11 jaar geleden

De plaats van de vrouw (6)

Uit verschillende Schriftplaatsen hebben we gezien, dat de plaats van de vrouw in de gemeente niet van openbare aard is, maar veelmeer in het verborgen gebied van velerlei werkzaamheden voor haar Heer en Heiland. Nu we tot hiertoe onderzocht hebben wat de vrouwen niet mogen doen, willen we ook vanuit de Schrift verschillende plaatsen en taken bezien, die aan de vrouw voorbehouden bleven …

Voorbeelden uit de schrift

Uit verschillende Schriftplaatsen hebben we gezien, dat de plaats van de vrouw in de gemeente niet van openbare aard is, maar veelmeer in het verborgen gebied van velerlei werkzaamheden voor haar Heer en Heiland. Nu we tot hiertoe onderzocht hebben wat de vrouwen niet mogen doen, willen we ook vanuit de Schrift verschillende plaatsen en taken bezien, die aan de vrouw voorbehouden bleven.

De 66 boeken van de Bijbel werden zonder uitzondering door mannen geschreven. Niet één enkele vrouw werd daarvoor door God gebruikt. Geen vrouw werd aangewezen Leviet of Priester te zijn om in de tabernakel of de tempel van het Oude Testament te dienen. Niet één vrouw werd door de Heer onder de twaalf apostelen gekozen. Het waren allen mannen. Behalve de twaalf apostelen werden ook de zeventig door de Heer uitgezonden. Er wordt niets van gezegd, dat er misschien vrouwen onder hen waren. Verder waren er “zeven mannen van goede getuigenis, vol van de Heilige Geest en van wijsheid”, die in Handelingen 6 uitverkoren werden, om de tafelen te dienen en de weduwen te verzorgen. Niet één vrouw werd daartoe gekozen.

Als bewijs van de opstanding van de Heer worden in 1 Korinthe 15 vele getuigen aangehaald. Verschillende mannen daarbij met name genoemd, maar er wordt niet één enkele vrouw aangehaald. Dat is erg belangrijk, want Maria was de eerste persoon, die de opgestane Christus zag en door Hem met een wonderbare boodschap tot de discipelen gezonden werd. Hier echter wordt haar naam niet onder de vele getuigen genoemd. Is dat niet een overtuigend bewijs, dat de Schrift de plaats van een openbaar getuigenis niet toestaat aan de vrouw?

In de eerste christenheid werden oudsten en opzieners aangesteld, zoals we dit in de 1e brief aan Timotheüs en in de brief aan Titus vinden. Dat waren allen mannen; niet één enkele vrouw was er onder hen. We lezen in het Nieuwe Testament niets van een vrouwelijke evangelist, herder, of leraar, die in het openbaar diende. Geen vrouw wordt genoemd, die in het openbaar een of ander wonder gedaan zou hebben. In Openbaring 11 zien wij de twee getuigen. Het zijn profeten, niet een profeet en een profetes en ook niet profetessen. Beide getuigen zijn mannen. Nu we in al deze openbare posities de vrouwen volkomen zien ontbreken, moeten we toch wel erkennen, dat dit niet haar arbeidsveld is.

We willen ons nu wenden tot de positieve getuigenissen die de Schrift ons geeft over godvruchtige vrouwen en over hun dienst, die voor God aannemelijk is. –

Mirjam

In Exodus 15:20 lezen wij: “En Mirjam de profetes, Aärons zuster, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien”. Toen antwoordde Mirjam hun: “Zingt de Heere, want Hij is hoog verheven …” (vers 21). Dat was een goede dienst. Ze zette de vrouwen aan tot een lofzang voor de Heer. Ze probeerde niet om de mannen te leiden. Op zulk een wijze was haar dienst volkomen verantwoord. Later echter, toen ze Aäron verleidde om tegen Mozes op te staan, werd ze wegens haar zonde met melaatsheid geslagen (Numeri 12).

De vrouwen uit Exodus 35:22-26

Bij de bouw van de tabernakel lezen we, dat met de mannen ook de vrouwen kwamen “alle vrijwilligen van hart; zij brachten haken, en oorsierselen, en ringen, en banden, alle gouden vaten; en alle man, die een gouden beweegoffer de Heere offerde … En alle vrouwen, die wijs van hart waren, sponnen met haar handen, en zij brachten het gesponnene, de hemelsblauwe zijde, en het purper, het scharlaken, en het fijn linnen. En alle vrouwen, wier hart hen bewoog in wijsheid, die sponnen het geitenhaar”. Zo had elk van deze vrouwen haar waardevol aandeel in de bouw van het heiligdom voór God.

Debora

Ze was een profetes, een getrouwde vrouw, en richtte Israël in de dagen van het verval (Richteren 4). Israël was in een erg slechte toestand en Debora werd, toen de mannen in moed volkomen te kort schoten, geroepen om het juk van de vreemde onderdrukking af te schudden. In tijden van verval komt dikwijls de vrouw op het toneel en dat is altijd een teken, dat de toestand slecht is. We moeten er echter op letten, hoe zelfs Debora probeerde op haar eigen plaats te blijven. Ze woonde onder de Debora-palmen en de kinderen van Israël gingen tot haar uit ten gerichte. Ze liet Barak roepen en zond hem uit om tegen de heirlegers van Sisera te strijden, zoals Jehova het geboden had. Pas toen Barak niet zonder Debora wilde uittrekken, willigde ze in met hem te gaan. Ze zei hem echter, dat de eer niet de zijne zou zijn op deze weg, want de Heer zou Sisera in de hand van een vrouw verkopen. Haar woorden tonen aan, dat, als het voor Barak al een schande was, als Sisera door een vrouw verslagen werd, het nog meer een schande zou zijn, als door de lafhartigheid van de mannen een vrouw gedwongen werd Israël te richten. In haar geloof en in haar moed vond Barak, die kennelijk een schroomvallig man was, bemoediging en steun. Zo kunnen de zusters de broeders helpen als deze versagen. Debora had niet getracht, Barak te leiden, maar ze bemoedigde hem, terwijl ze met hem ging.

De Sunamietische

Van deze “aanzienlijke vrouw” lezen we in 2 Koningen 4:8-37, waar ons van haar zorg en gastvrijheid voor de profeet Elisa verteld wordt. Ze had haar man voorgesteld voor de profeet een kleine opperkamer te maken, waar hij telkens als hij kwam kon ingaan. Maar ook haar geloof en haar vertrouwen worden ons medegedeeld.

Vrouwen uit het nieuwe testament

In tweeërlei opzicht heeft God de vrouw in het Nieuwe Testament op een betekenisvolle wijze boven de man geëerd: In de eerste plaats werd de Heer uit een vrouw, uit de maagd Maria, geboren. In de tweede plaats verscheen de Heer na Zijn opstanding het eerst aan een vrouw, aan Maria Magdalena. In hun verhouding tot de Heer namen beide vrouwen een wonderbare plaats in. Van Maria wordt gezegd, dat ze “begenadigd” en “gezegend was onder de vrouwen”. En Maria Magdalena wordt genoemd wegens haar liefde tot de Heer en had het voorrecht een wonderbare boodschap van de opstanding van de Heer aan de discipelen te brengen. –

De profetes Anna was “een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar en zij week niet uit de tempel, terwijl zij met vasten en bidden God diende, nacht en dag … en sprak over Hem tot allen die in Jeruzalem de verlossing verwachtten” (Lukas 2:37-38). Zo’n dienst staat ook nu voor elke zuster open, en is ook tegenwoordig erg nodig. –

Lukas 8:2-3 spreekt over zekere vrouwen, die van boze geesten en ziekten genezen waren; ze worden tezamen met de twaalven genoemd, als dezulken die de Heer navolgden en “die Hem dienden met haar goederen”. Dat was toch zeker ook een gezegende dienst.

Martha nam de Heer in haar huis op en diende Hem, terwijl daarentegen haar zuster Maria aan Zijn voeten naar Zijn Woord luisterde. Bij een andere gelegenheid “bereidden ze Hem een maaltijd” en Maria zalfde bij voorbaat Zijn lichaam met kostbare nardus, tot Zijn begrafenis, (Lukas 10:38; Johannes 12:1-3). We lezen, toen de Heer naar Golgotha ging, van “een grote menigte van het volk en van vrouwen volgde Hem, die weenden en over Hem weeklaagden”. En later ook, dat de vrouwen “volgden en het graf aanschouwden en hoe Zijn lichaam gelegd werd” (Lukas 23:27 en 55). Op de eerste dag van de week echter, zeer vroeg in de morgen, kwamen ze tot het graf en brachten de specerijen, die ze voor het lichaam van de Heer hadden bereid. Daar was de vrome dienst van de vrouwen voor de Heer, in Zijn leven en bij Zijn sterven. Persoonlijke, toegewijde overgave wordt hier openbaar in de bijzondere dienst van de zusters. In Handelingen 9:36-39 lezen we van Dorkas, die vol van goede werken en aalmoezen was. Toen ze gestorven was, kwamen alle weduwen wenend nader en toonden de rokken en de klederen, die Dorkas voor hen gemaakt had. Welk een gezegende dienst had ze voor de armen verricht. Uit Handelingen 12:12 zien we, dat Maria, de moeder van Markus, haar huis voor de gebedssamenkomsten ter beschikking had gesteld. In Handelingen 16:13 hoe de vrouwen aan de oever van een rivier tot gebed samenkwamen. Ook lezen we, hoe Lydia haar huis openstelde voor Paulus en die met hem waren (Handelingen 16:15). Onder de vele namen, die in Romeinen 16 met persoonlijke groeten genoemd worden, vinden we ook verschillende vrouwen. Fébe was een dienares van de gemeente in Kenchreën en had velen bijgestaan. Prisca en haar man Aquila worden door Paulus als zijn mede-arbeiders in Christus genoemd, die voor zijn leven hun hals gewaagd hadden1. Waarschijnlijk kwam men in hun huis in Rome samen, want Paulus zegt: “groet Prisca en Aquila … en de gemeente in hun huis” (vers 3-5). Maria had ook veel gedaan voor de gelovigen in Rome. In zijn brief aan de Filippiërs verzocht Paulus uitdrukkelijk, ook de beide daar genoemde vrouwen bij te staan, “die met mij hebben gestreden in het evangelie” (Filippi 4:2-3). Dat ze niet samen met Paulus gepredikt hadden, kan wel uit zijn andere brieven met zekerheid worden aangenomen, maar ze hadden zich met hem in de rampspoeden en bestrijdingen van het evangelie vereenzelvigd. Ze hadden hem op alle mogelijke wijze bijstand betoond, misschien wel hun huizen voor evangelie-verkondiging opengesteld, gastvrijheid verleend, zieken opgezocht, met hen gebeden, hen uitgenodigd naar de evangelie-verkondiging te komen of wel in vele andere dingen gewerkt, die door vrouwen beter gedaan konden worden dan door mannen. Paulus waardeerde zulk een dienst van de vrouwen en kenmerkte ze als dezulken, die met hem in het evangelie gestreden hadden. Hoe gezegend! Zulk een waardevolle dienst in het Evangelie staat ook nu voor de vrouwen open. Ze kunnen evangelisatie-liederen zingen en zo meehelpen bij de evangelie-verkondiging in de openlucht; of ook overal waar het evangelie verkondigd wordt kunnen ze een goede hulp zijn. Ze kunnen zieken bezoeken en daarbij ook evangelietractaten uitdelen.

Wat een groot arbeidsveld voor de Heer is dus aan de vrouwen gegeven! Mochten de hierboven aangehaalde voorbeelden van een welgevallige dienst van verschillende vrouwen ook voor onze zusters ter bemoediging dienen! Hoe goed is het, als ze daarbij met ijver voor de Heer werkzaam zijn. Haar dienst is precies zo belangrijk als de openbare dienst van de mannen; die dienst wordt door de Heer erkend en zal zeker ook door Hem beloond worden.

Door onze uiteenzettingen over de plaats van de vrouw moet men toch wel erkennen, dat haar plaats naar de Schrift, volkomen verschilt van die van de man en dat het dus niet in overeenstemming met de Schrift kan zijn, als de vrouw een dienst doet, die op besliste wijze door de Heer aan de man is voorbehouden. Soms wordt, om het tegendeel te bewijzen, Galaten 3:28 aangehaald: “Daar is geen man of vrouw; want u bent allen één in Christus Jezus”. Deze Schriftplaats spreekt echter niet van de orde in de gemeente en hoe men zich in de gemeente moet gedragen, maar heeft betrekking op alle verlosten in de familie van God, bij wie, wat de redding en genade betreft, geen verschil is tussen Joden en Grieken, slaven en vrijen, man en vrouw. Andere Schriftplaatsen hebben ons aangetoond, dat Gods orde in de schepping ook in de gemeente nog altijd blijft bestaan. – –

NOOT:
1. Het is opmerkelijk, dat als deze gelovigen in de Handelingen en Brieven genoemd worden, Aquila voorop gaat als het gaat om de evangeliedienst en Priscilla bij de huiselijke- en liefdedienst.

R.K. Campbell

Als brochure verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW