einde van de drie jaar waarin de jonge mannen van Israël aan het hof van de koning moesten worden opgeleid (vs. 5). En Daniël en zijn vrienden moeten ook gehoor geven aan de oproep van de koning. Door alles wat God deze vier trouwe vrienden had gegeven, waren zij nog steeds niet weg uit hun positie als dienaren aan het hof van Nebukadnezar. De machtigste man van de wereld op dat moment zet nu ook vraagtekens bij deze vier vrienden. Wat zouden die dingen van inzichtelijke wijsheid zijn geweest die hij van hen vroeg?

Ook in de oudheid hield men zich bezig met zeer diepgaande vragen, vragen van filosofische en metafysische3 aard. Maar wie alleen kan antwoorden geven op zulke diepgaande vragen? Alleen de vier door God geleerde vrienden; hun antwoorden moeten totaal verschillend zijn geweest van de opvattingen van de wijzen van Babylon. Dit geldt overigens nog steeds. Ook vandaag zijn er heel wat wijze mensen, en toch zijn ze dwaas over bijna alle wezenlijke vragen waarover God ons, gelovigen, in Zijn Woord onderricht.

Als we het resultaat van deze ondervraging zien, denken we aan Psalm 119 vers 98-100, dit zouden hun woorden geweest kunnen zijn. En het geheim in elk van deze verzen is de verwijzing naar het heilige Woord van God. Maar we moeten ons niet overgeven aan de gedachte dat we qua intelligentie en menselijke wijsheid superieur zijn aan onze medemensen. Maar in termen van geestelijke wijsheid zijn wij tien keer beter dan zij, omdat deze wereld geestelijk in het duister tast. Maar deze superioriteit leidt er nooit toe, dat we arrogant of verwaand worden.

Daniël had de kamerheer tien dagen gevraagd om groenten te eten en water te drinken; daarna waren hij en zijn vrienden tien keer beter dan de waarzeggers. Tien is in de Bijbel vaak het getal van onze verantwoordelijkheid tegenover God. De vier vrienden hielden de hele tien dagen vol; ze gaven het niet op na de vijfde dag, maar vervulden hun verantwoordelijkheid tegenover God. En dan beloont God hen door te zeggen, dat zij de waarzeggers in aantal overtroffen met tien tegen één. Zoals de Joden later met Stéfanus (Hand. 6:10), kon koning Nebukadnezar geen weerstand bieden aan de wijsheid waarmee deze vier vrienden spraken.

Beantwoordt God trouw aan Hem altijd op zo’n manier? Er zijn in alle tijden trouwe gelovigen geweest die hun leven niet lief hadden en uiteindelijk een martelaarsdood moesten sterven. God antwoordt niet altijd zoals hier. Maar één ding is zeker: trouw zal altijd op de één of andere manier beloond worden.

“En Daniël bleef tot het eerste jaar van koning Kores” (vs. 21).

Daniël had het doorstaan. Hij moet erg oud geworden zijn. Toen hij als 16-jarige naar Babylon kwam en de 70-jarige gevangenschap overleefde, moet hij in het derde jaar van Cyrus ongeveer 90 jaar oud zijn geweest (Dan. 10:1). Hadden wij maar meer voornemens van ons hart, ook wij ouderen, als wij ons hart maar meer openstelden voor de kostbare Persoon van onze Heer, dan zou Hij ons ook voorspoed en standvastigheid geven. De discipelen wordt verteld: “En de wereld gaat voorbij en haar begeerte, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid” (1 Joh. 2:17). Het koninkrijk van Nebukadnezar moest uiteindelijk ook voorbijgaan, maar Daniël hield stand, hij bleef!

Waarom wordt er nu naar Kores verwezen? Dit maakt duidelijk, dat Daniël het eerste wereldrijk van Babel heeft overleefd. Hij was getuige van de val van het eerste wereldrijk en de opkomst van het tweede wereldrijk. Maar Daniël is ook een beeld van het Joodse overblijfsel, dat door de hele tijd van de volkeren heen gered wordt, totdat het ten slotte de zegeningen van het 1000-jarig koninkrijk kan binnengaan.

[Verslag van een overdenking]

NOTEN:
1. Sumer of Soemer (Sumerisch: ) is de beschaving die vanaf het vierde millennium v.Chr. ontstond in het zuidelijk deel van Mesopotamië. Het is de oudste beschaving daar en een van de oudste ter wereld. Dit gebied waar de rivieren Eufraat en Tigris uitmonden in de Perzische Golf werd door de Sumeriërs zelf ki-en-gir (het land van de beschaafde heersers) genoemd. Sumer was naam die de Akkadiërs het gebied later gaven. {Wikipedia}
2. Deze naam kreeg Daniël. {FW}
3. Metafysica is de wijsgerige leer die niet zoals de fysica de werkelijkheid onderzoekt die volgt uit zintuiglijke of instrumentele waarneming, maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat er achter zit. Metafysica is zo ook de grondslag van de wetenschappen, omdat die uitgaan van de waarneembaarheid van de werkelijkheid. Oorspronkelijk betekende de term Wat na de natuur (fysica) komt, vanwege de boeken van Aristoteles die volgden op zijn boeken over de Fysica. {Wikipedia}

 

Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 29.01.2014.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW